Jump to content

S4T Overwijn

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

S. Frethorik

4. Omslag in Noordland
5. Repatrianten Beoordeeld

T. Wiljo

1. Inleiding van Wiljo
2. Geschriften Hellenia
Slavenvolk Krijgt Vrijheidszin
Jesus van Kasamier
Valse Priesters
3. Tüntja Aanbevolen
4. Gosa: Drie Woorden

Overwijn 1951

[/125] Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland gegeven.

In de tijd, dat ons land verzonk, was ik in Schoonland. Daar ging het zo toe; Er waren grote meren, waarvan de bodem als een blaas uitzette, dan spleet hij open. Uit de scheuren kwam een stof, alsof het gloeiend ijzer was. Er waren bergen, waarvan de kruinen aftuimelden, deze stortten neer en vernielden wouden en dorpen. Ik zelf zag, dat een berg van de andere werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij neer. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindaburcht met zijn volk en een maagd, welke laatste alom riep: De Magy is schuldig aan al het leed, dat wij hebben geleden. Zij trokken steeds voort en het leger werd al groter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk; hij had zelfmoord gepleegd. Toen werden de Finnen verdreven naar éne plaats, waar zij mochten leven. Er waren er ook van gemengd bloed, die mochten blijven, maar velen gingen met de Finnen mee. De hertog werd tot koning gekozen. De kerken, die heel waren gebleven, werden vernield. Sedert die tijd komen de goede Noormannen dikwijls op Techelland (Texel) om raad van de Moeder. Toch kunnen wij hen niet meer voor echte Fryas houden. In de Denemarken is het zeker zoals bij ons gegaan. De zeelieden, die zichzelf trots Sikambren noemen, zijn op hun schepen gegaan en naderhand zijn zij teruggetrokken.

Heil!

Wanneer het uitspansel een wijle heeft gewenteld, dan zullen de nakomelingen denken, dat de fouten en gebreken, die de Brokteren hebben meegebracht, eigen waren aan hun voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoveel over hun gewoonten schrijven, als ik heb gezien. Over de Geermanen kan ik geredelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Voor zover ik heb gezien, zijn zij het meest bij hun taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden komen, zijn kwaad ter taal en over hun zeden valt volstrekt niet te roemen. Velen hebben bruine ogen en bruin haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgelovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst moesten komen. Tegen ald zeggen zij aad, tegen salt, saad, ma voor män, sel voor sjil, sode voor sjolde, te veel om op te [127] noemen. Ook dragen zij meestal vreemde en verkorte namen, waaraan men geen betekenis kan hechten. De Ioniërs spreken beter, maar zij verzwijgen de ’h’ en waar die niet moet wezen, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest van de overledene daarin vaart. Daarom hebben zij allen beelden van Frya, Fästa, Tanneke, Hellenia en vele andere verborgen. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden bijeen en bidden Frya, dat zij haar waakmeisjes zal laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren, noch laten horen. Begint het kind te schreien en houdt dat een tijdje aan, dan is dat een kwaad teken en men heeft het vermoeden, dat de moeder overspel heeft bedreven. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teken dat de waakmeisjes gekomen zijn. Lacht het in de slaap, dan hebben de waakmeisjes het kind geluk toegezegd. Vervolgens geloven zij aan boze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finen afstamden. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb dan één van mijn voorvaderen. Frethorik.

Frethorik mijn gade is drie en zestig jaar oud geworden. Sinds honderd acht jaar is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam is gestorven. Alle anderen zijn door moordaanslagen bezweken, omdat allen tegen eigen volk en vreemden vochten om recht en plicht.

Mijn naam is Wiljo, ik ben de vrouw, die met hem uit de Saksenmarken naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij allebei van Adela’s geslacht waren. Toen kwam de liefde en daarna zijn wij man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee zoons en drie dochters. Konereed (Koenraad) zo heet mijn oudste, Haachgana mijn tweede, mijn oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken ging, heb ik drie boeken gered, het liederenboek, het vertellingenboek en het Helleniaboek. Ik schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollansa zijn. Ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil ik dus de eer ook hebben. Ook heb ik meer gedaan. Toen Goza-Makanto gestorven is, wier goedheid en helder inzicht tot een spreekwoord is geworden, ben ik alleen naar Texland gegaan, om de geschriften over te schrijven, die zij had nagelaten, en toen de laatste wil is gevonden van Frana, en de nagelaten geschriften van Dela of Hellenia, heb ik dat nog eens gedaan.

Dit zijn de geschriften van Hellenia, Ik heb ze voorop gezet, omdat zij de oudste zijn.

Alle echte Fryas heil!

In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Als ossen werden zij onder het juk gebracht, Zij werden in de ingewanden [129] der aarde gejaagd om metaal te delven en uit de harde bergen moesten zij huizen houwen, tot woning voor vorst en priesters. Bij alles, wat zij deden, was er niets voor henzelf, maar alles moest dienen, om de vorsten en priesters nog rijker en machtiger te maken en zich te verzadigen. Bij deze arbeid werden zij grijs en stram eer zij oud waren en zij stierven zonder genot, ofschoon de aarde daarvan overvloedig veel geeft ten bate van al haar kinderen. Maar onze weggelopenen en ballingen kwamen door het Heideland (Lüneburgerheide e.d.) heen hun marken binnentrekken en onze zeelieden kwamen in hun havens. Van hen hoorden zij spreken over gelijke vrijheid en recht en over wetten, waarbuiten niemand kan. Dit alles werd door die droeve mensen ingezogen als dauw door de dorre velden. Toen zij ervan vervuld waren, begonnen de stoutmoedigsten te rammelen met hun ketenen, zodat het de vorsten schrijnde. De vorsten zijn trots en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in hun harten. Zij hielden onderling beraad en deelden iets van hun overvloed mee. Maar de laffe, schijnvrome priesters konden dat niet verdragen. Onder hun verzonnen goden hadden zij ook bitter wrede heren geschapen.

De pest kwam over het land. Toen zeiden zij, dat de goden vertoornd waren over de ongehoorzaamheid der boosdoeners en toen werden de stoutmoedigste mensen met hun ketenen gewurgd. De aarde heeft hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koren en allen, die daarvan aten, werden wijs.

Zestien honderd jaar geleden is Atland verzonken, en te dien tijde gebeurde er iets, waarop niemand had gerekend.

In het hart van Finda’s land in het gebergte ligt een vlakte die Kasjmier is genaamd: (dat is: zeldzaam.) Aldaar werd een kind geboren. Zijn moeder was de dochter van een koning en zijn vader was een opperpriester. Om de schande te ontkomen, moesten zij hun eigen bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme mensen. Gaandeweg had men de knaap niets verzwegen, daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te vergaderen. Zijn verstand was zo groot, dat hij alles begreep, wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied en de priesiers werden bang voor zijn vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij naar zijn ouders. Zij moesten harde dingen horen. Om hem kwijt te raken, gaven zij hem een overvloed van edelstenen, maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met droefenis overstelpt door de valse schaamte van zijn ouders ging hij ronddwalen. Al (verder) reizende, ontmoette hij een Fryas zeevaarder, (die als slaaf diende). Van hem leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht hem vrij en tot de dood toe zijn zij vrienden gebleven. Overal waar [131] hij verder heentrok, leerde hij aan de mensen, dat zij noch rijken noch priesters moesten toelaten, dat zij zich moesten hoeden tegen de valse schaamte, die overal kwaad doet aan de liefde. De aarde, zeide hij, schenkt haar gaven naarmate men haar huid openkrabt en dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaien, als men wil maaien. Echter, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een ander, als het niet door algemene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde, dat niemand in haar ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of edelstenen, waaraan nijd kleeft en waarvan de liefde vliedt. Om uw meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft de rivier (goud) genoeg. Niemand, zei hij, heeft het in zijn macht om aan alle mensen gelijke welvaart en gelijk geluk te geven, doch het is aller mensen plicht om aan de mensen zoveel welvaart en zoveel genoegen te geven als te bereiken is. Geen wetenschap, zeide hij, mag men minachten, maar geljkberechtigdheid is de grootste kennis, die de tijd ons kan leren, omdat zij ergernis van de aarde weert en de liefde voedt.

Zijn eerste naam was Jes, doch de priesters, die hem zeer haatten, noemden hem De Strever (Fo), het volk noemde hem De Oprechte (Kris.en) (dat is herder) en zijn Frya-vriend noemde hem De Wezenlijke (Boud.a) 'De Echte’ omdat er in zijn hoofd een schittering van wijsheid was en in zijn hart een schittering van liefde.

Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesters, maar overal waar hij kwam, was zijn leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij ging, volgden zijn vijanden hem als zijn schaduw. Toen Jes zo twaalf jaren had rondgereisd, stierf hij, maar zijn vrienden bewaarden zijn leer en verkondigden die, waar zij oren vond.

Wat denkt ge nu, dat de priesters deden? Dat moet ik U melden. Ook moet ge er vooral acht op geven, en moet ge waken voor hun bedrijf en hun streken met alle krachten, die Wr.alda in U heeft gelegd. Terwijl de leer van Jes zich over de aarde uitbreidde, gingen de valse priesters naar het land van zijn geboorte, om zijn dood bekend te maken. Zij zeiden, dat zij zijn vrienden waren, zij veinsden grote droefheid door hun kleren in stukken te scheuren en hun hoofd kaal te scheren. Zij gingen in bergholen wonen, maar hierin hadden zij hun schatten gebracht en daarbinnen maakten zij beelden van Jes. Deze beelden gaven ze aan nietsvermoedende lieden. Tenslotte zeiden zij, dat Jes een godheid was, dat hijzelf dit aan hen had bekend en dat allen, die aan hem en zijn leer wilden geloven, hiernamaals in zijn koninkrijk zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Daar zij wisten, dat Jes tegen de rijken te velde was getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degenen, die op aarde het meeste geleden hadden hiernamaals de meeste vreugde zouden hebben. Ofschoon zij wisten, dat Jes geleerd had, [133] dat men zijn hartstochten moest overwinnen en moest beheersen, leerden zij, dat men al zijn hartstochten moest doden en dat de volkomenheid van de mens daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als koude steen. Teneinde nu het volk wijs te maken, dat zijzelf zo deden, veinsden zij armoede op straat, en om verder te bewijzen, dat zij al hun zinnelijke lusten hadden gedood, namen zij geen vrouwen. Echter, als ergens een jonge dochter een misstap had begaan, werd haar dat spoedig vergeven. De zwakken, zeiden zij, moest men helpen en om zijn eigen ziel te behouden, moest men veel aan de kerk geven. Daarom hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding en werden rijk zonder werken, maar het volk werd veel armer en ellendiger dan ooit tevoren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap nodig hebben, dan bedriegelijk redeneren, een vrome schijn ophouden en ongerechtigde gebruiken, breidde zich uit van het Oosten naar het Westen en zal ook over ons land komen.

Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en van Jes’ leer hebben uitgedoofd, dan zullen er in alle oorden mensen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben gehouden. Deze zullen zijn van vorstelijken bloede, van priesterlijken bloede, van Slavonischen bloede en van Frya’s bloed. Zij zullen hun lampen en het licht uitdragen, zodat elkeen de waarheid kan zien. Zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid en het recht liefhebben, zullen zich van de priesters afscheiden, het bloed zal stromen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten putten. Finda's volk zal zijn vindingrijkheid ten algemenen nutte aanwenden, Lyda's volk zijn krachten en wij onze wijsheid. Dan zullen de valse priesters worden weggevaagd van de aarde: Wr.alda’s geest zal alom en allerwegen worden geëerd en aangeroepen. Alleen de wetten, die Wr.alda in den beginne in ons gemoed legde, zullen worden gehoord. Daar zullen geen andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, dan die, welke door de algemene wil zijn gekozen. Dan zal Frya juichen en Irtha zal haar gaven alleen schenken aan de werkende mens. Dit alles zal beginnen vierduizend jaar nadat Atland is verzonken en duizend jaren later zal er priester noch dwang op aarde zijn.

Dela, bijgenaamd Hellenia, waak!

Zo luidde Franals uiterste wil.

Aan alle goede Fryas, heil! In de naam van Wr.alda, van Frya en van de vrijheid groet ik U, dat als ik mocht sterven, eer ik een opvolgster heb benoemd, te weten, dat ik Tuuntje aanbeveel, die burchtvrouw is op de Maagdenburcht (Medemblik). Tot op de huidige dag is zij de beste.

[135] Dit heeft Goza nagelaten

Aan alle mensen heil. Ik heb geen Eremoeder benoemd, omdat ik er geen wist en omdat het U beter is er geen te hebben dan een, waarop gij U niet kunt verlaten. Een boze tijd is voorbijgegaan, maar er komt nog een andere. Irtha (Onze Aarde) heeft hem niet gebaard en Wr.alda heeft hem niet geschapen. Hij komt uit het Oosten uit de boezem der priesters vandaan. Zoveel leed zal hij veroorzaken, dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van haar verslagen kinderen. Duisternis zal hij over de geest der mensen spreiden, gelijk donderwolken over het zonnelicht. Alom en allerwegen zullen list en geweld tegen vrijheid en recht strijden. Recht en vrijheid zullen bezwijken en wij met hen, Maar deze winst zal hun verlies uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hun mensen en slaven de betekenis leren. Zij zijn 'naastenliefde’, ’vrijheid’ en ‘recht’, In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis te kampen hebben, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan zal de dwang van de aarde worden gevaagd, gelijk de donderwolken door de stormwind en alle heersersgeweld zal daartegen niets meer vermogen. Goza.

Navigeer

S3 Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ U1 Overwijn