Nl 14g De Broekmannen

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    14g. Gebreken der Brakmannen

    [131/26] Wanneer de kruier een tijd voortgekrooien heeft, zou ons nageslacht zich kunnen inbeelden, dat de lekken en breuken die de Brakmannen hebben meegebracht, eigen waren aan hun voorouders. Dat wil ik voorkomen en dus zal ik zoveel over hun gewoontes schrijven als ik heb waargenomen.

    [132] Over de Geertmannen kan ik kort zijn. Ik ben niet veel met hen omgegaan, maar zover ik het kan beoordelen zijn hun taal en zeden het meest zuiver gebleven. Van de anderen kan ik dat niet zeggen.

    De taal van hen die uit de Kreeklanden afkomstig zijn is belabberd en hun zeden zijn aanstootgevend. Velen hebben bruine ogen en haar. Ze zijn jaloers, brutaal en angstig door bijgeloof. Als ze spreken klopt de woordvolgorde niet. In plaats van ald (oud) zeggen ze ád, van salt (zout) maken ze sád, màn (man) wordt , ze zeggen sel voor skil (zal), sode voor skolde (zou) — teveel om op te noemen. Ook hebben de meesten buitenlandse en afgekorte namen waarvan de betekenis onduidelijk is. De Joniërs spreken beter, maar laten de h weg en waar hij niet moet zijn wordt hij uitgesproken.

    Wanneer iemand een beeld maakt dat op een overledene lijkt, geloven ze dat de geest van die overledene daar intreedt. Daarom hebben zij alle beelden verborgen — van Frya, Festa, Medea, Diania, Hellenia en vele anderen. Wordt er een kind geboren, dan komen de familieleden samen en vragen Frya of ze haar waaksters wil laten komen om het kind te zegenen. Na hun gebed [133] mag niemand bewegen of geluid maken. Gaat het kind dan huilen en houdt dat een uur aan, dan is dat een slecht teken dat wijst op overspel van de moeder. Daar heb ik al veel ellende uit voort zien komen. Valt het kind in slaap, wijst dat erop dat de waaksters zijn gekomen. Glimlacht het in de slaap dan hebben de waaksters het kind geluk voorspeld. Over het algemeen geloven ze in boze geesten, heksen,[1] kabouters en elfen, alsof ze van de Finnen kwamen.

    Hiermee wil ik eindigen en nu meen ik meer geschreven te hebben dan één van mijn voorouders.

    Frethorik.

    Noten en andere vertalingen

    Noten

    1. 'Kollen' is weggelaten omdat dit woord verouderd is en voor ons synoniem aan 'heksen'.

    Overwijn 1951

    [/125] Wanneer het uitspansel een wijle heeft gewenteld, dan zullen de nakomelingen denken, dat de fouten en gebreken, die de Brokteren hebben meegebracht, eigen waren aan hun voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoveel over hun gewoonten schrijven, als ik heb gezien. Over de Geermanen kan ik geredelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Voor zover ik heb gezien, zijn zij het meest bij hun taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden komen, zijn kwaad ter taal en over hun zeden valt volstrekt niet te roemen. Velen hebben bruine ogen en bruin haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgelovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst moesten komen. Tegen ald zeggen zij aad, tegen salt, saad, ma voor män, sel voor sjil, sode voor sjolde, te veel om op te [127] noemen. Ook dragen zij meestal vreemde en verkorte namen, waaraan men geen betekenis kan hechten. De Ioniërs spreken beter, maar zij verzwijgen de ’h’ en waar die niet moet wezen, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest van de overledene daarin vaart. Daarom hebben zij allen beelden van Frya, Fästa, Tanneke, Hellenia en vele andere verborgen. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden bijeen en bidden Frya, dat zij haar waakmeisjes zal laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren, noch laten horen. Begint het kind te schreien en houdt dat een tijdje aan, dan is dat een kwaad teken en men heeft het vermoeden, dat de moeder overspel heeft bedreven. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teken dat de waakmeisjes gekomen zijn. Lacht het in de slaap, dan hebben de waakmeisjes het kind geluk toegezegd. Vervolgens geloven zij aan boze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finen afstamden. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb dan één van mijn voorvaderen. Frethorik.

    Ottema 1876

    [/179] Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien heb. Over de [181] Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden wegkomen, zijn kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt, sâd, voor mæn, sel voor skil, sode voor skolde, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter, doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest des overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fæsta, Medea, Thiania, Hellènia en vele andere. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.

    Lees Verder

    Nl 14f Noordland ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 15a Uit de Saxenmarken

    Aangepaste volgorde:

    Nl 16e Reine Taal ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 18 Naamroof