Nl 15c Jesus van Kasjmir

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    15c. Jesus van Kasamier

    [136/08] Het was 16 maal 100 jaar na het verzinken van Atland, toen er iets gebeurde, waarop niemand had gerekend.

    Op het geberchte in het hart van Findasland ligt een vallei, genaamd Kasamier (Kasjmir) — dat betekent 'zeldzaam'. Daar werd een kind geboren. Zijn moeder was een koningsdochter en zijn vader een hoofdpriester. Om een schandaal te voorkomen, moesten ze hun eigen bloed verloochenen en dus werd hij buiten de stad ondergebracht, bij arme mensen. Zijn afkomst was hem echter niet verzwegen. Daarom deed hij alles om wijsheid te vinden en verzamelen. Zijn verstand was zo goed, dat hij alles begreep wat hij zag en hoorde. Het volk bewonderde hem en de priesters waren bang voor zijn vragen.

    Toen hij volwassen werd, zocht hij zijn ouders op. Zij kregen harde verwijten te horen. Om van hem af te zijn, gaven ze hem een overvloed aan edelstenen, maar ze durfden hem niet openlijk te erkennen [137] als hun eigen bloed. Diep bedroefd over de valse schaamte van zijn ouders, ging hij ronddwalen. Onderweg ontmoette hij een tot slaaf gemaakte Fryas stuurman, van wie hij onze zeden en gebruiken leerde kennen. Hij kocht hem vrij en de rest van zijn leven bleven ze vrienden.

    Overal waar hij kwam leerde hij zijn toehoorders geen rijkaards en priesters toe te laten en dat ze moesten oppassen voor valse schaamte, die altijd en overal de liefde schaadt. Aarde, zei hij, schenkt haar gaven naarmate men haar huid krabt; dat men erin moet graven, ploegen en zaaien, als men ervan scheren wil. Maar, zei hij, niemand hoeft dit te doen voor een ander, tenzij het vrijwillig en uit liefde gebeurt.

    Hij stelde dat niemand in Aarde's binnenste mag wroeten op zoek naar goud, zilver of edelstenen, waar nijd aan kleeft en liefde van vlucht. Om jullie meisjes en vrouwen te verfraaien, zei hij, is in haar rivieren genoeg te vinden.

    Niemand, zei hij, is in staat om iedereen een gelijk deel van hetzelfde geluk te geven. Maar het is eenieders plicht om zijn medemens een zo gelijk mogelijk deel te gunnen van welvaart en genot.

    Alle inzicht heeft zijn waarde, maar het meest waardevolle inzicht dat de tijd ons kan leren, is het belang van eerlijk delen, omdat dit ergernis van Aarde weert en liefde voedt.

    Zijn eerste naam was Jesus,[1] maar de priesters, die hem intens haatten, noemden hem Fó, dat betekent: vals.[2] Het volk noemde hem Krisen (dat is: herder) en zijn Fryas vriend: Bûda (buidel), omdat hij een schat aan wijsheid in zijn hoofd had en een schat aan liefde in zijn hart.

    Uiteindelijk moest hij vluchten voor de wraakzucht van de priesters. Overal waar hij kwam, was zijn leer hem al vooruitgesneld en waar hij ook heenging, volgden zijn vijanden hem als zijn schaduw. Nadat hij op deze wijze twaalf jaar had rondgetrokken, stierf hij. Maar zijn vrienden hielden zijn lessen in ere en deelden ze met wie maar wilde luisteren.

    Wat denk je dat de priesters nu deden? Dat moet ik je uitleggen en dat moet je goed begrijpen. Pas op voor hun werkwijze en streken, met al het bewustzijn dat Wralda in je heeft gelegd.

    Terwijl de leer van Jesus zich over Aarde verspreidde, gingen de valse priesters naar zijn geboorteland, om zijn dood te verkondigen. Ze deden alsof ze [139] zijn vrienden waren en veinzden diepe rouw, door hun kleren aan flarden te scheuren en hun hoofd kaal te scheren. Ze gingen in bergholen wonen, waarin ze ook hun schatten hadden verborgen. Daarbinnen maakten ze beelden van Jesus om aan goedgelovigen te geven. Op het laatst zeiden ze dat Jesus een godheid was. Dat zou hij hen zelf hebben verklaard en dat iedereen die hem zou geloven en zijn leer wilde aannemen, na dit leven in zijn koninkrijk zou komen, waar louter vreugde en genot is.

    Omdat ze wisten dat Jesus tegen de rijkaards te velde was getrokken, verkondigden ze overal dat armoede en eenvoud de voorwaarden zijn om tot zijn rijk te worden toegelaten. En dat zij, die hier op Aarde het meest geleden hebben, in het hiernamaals het grootste welbehagen zullen genieten. Omdat ze ook wisten dat Jesus had gesteld dat men zijn driften moet sturen en beheersen, beweerden ze dat men al zijn hartstochten moet uitschakelen en dat de mens volmaakheid bereikt, wanneer hij even onbewogen wordt als de koude steen. Om het volk wijs te maken dat zij zelf zo leefden, gingen [140] ze als arme zwervers over straat en om te bewijzen dat ze hun driften hadden gedood, trouwden ze niet. Maar ongehuwde vrouwen op het slechte pad werden licht vergeven... De onbekwamen, zeiden ze, moet men helpen, en tot behoud van zijn eigen ziel moet men veel aan de kerk geven. Door aldus te handelen, hadden ze vrouw en kinderen zonder huishouden en werden ze rijk zonder te werken. Maar het volk werd veel armer en nog ellendiger dan tevoren.

    Deze religie waarvan de priesters geen andere vaardigheden hoeven te beheersen dan plechtig spreken, de schijn wekken van vroomheid en onrechtvaardig handelen, breidt zich uit van oost tot west en zal ook onze landen bereiken. Maar wanneer de priesters zich inbeelden dat ze al het licht van Frya en van de leer van Jesus hebben gedoofd, zullen er overal mensen opstaan, die waarheid in stilte onder elkaar hebben gekoesterd en verborgen gehouden voor de priesters. Zij zullen zijn van prinselijk bloed, van priesterlijk bloed, van slavenbloed en van Fryas bloed. Ze zullen hun lampen met het licht naar buiten brengen, opdat iedereen weer waarheid kan zien. Ze zullen schande spreken over de daden van de priesters en prinsen. [141] De prinsen die van waarheid en recht houden zullen afstand nemen van de priesters. Er zal bloed vloeien. Maar daaruit zal het volk nieuwe krachten putten. Finda's volk zal zijn vindingrijkheid tot algemeen nut inzetten, het Lydasvolk zijn lichamelijke kracht en wij onze wijsheid.

    Dan zullen de valse priesters van Aarde worden gevaagd. Wralda's geest zal weer overal worden geëerd en aangeroepen. Alleen het zuivere normbesef dat Wralda vanaf het begin in ons gemoed plantte zal nog gelden. Er zullen geen andere meesters, prinsen of bazen zijn dan zij die bij algemene wil zijn gekozen. Frya zal juichen en Aarde zal haar giften alleen nog schenken aan werkende mensen. Dit alles zal beginnen vierduizend jaar na Atland verzonken is. En nog duizend jaar later zal er geen priester noch dwang meer op Aarde te vinden zijn.

    Dela, bijgenaamd Hellenia.

    Waak!

    Noten

    1. In het handschrift een samengestelde naam: Jes-us (JES.US).
    2. Fó of Fú (佛、仏) is de Chinese naam van Buddha. Bij genoemde betekenis, vergelijk 'fout' en Frans 'faux'.

    Overwijn 1951

    [/129] Zestien honderd jaar geleden is Atland verzonken, en te dien tijde gebeurde er iets, waarop niemand had gerekend.

    In het hart van Finda’s land in het gebergte ligt een vlakte die Kasjmier is genaamd: (dat is: zeldzaam.) Aldaar werd een kind geboren. Zijn moeder was de dochter van een koning en zijn vader was een opperpriester. Om de schande te ontkomen, moesten zij hun eigen bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme mensen. Gaandeweg had men de knaap niets verzwegen, daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te vergaderen. Zijn verstand was zo groot, dat hij alles begreep, wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied en de priesiers werden bang voor zijn vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij naar zijn ouders. Zij moesten harde dingen horen. Om hem kwijt te raken, gaven zij hem een overvloed van edelstenen, maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met droefenis overstelpt door de valse schaamte van zijn ouders ging hij ronddwalen. Al (verder) reizende, ontmoette hij een Fryas zeevaarder, (die als slaaf diende). Van hem leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht hem vrij en tot de dood toe zijn zij vrienden gebleven. Overal waar [131] hij verder heentrok, leerde hij aan de mensen, dat zij noch rijken noch priesters moesten toelaten, dat zij zich moesten hoeden tegen de valse schaamte, die overal kwaad doet aan de liefde. De aarde, zeide hij, schenkt haar gaven naarmate men haar huid openkrabt en dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaien, als men wil maaien. Echter, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een ander, als het niet door algemene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde, dat niemand in haar ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of edelstenen, waaraan nijd kleeft en waarvan de liefde vliedt. Om uw meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft de rivier (goud) genoeg. Niemand, zei hij, heeft het in zijn macht om aan alle mensen gelijke welvaart en gelijk geluk te geven, doch het is aller mensen plicht om aan de mensen zoveel welvaart en zoveel genoegen te geven als te bereiken is. Geen wetenschap, zeide hij, mag men minachten, maar geljkberechtigdheid is de grootste kennis, die de tijd ons kan leren, omdat zij ergernis van de aarde weert en de liefde voedt.

    Zijn eerste naam was Jes, doch de priesters, die hem zeer haatten, noemden hem De Strever (Fo), het volk noemde hem De Oprechte (Kris.en) (dat is herder) en zijn Frya-vriend noemde hem De Wezenlijke (Boud.a) 'De Echte’ omdat er in zijn hoofd een schittering van wijsheid was en in zijn hart een schittering van liefde.

    Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesters, maar overal waar hij kwam, was zijn leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij ging, volgden zijn vijanden hem als zijn schaduw. Toen Jes zo twaalf jaren had rondgereisd, stierf hij, maar zijn vrienden bewaarden zijn leer en verkondigden die, waar zij oren vond.

    Wat denkt ge nu, dat de priesters deden? Dat moet ik U melden. Ook moet ge er vooral acht op geven, en moet ge waken voor hun bedrijf en hun streken met alle krachten, die Wr.alda in U heeft gelegd. Terwijl de leer van Jes zich over de aarde uitbreidde, gingen de valse priesters naar het land van zijn geboorte, om zijn dood bekend te maken. Zij zeiden, dat zij zijn vrienden waren, zij veinsden grote droefheid door hun kleren in stukken te scheuren en hun hoofd kaal te scheren. Zij gingen in bergholen wonen, maar hierin hadden zij hun schatten gebracht en daarbinnen maakten zij beelden van Jes. Deze beelden gaven ze aan nietsvermoedende lieden. Tenslotte zeiden zij, dat Jes een godheid was, dat hijzelf dit aan hen had bekend en dat allen, die aan hem en zijn leer wilden geloven, hiernamaals in zijn koninkrijk zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Daar zij wisten, dat Jes tegen de rijken te velde was getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degenen, die op aarde het meeste geleden hadden hiernamaals de meeste vreugde zouden hebben. Ofschoon zij wisten, dat Jes geleerd had, [133] dat men zijn hartstochten moest overwinnen en moest beheersen, leerden zij, dat men al zijn hartstochten moest doden en dat de volkomenheid van de mens daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als koude steen. Teneinde nu het volk wijs te maken, dat zijzelf zo deden, veinsden zij armoede op straat, en om verder te bewijzen, dat zij al hun zinnelijke lusten hadden gedood, namen zij geen vrouwen. Echter, als ergens een jonge dochter een misstap had begaan, werd haar dat spoedig vergeven. De zwakken, zeiden zij, moest men helpen en om zijn eigen ziel te behouden, moest men veel aan de kerk geven. Daarom hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding en werden rijk zonder werken, maar het volk werd veel armer en ellendiger dan ooit tevoren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap nodig hebben, dan bedriegelijk redeneren, een vrome schijn ophouden en ongerechtigde gebruiken, breidde zich uit van het Oosten naar het Westen en zal ook over ons land komen.

    Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en van Jes’ leer hebben uitgedoofd, dan zullen er in alle oorden mensen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben gehouden. Deze zullen zijn van vorstelijken bloede, van priesterlijken bloede, van Slavonischen bloede en van Frya’s bloed. Zij zullen hun lampen en het licht uitdragen, zodat elkeen de waarheid kan zien. Zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid en het recht liefhebben, zullen zich van de priesters afscheiden, het bloed zal stromen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten putten. Finda's volk zal zijn vindingrijkheid ten algemenen nutte aanwenden, Lyda's volk zijn krachten en wij onze wijsheid. Dan zullen de valse priesters worden weggevaagd van de aarde: Wr.alda’s geest zal alom en allerwegen worden geëerd en aangeroepen. Alleen de wetten, die Wr.alda in den beginne in ons gemoed legde, zullen worden gehoord. Daar zullen geen andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, dan die, welke door de algemene wil zijn gekozen. Dan zal Frya juichen en Irtha zal haar gaven alleen schenken aan de werkende mens. Dit alles zal beginnen vierduizend jaar nadat Atland is verzonken en duizend jaren later zal er priester noch dwang op aarde zijn.

    Dela, bijgenaamd Hellenia, waak!

    Ottema 1876

    [/185] Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde (2193 - 1600 = 593 v. Chr.) gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.

    In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren, zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters werden bang voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij naar zijne [187] ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten; maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt, dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier (goud) genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevreden te maken en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de menschen alzoo tevreden te maken en zooveel genoegen te geven als te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren mag. Daarom dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.

    Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten, heetten hem Fo (foei), dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat van liefde.

    Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij ging volgden hem zijne vijanden [189] als zijne schaduw. Toen Jessos zoo twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.

    Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht, daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten, dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat, en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken, zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene [191] ziel te behouden, moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben, als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden, breidde zich zelve van ’t oosten naar het westen, en zal ook over ons land komen.

    Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed. Deze zullen hunne lampen en het licht buiten brengen, zoodat alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.

    Dela toegenaamd Hellenia, waak!

    Lees Verder

    Nl 15b Prinsen en Priesters ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 15d Frana's Uiterste Wil

    Aangepaste volgorde:

    Nl 15b Prinsen en Priesters ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14a Tweede Erge Tijd