Jump to content

1877 Vinckers - Wie heeft

From Oera Linda Wiki

Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven?

Door J. Beckering Vinckers,

Kampen. — [uitg.] Laurens van Hulst — [maart] 1877. (PDF)

[3] Aan ’t slot van mijne, in de maand Mei van 1876 uitgekomen, verhandeling, getiteld „De onechtheid van het Oera-Linda-boek aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven”, beloofde ik, zoodra mogelijk, het resultaat mijner nasporingen aangaande den tijd wanneer en den persoon door wien dat wonderboek was geschreven, wereldkundig te zullen maken. Ik had toen nog geen tijd gehad om al de mij medegedeelde bescheiden en inlichtingen met de noodige kalmte te overwegen. Intusschen begon zich, zooals ik ook toen reeds zei, hoe langer hoe meer de overtuiging bij mij op te dringen, dat die mij, hoofdzakelijk door den Heer Berk en ook door den Heer Knuivers, verstrekte inlichtingen en bescheiden onfeilbaar tot de ontdekking van den schrijver van het O.L.B. zouden leiden. Eigenlijk had ik den schrijver toen wel al kunnen noemen; want wie dat was stond toen reeds bij mij vast. Ik had ook werkelijk den naam reeds laten drukken, doch, omdat ik niets wilde beweren zonder tevens de bewijzen mijner bewering te leveren, en dit toen te veel tijd en ruimte zou gekost hebben, liet ik bij ’t afdrukken den naam des schrijvers maar wegvallen. Mijn toen gekoesterde hoop, dat ik mijne verhandeling over den vader van het O.L.B. spoedig in ’t licht zou kunnen [4] zenden, is door allerlei buiten gewone omstandigheden verijdeld, en ik was wel haast half van plan om de ontsluijering van het tweede geheim, als van minder gewigt, maar in den loop te laten, en mij met de eer van de onechtheid van O.L.B. onwederlegbaar te hebben aangetoond, tevreden te stellen. Toen mij echter dezer dagen werd bericht, dat twee onzer meest bekende taalgeleerden den man zullen aanwijzen en met name noemen die het O.L.B. heeft opgesteld, en wel achtereenvolgens, eerst de eene in een afzonderlijk uitgegeven geschrift, dan de andere in een opstel, dat in een der bekende Nederl. tijdschriften zal geplaatst worden, toen begreep ik dat ik den Heer Berk de eer die hem toekwam, niet mogt onthouden. Want dit is zeker, dat ik zonder de trouwe en onvermoeide medehulp van dezen mijnen oud-discipel niet gemakkelijk overtuigend zou hebben kunnen aantoonen wie eigenlijk de vader van het wonderkind is. Ik zal dus mijne, nu bijna een jaar geleden gedane, belofte trachten gestand te doen, en de vraag: Wie heeft het O.L.B. geschreven, zoo duidelijk mogelijk te beantwoorden. Wordt ons misschien in dezen het gras voor de voeten weggemaaid; komen de beide zeer bekende taalgeleerden ons met hunne openbaring van het geheim, dat eigenlijk geen geheim meer is,[1] voor, dan vertrouw ik dat het omstandig verhaal van de wijze waarop de Heer Berk en ik stap voor stap achter het fijne van de mis zijn gekomen, toch nog wel eenige aantrekkelijkheid voor het belangstellend publiek zal hebben.

[5] Voor lezers die met de zaak niet geheel op de hoogte zijn, diene dat er omstreeks het jaar onzes Heeren 1867 een gerucht uitging dat er een hoogst merkwaardig handschrift voor den dag was gekomen, dat, niemand wist hoelang, een erfstuk was geweest in de familie over de Linden;[2] het was geschreven in een letterschrift waarvan niemand ooit de weerga had gezien; in een taal wier gelijke in de gansche wereld te vergeefs werd gezocht; over zaken waarvan geen sterveling ooit iets had gehoord; in een tijd, waaruit tot nu toe geen ziel ooit een letter Germaansch heeft gezien, terwijl het tevens — en dat zet aan alles de kroon op — ondanks dezen de alleroudste Duitsche taal gewrochten een kleine duizend jaar overtreffenden, ouderdom, opgesteld is in een stijl, die niemendal verschilt van dien, waarvan een Nederlander uit de 17de, 18de en 19de eeuw na Christus, zich zeer gevoegelijk zou kunnen bedienen. Dit wonderboek werd den nu overleden Heer C. Over de Linden, volgens zijn zeggen, in 1848 ter hand gesteld door zijne tante, Mejufvrouw Aafje Meylhoff te Enkhuizen, op last van zijn grootvader, den Heer Andries over de Linden, die in 1820 overleed, toen C.o.d.L. nog maar 10 jaar oud was, en zeker door zijn grootvader nog te jong werd geacht om hem zulk een kostbaren schat toe te vertrouwen. Tante Meylhof hield het kostbaar erfstuk 28 jaar onder zich, eer zij het aan haren neef ter hand stelde, en deze heeft er zich weer een kleine 20 jaar in zijn eentje mee verlustigd, eer hij een deskundige met het bestaan van dit pronkstuk bekend maakte. Omstreeks 1867 heeft hij achtereenvolgens [6] den Heer Jansen te Harlingen, den Heer Johan Winkler en Dr. Eelco Verwijs het als een overoud gedenkstuk van Friesche oudheid trachten te laten vertalen; dat echter niet best wilde vlotten. Eerst door Dr. Ottema te Leeuwarden werd in 1872 een volledige uitgave van den text met vertaling in ’t licht gegeven. Volgens de inlichtingen door laatstgenoemden, geleerden Fries gegeven, was het O.L.B. tusschen 558 en 50 voor Christus, achtereenvolgens door verschillende personen, voorzaten der familie Over de Linden, opgesteld. Het verschijnen van dit wonderboek bragt de geheele geleerde wereld in rep en roer. Sommigen hielden het voor bedrog; anderen, zeer velen — vooral Friezen — waren van de echtheid volkomen overtuigd. Onder velen heb ook ik een cent in dat zakje gedaan door ’t schrijven van bovengemelde verhandeling. Welke uitkomsten het door mij ingesteld wetenschappelijk onderzoek van de taal waarin het O.L.B. is geschreven, heeft opgeleverd, is wel bekend, Het O.L.B. is gebleken een product te zijn van iemand, die met den woordenschat van ’t Oud-Friesch — waarin het heette geschreven — vrij wel, maar met de spraakkundige vormen en wendingen dier taal volstrekt niet op de hoogte was, ten gevolge waarvan zijn kunstgewrocht wemelt van de belagchelijkste en grofste zonden tegen de spraakkunst, vooral tegen de naamvallen; en krioelt van uitdrukkingen die niet aan het Oud-Friesch, maar aan het Nieuw-Nederlandsch zijn ontleend. Alle waarlijk deskundigen, die, buiten of binnenlands, van mijn verhandeling over de onechtheid van het O.L.B. hebben kennis genomen, achten het pleit door de daarin geleverde bewijzen, voor altijd onherroepelijk beslist.

Maar wie is dan nu eigenlijk de man die de wereld zoo erg bij den neus heeft gehad? Bij de beantwoording [7] dezer vraag doen zich verscheiden andere op, die we niet beter kunnen uiteenzetten dan door Prof. Vitringa[3] geschiedt, als hij zegt: „Is het bedriegerij, wie zou het gepleegd hebben! Niet de eerste de beste was tot zoo iets in staat. Daartoe werd vereischt een naauwkeurige kennis van de Oud-Friesche taal, waarvan slechts enkele gedenkstukken, en dus een zeer geringe voorraad van woorden bestaat, en bovendien kennis van die taal, zooals ze zich in den loop der tijden wijzigde. Een merkwaardig verschil toch valt er op te merken tusschen de taalvormen, waarvan de eerste en de laatste zamenstellers zich bedienen. De vervalscher moet een historische, een geographische kennis hebben bezeten, zooals zelden wordt aangetroffen. Jaren lange studie was onverbiddelijke voorwaarde; ’t schrijven van ’t vreemd letterschrift was een zure arbeid. En wat voordeel kon de schrijver van zijn werk verwachten.”

In mijn even genoemde brochure heb ik mij voorbehouden al deze door den Hoogleeraar opgeworpen bezwaren om het O.L.B. voor bedrieger te verklaren, achtereenvolgens uit den weg te ruimen. Ik wil mij thans van die taak naar best vermogen zien te kwijten.

Iedereen die eenig begrip van taal-studie heeft, zal [8] zeker erkennen dat alle bezwaren die de hooggeleerde schrijver uit de naauwkeurige kennis van ’t Oud-Friesch, die volgens Z.H.G. in de taal van het O.L.B. doorstraalt, geput heeft, door ’t geen ik over dat taaltje heb te berde gebragt, volkomen zijn weggenomen. Ik heb immers aangetoond dat de taal van het O.L.B., wel verre van een bezwaar te zijn om het monstrum voor onecht te verklaren, juist het meest onfeilbare middel is om de onechtheid zoo klaar te maken als de dag.

Wat de beantwoording van de verder door den Hoogleeraar opgeworpen vragen betreft, ik geloof dat ik daarin het best zal slagen, indien ik den belangstellenden lezer een getrouw verhaal doe van de wijze, waarop ik van stap tot stap achter de waarheid ben gekomen.

Eenigen tijd madat ik op het XIVde taal- en letterkundig congres te Maastricht mijn voordragt over de onechtheid van het O.L.B. had gehouden, ontving ik een brief van de Heer L.F. over de Linden, oudsten zoon van wilen C. o.d. Linden, waarin Z.Ed. mij te kennen gaf, dat hij, schoon innig van de echtheid van genoemd geschrift overtuigd, toch gaarne eens zou vernemen wat de Heer Mr. Nanninga Uitterdijk en ik daar al zoo over hadden te berde gebragt. Dat hij een tijd lang had gehoopt, dat onze verhandelingen door den druk binnen het bereik van ’t groote publiek zouden worden gebragt, dat hij, daar dit niet scheen te zullen gebeuren, mij verzocht hem in staat te stellen van mijne verhandeling kennis te nemen. Ten einde, zooveel doenlijk, aan ’s mans verlangen te voldoen, getroostte ik mij de moeite hem in een uitvoerig schrijven met den hoofd-inhoud mijner voordragt bekend te maken; terwijl ik hem van mijnen kant aanzocht mij sommige inlichtingen aangaande zijn familie enz., die mij bij het tweede gedeelte van mijn taak, het [9] opsporen van den schrijver van ’t O.L.B. te stade konden komen, te willen mededeelen. Op dit mijn vriendelijk verzoek heb ik nooit een enkele syllabe tot antwoord ontvangen.

Zoo ik mij niet vergis, dan drukte ik in mijn antwoord aan den Heer L.F.o.d.L. de meening uit dat het O.L.B. wel een goede 200 jaar oud kon zijn. In den eersten opslag had ik het namelijk voor niet onmogelijk gehouden dat de Friesche geschiedschrijver Simon Gabbema, de vertrouwde vriend van Gijsbert Japix, het wonderboek in elkaar had gezet. De redenen die mij noopten genoemden geleerde voor den schrijver te houden, zal ik misschien straks in den verderen loop van mijn verhaal, wel gelegenheid krijgen mede te deelen. Ik had dit mijn vermoeden reeds te Maastricht willen mededeelen, maar de afkeer om in dezen losse meeningen in de wereld te zenden, deed mij besluiten geen gissing hoegenaamd wereldkundig te maken; en in ’t begin van ’t jaar 1876 gebeurde er iets, waardoor mijne denkbeelden omtrent den vermoedelijken schrijver van het O.L.B. zoodanig werden gewijzigd, dat ik mij zelven met mijn stilzwijgen omtrent het punt van het auteurschap ten zeerste geluk wenschte. Was mijn verzoek om inlichting tot den Heer L.F.o.d.L. zonder gevolg gebleven, toch zou van den Helder het licht uitgaan, dat mij in dezen tot klaarheid bragt. Ik ontving namelijk in Januarij 1876 een brief van mijn oud-leerling, den Heer J.F. Berk te Den Helder, waarin deze zich aanbood mij, zoo noodig, aangaande het O.L.B., dat hij door zijn bekendheid met de familie Over de Linden dagelijks kon te zien krijgen, inlichting te verstrekken. In dezen eersten brief zegt de Heer B. dat hij het handschrift meer dan eens had gezien; dat hij alle stukken, die voor en tegen de echtheid waren geschreven, [10] had gelezen, en dat deze vergeleken met het schrijven van Dr. Ottema, hem ’t geloof aan de echtheid nog niet geheel hadden ontnomen; dat hij van de gronden waarop Mr. Nanninga en ik, in onze bijdragen te Maastricht, het O.L.B. voor onecht hadden verklaard, nog geen kennis had kunnen nemen. Het betoog waardoor de Heer Leendertz de onechtheid van het O.L.B. in den Navorscher had bewezen, hield hij voor niet afdoende. Noemt hij het ook al niet met Dr. Ottema dom en verwaand gezeur en daarbij hoogst beleedigend!!! met het dilemma, „of ’t O.L.B. is eeuwen oud of het is niet ouder dan 1853”, kan hij zich ook niet vereenigen, omdat zeer geloofwaardige mannen stellig kunnen verklaren dat dit H.S. reeds voor 1853 in ’t bezit van den Heer C.o.d.L. was. Op deze verklaring komen we later terug. Over wijlen den Heer C. over de Linden, den man die in de Inleiding van Dr Ottema’s uitgave wordt genoemd als de persoon aan wien het H.S. door zijn tante, Mej. Aafje Meijlhoff, op last van grootvader Andries o.d. Linden, in 1848 heet ter hand gesteld te zijn; den man die de wereld het eerst met dit merkwaardig pronkstuk van Friesche oudheid heeft bekend gemaakt, over dezen heet het: „Hij moet een vreemd man geweest zijn. Wel ontwikkeld, doch zonder kennis van eenige taal, zelfs van ’t Friesch; hij ging met niemand om, was stug en in de hoogste mate achterhoudend, vooral met betrekking tot het H.S. De reden hiervan was, dat hij in de bladen van dat boek de aanwijzing van een schat vermoedde. Dit heeft hij gezegd, toen hij telkens de vertalingen ontving van Dr. Ottema, waarmee zijn geld-illusiën langzamerhand in rook verdwenen. Bij de komst van zoodanige vertaling werd de geheele familie bijeen geroepen om ze te hooren voorlezen.

[11] De oude Heer C. o.d. Linden had reeds Friesche woordenboeken gekocht om ’t H.S. zelf te ontcijferen, (zijn tante had hem gezegd dat het Friesch was), doch hij had het nooit verder kunnen brengen dan tot het vermoeden dat zij (de Over de Lindens) van een oud geslacht waren. Dit vermoeden had hij reeds voor 1853 te kennen gegeven aan zijn zoons, die dit navertelden. Een dier zoons toch (onlangs in Indië gestorven), een broer dus van de tegenwoordige bezitters van het O.L.B., leerde tot onderwijzer en was van 1848 tot 1852 kweekeling aan de school, aan wier hoofd thans de Heer Berk is geplaatst. Tegelijk met hem waren daar twee andere personen, de een als kweekeling, de ander als hulponderwijzer, werkzaam.[4] Tevens was daar een kweekeling die niets meer of minder dan een Duitsche Baron, en niet weinig trotsch op zijn adel was. Als deze soms op zijn adeldom begon te snoeven, dan werd hem door den jongen Over de Linden telkens toegevoegd: „Wat praat jij van je moffenadel; wij zijn van veel ouder adel dan jij, en dat van Frieschen. Vader zegt het, en die weet het uit een boek met zulke gekke letters, die we niet eens kunnen lezen; Vader maar een woord of wat.”[5]

Op grond hiervan besluit de heer Berk in dezen brief dat het O.L.B. van voor 1853 is. Voorts meldt hij dat geen van de oude bekenden der familie O.d.L., noch deze zelve, aan de echtheid twijfelt; en dat de bezitters [12] van ’t O.L.B. er geen moeite of kosten voor over hadden, om, volgens mijn, in mijn antwoord aan den Heer L.F.O.d.L. gedaan, verzoek, hun geslachtslijst te Enkhuizen te laten nazien.

Ten slotte wijst mijn ijverige correspondent op tal van punten, waarin het O.L.B. met de Oud-Noordsche mythologie overeen komt.

Ik heb den inhoud van ’s Heeren Berks eersten, geheel uit eigen beweging geschreven, brief nagenoeg In zijn geheel medegedeeld, om duidelijk te doen uitkomen, hoe hij en anderen over de echtheid van het O.L.B. en vooral over den toenmaals reeds overleden Cornelis over de Linden dachten.

Uit den geheelen brief blijkt dat er geen zweem van vermoeden bestond dat de eerste meesterknecht aan ’s Rijks Marine-Werf te Den Helder, C.I, zelf de vader van het wonderboek kon zijn geweest.

Die oude Heer, heet het immers, bezat geen kennis van vreemde talen; kende zelfs geen Friesch; kon maar een woord of wat van het O.L.B. lezen; waaruit hij echter — en dat is altijd nog al merkwaardig — te weten is gekomen dat zijn geslacht van Oud-Frieschen adel is; en dat heeft hij aan zijn zoon en naamgenoot, den kweekeling C. o.d. Linden voor 1853 medegedeeld. Voorts verdient het onze opmerking, dat het bericht aangaande C.I’s volkomen onbekendheid met vreemde talen den Heer Berk door C.’s eigen zoon, den Heer Leendert Floris o.d. Linden was medegedeeld.

Zooals zich laat begrijpen, nam ik het welwillend aanbod van mijn oud-leerling gretig aan; want nadat ik de onechtheid voldingend had bewezen, wilde ik gaarne, zoo mogelijk, ook te weten komen, wien eigenlijk het vaderschap van dit pronk-juweel van Friesche oudheid toekwam. [13] Ik verzocht den Heer B. dus alle mogelijke inlichtingen aangaande de familie O. de Linden in te winnen. In zijn antwoord van den 4en Febr. verhaalt hij mij dat de Heeren o.d.L. van hun familie met betrekking tot het O.L.B. niets meer weten dan door Dr. Ottema in zijn inleiding voor dat boek was medegedeeld; dat ook Dr. O. reeds getracht had meer te weten te komen, maar dat het hem niet gelukt was.

Voorts vernam ik dat de Heer L.F.o.d.L. eenige handteekeningen had verzameld van personen die ’t konden weten, ter staving van het feit dat het O.L.B. niet na 18583 was gemaakt.

Met die handteekeningen ben ik in kennis gesteld, doordien mij in de maand Maart een op zegel geschreven stuk ter inzage werd toegezonden, welks inhoud luidt:

„De ondergeteekenden verklaren bij deze dat bij hen, bepaaldelijk tusschen 1848 en 1850, bekend is geweest het bestaan van het handschrift, behoorende aan de familie Over de Linden alhier, later door den Heer Dr. J.G. Ottema vertaald en uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.

Helder, 1 Maart 1876.

  • L. van Berk, opzigter bij de magazijnen aan ’s Rijks Werf te Willemsoord;
  • B. Uurbanus, Hoofdonderwijzer, gemeenteschool No. 6;
  • A.J. Leger, onderwijzer in de wis- en zeevaartkunde;
  • F. [m.z T.] Mooy, Hoofdonderwijzer aan een gesub. Bijz. school.

Ik was uitgenoodigd boven overgeschreven stuk onmiddelijk na kennisneming terug te zenden. Ik deed dat dan ook, en verzocht den Heer B. te willen onderzoeken of de bekendheid van de onderteekenaars met het bestaan van ’t H.S. op eigen aanschouwen berustte of enkel op hooren zeggen. En ’t antwoord was? Dat [14] geen van allen het handschrift in de jaren tusschen 1848 en 1850 had gezien, dat hun bekendheid met het bestaan enkel en alleen steunde op hetgeen zij van C.o.d.L., den kweekeling, hadden gehoord! Im dienzelfden tweeden brief uit de Heer B. het vermoeden dat het H.S., zoo het onecht was, zou geschreven zijn tusschen 1813 en 1820, en grondt zijn vermoeden op de overeenkomst tusschen zekere versierselen in den Alhambra met de cijfers van ’t O.L.B. Dr. Ottema zag in deze overeenkomst het meest sterke bewijs voor de echtheid. Volgens hem (Dr. O.) konden de Arabieren deze versierselen niet wel anders dan uit Frya’s juulschrift hebben gehaald. Daar die versierselen, zoover de Heer B. wist, eerst voorkomen in het werk van James Cavanah Murphy: The Arabian Antiquities of Spain, dat in 1813 is uitgekomen, en Grootvader Andries over de Linden, volgens Dr. Ottema, in 1820 gestorven, even voor zijn dood het H.S. ter bewaring aan Mejuf. Meylhoff had overgedragen, moesten de versierselen uit Murphy’s werk in ’t O.L.B. zijn gebracht; waaruit natuurlijk zou volgen, dat het tusschen 1813 en 1820 moest ontstaan zijn. Verder vraagt dan de Heer Berk of die grootvader Andries zelf de schrijver kan geweest zijn? Tot nu toe, besluit mijn corresp., weet de familie niet, wie en wat hij geweest is.

In mijn antwoord verzocht den Heer B. met zijn onderzoek te willen voortgaan, en eens te zien of we omtrent dien grootvader niet iets naders konden te weten komen. In een schrijven van den eersten Maart verneem ik 1° dat de naam van den vroeger vermelden Duitschen Baron-kweekeling von Eichstorf of Eichstorff was;

2° dat de Heer Andries o.d.L. bij zijn leven scheepstimmermansbaas was, een burgerlijk bestaan had en te [15] Enkhuizen woonde, alwaar hem de stadswerken waren toevertrouwd. In den tijd der onlusten (±1800) verloor hij ’t stadswerk en ook vele klanten door zijne staatkundige gevoelens: hij was namelijk prinsgezind.

3° De zoon van Andries, dus de vader van Corn. I, Jan o.d.L., was scheepstimmerman, doch zoo onnadenkend en zoo onverschillig dat hij voorzeker aan ’t H.S. zijn pijp zou hebben opgestoken. Daarom is ’t nooit in zijn bezit gekomen, en is het door Andries o.d.L. voor zijn kleinzoon bestemd.

4° Deze Jan, de vader van C.I, was gehuwd met Antje Goedmaat, een zeer rechtzinnige vrouw, die op 85 à 86-jarigen leeftijd, bespeurende dat de secte waartoe zij behoorde niet fijn genoeg was, nog tot een die een graad fijner was, overging. Haar zoon Corn. o.d.L., werd toen hij nog thuis was, gedwongen alle kerktijden waar te nemen en trouw in den bijbel te lezen. Vandaar zijn afkeer van kerk en geestelijkheid, van welken godsdienst ook.

5° Cornelis II was in 1848 met zijn vader naar Enkhuizen geweest om ’t H.S. te halen, hij was de eenige die dat bij ’t leven van C.I had gezien. Zelfs de thans levende broeders hebben het bij ’t leven huns vaders niet gezien. Na den dood des vaders eischte de tegenwoordige bewaarder het H.S. op van zijn stiefmoeder,[6] die beweerde dat het voor de kinderen van C.II, den oudsten zoon, bestemd was,[7] doch daar dit niet testamentair bleek, heeft de Heer L.F. het in zijn bezit gekregen.

In mijn antwoord verzocht ik den Heer Berk, zoo mogelijk, te Enkhuizen nasporingen omtrent de familie [16] over de Linden en het O.L.B. in ’t werk te stellen.

In een brief van den 11den Maart bericht de Heer Berk mij dat hij, ingevolge mijn verzoek, zich tot den Heer Knuivers te Enkhuizen heeft gewend en van dezen eerstdaags bericht verwacht.

De gevraagde nasporingen omtrent de familie over de Linden en het O.L.B. werden door den Heer Knuivers, ondanks zijn hoogen ouderdom, het kort te voren door hem geleden smartelijk verlies en zijn vele bezigheden, onmiddelijk begonnen, en de uitkomsten daarvan medegedeeld in een brief van den 20 Maart, die mij onmiddelijk na de ontvangst door den Heer B. werd toegezonden. De Heer Knuivers begint daarin met te zeggen, dat hij eerst het O.L.B. nog eens weer had gelezen. Door deze lezing en den brief van den Heer Berk weer op de hoogte gebragt, wendde de heer Kn. zich tot de nog levende afstammelingen van Andries over de Linden. Oude mannelijke afstammelingen van A. bestonden er niet meer, maar wel een dochter van 80 jaar. En deze? Had nooit iets van een handschrift vernomen.

Wel had een zeker weduw Keetje Kofman, dochter van H. Reuvers, behuwdzoon van Andries o.d.L., er van gehoord. Deze weduwe woonde in het stamhuis van den eenen tak der over de Lindens en buiten twijfel, zoo luidt het bericht, is hier steeds het handschrift bewaard in een hoek met stof bedekt. Hoelang het handschrift daar gelegen heeft en wanneer het naar den Helder is overgebragt, dit wist niemand te vertellen, waar ik ook aanklopte en welke moeite ik overigens aanwendde.

De Heer Knuivers tracht de overbrenging van ’t [17] H.S. te verklaren. Aldus: A. o.d. Linden stierf den 25 April[8] 1820. Corn. was toen 10 jaar; en schijnt spoedig naar Amsterdam verhuisd te zijn, om zich daar voor zijn vak te bekwamen. Kn. vermoedt dat bij den dood van A. het H.S. tijdelijk is overgegeven in handen van Reuvers, gehuwd met Aafje o.d.L., dochter van Andries. ’t Paar bleef in de ouderlijke woning; daarom bleef ook het H.S. bij hen, en niet bij Jan, den eigen zoon van A. o.d. Linden. Reuvers stierf in 1845, Aafje hertrouwt, misschien reeds in ’46 of ’47, met K. Meilhoff. Zij sterft in 1849. Toen zijn tante hertrouwde, achtte C.o.d.L. het niet langer raadzaam het stuk in haar bezit te laten, en deze stond het hem af. Vraagt men, zegt de Heer Knuivers, of dit met de volle waarheid overeenstemt, dan beroep ik mij op de waarheidsliefde van den Heer W. o.d. Linden,[9] boekdrukker alhier een achterneef van den Heer C.o.d.L. aan den Helder. W.o.d.L. is zelfs bereid de waarheid van dit verhaal met een eed te bekrachtigen!!!

„Mij dunkt de feiten spreken hier zoo krachtig, dat er aan de waarheid schier niet meer valt te twijfelen”, zegt de Heer Kn. Dat dit in ’48 heeft plaats gehad of althans voor ’49, is meer dan waarschijnlijk. Immers in ’45 overleed Reuvers; zijn vrouw Aafje o.d.L. in ’49. Haar tweede man K. Meylhoff stierf in ’t voorjaar van ’75, en heeft vermoedelijk het H.S. nooit in zijn bezit gehad; althans zijn 2de vrouw, Geertje de Graaf, kon er zich niets van herinneren.

De eerste alinea uwer vraag „zijn er personen geweest die (nl. alhier) het H.S. hebben gezien”, moet ik negatief beantwoorden.

[18] Geslachtsregisters zijn er op het raadhuis niet aanwezig, dus geen geschiedenis van de vroegere Over de L’s. Ook in de Enkhuizer kroniek wordt hun naam niet genoemd. Verder dan tot den vader van A.o.d.L., Jan, kan men moeilijk opklimmen. Zelfs van zijn geboorte of sterfjaar is niets te vinden. Hij was diender van beroep. Dat de Enkhuizer O.d.L’s van Friesche afkomst zijn, is buiten kijf, waarschijnlijk hebben ze hier eeuwen gewoond.”

„Bij ’t lezen van ’t geen de Heer Knuivers boven over ’t O.L.B. mededeelt, dienen we niet te vergeten dat ZEd. dat niet voor feiten uitgeeft, maar enkel als een poging om de berichten die hij heeft gehoord, naar aanleiding van ’t geen vooral de Heer W. over de Linden, boekdrukker te Enkhuizen, hem had gezegd, met elkaar in overeenstemming te brengen. Het aanbod van den Heer W.o.d.L. om de waarheid van zijn verhaal met eede te bekrachtigen, was wel in staat, om zooals ook de Heer Knuivers zegt, allen verderen twijfel weg te nemen. Ik ben echter op zekere punten erg moeilijk te voldoen. En daarom nam ik vrijheid te vragen hoe de Heer W.o.d.L. de bijzonderheden wier waarheid hij met eene eed wilde bekrachtigen, te weten was gekomen. En wat bleek nu? Dat hem de toedragt der zaken door Cornelis over de Linden zelven in den jare 1872 aldus was verhaald.” Aldus was het heele relaas uit den koker van C. o.d. Linden, den man die ’t eerst met het O.L.B. voor den dag was gekomen. Hoogst opmerkenswaardig mogt het ook heeten dat de eigen dochter van Andries over de Linden, die wel diep in de 80, maar in ’t volkomen bezit van hare vermogens was, van dat kostbaar erfstuk der familie, dat met zooveel zorg moest bewaard worden, nooit iets had gehoord: dat geen der levenden het ooit had gezien; en dat zij die er van [19] wisten of het gezien hadden het tijdelijke met het eeuwige hadden verwisseld. Bij alle onderzoek en navraag komt men steeds tot C. over de Linden, als oorsprong van alle verhalen terug. Reeds nu begon het vermoeden bij mij op te komen, dat C.o.d.L. ook van den oorsprong van ’t O.L.B. wel meer zou weten.

Door ’t geen de Heer B. mij in zijn brief van den 24 Maart mededeelde, werd mijn argwaan niet weinig versterkt.

Bij dien brief voegde Z Ed. een afschrift van een opstel waardoor C.I het O.L.B. aan zijn kleinzoon C.III, machinistleerling te Hellevoetsluis, zoon van C.II opdraagt.

De Heer B. heeft getrouw gecopiëerd, zooals uit de taalfouten blijkt. Het oorspronkelijk stond in een gewoon cahier en scheen een klad te zijn, blijkens de vele doorhalingen en verzettingen. Het bevond zich thuis bij L.F.o.d.L. Dat het oorspronkelijk inderdaad door C.I was geschreven, bleek uit de overeenkomst der lettervormen in eenige andere opstelletjes van zijn hand, over modellen van schepen enz.

Daar dit opstel van Cornelis o.d.L. zooveel heeft bijgedragen om mijn reeds opgewekten argwaan te bevestigen, wil ik het in zijn geheel mededeelen.

Aan mijn kleinzoon Cornelis en verdere nakomelingen.

Alle menschen, die eenig belang in mijn handschrift stellen, vragen mij, hoe ik er aan gekomen ben. Zoo zult gij denkelijk later ook doen, maar daar het niet zeker is, dat ik dan nog leef, zoo wil ik dit hier nederschrijven.

Inleiding.

Mijn overgrootvader hadt[10] twee zonen, waarvan mijn [20] grootvader de oudste was. Hij werd dus bezitter van het handschrift.

Mijn vader vertrok naar Amsterdam, toen ik nog zeer jong was, maar zoodra mijne ouders het wagen durfde, mij alleen te laten gaan, ging ik jaarlijks naar mijne groot-ouders.

Mijn vader had twee zusters: Antje en Aafje.

Antje was gehuwd, en Aafje nog ongehuwd, en woonde bij hare ouders. Toen zij later ook huwde, bleef zij nog bij hare ouders, en ten laatste bleven hare ouders bij haar. In het jaar 1821[11] stierf mijne grootmoeder, en als ik mij wel herinner, stierf mijn grootvader drie weken daarna. Hoe zij dit met mijn vader en hare zuster rooide, weet ik niet, maar mijn tante Aafje bleef met haar man en hare kinderen in het huis van mijn grootvader.

Toen mijne grootouders overleden waren, gevoelde ik geen roeping, om jaarlijks naar Enkhuizen te gaan. Ik bleef dus weg.

In het jaar 1836[12] stierf mijn vader. Na diens dood kwam mijne moeder naar het Nieuwediep. Die plaats beviel haar echter niet, en zoo vertrok zij naar Enkhuizen. Zoodra mijne moeder te Enkhuizen woonde, bezocht ik haar, als de gelegenheid zich voordeed.

Zoo bezocht ik haar dan ook in het jaar 1848 en bragt mijne tante Aafje ook een bezoek. Haar man was gestorven en nu was zij met eene Koops Meijlhof gehuwd.

Nadat ik een en ander met haar gesproken had, verzocht ik haar, of ik de tuin nog eens mogt zien, waarin ik mij als kind zoo vaak vermaakt had. Zij ging mij voor, [21] en de eerste boom, die mij in het oog viel, was een Sint-Laurens-boom, waaraan reeds enkele rijpe peren hingen.

„Sedert grootvaders dood,” zeide ik, „heb ik geen van de vruchten geproefd, als u er dus niets op tegen heeft, wilde ik wel een paar van die schilderachtige peren voor mij plukken.” „Dat mag je wel,” zeide zij. Toen ik ze geplukt had, zeide zij verder; „je spreekt daar van Grootvader, maar ik heb nog wat voor je. Hendrik wilde niet hebben, dat ik het je gaf, maar Koops weet er niets van.” Daarop ging zij heen en haalde het handschrift. „Dat is een familieboek,” zeide zij bij het overhandigen; „de taal is Oudfriesch, en is al honderde jaren door de familie bewaard, daarom moet ik je op je gemoed drukken, dat je het in hooge waarde houdt.”

„Maar,” vroeg ik haar, alvorens haar te bedanken, „waarom heeft Grootvader dat boek niet aan mijn vader gegeven?”

„De vraag,” zeide zij: „heb ik je grootvader ook gedaan, maar hij zeide: „Kees moet het toch hebben, en als ik het terstond aan hem geef, dan kan Jan het niet weghelpen.”

Ik had mij wel heel iets anders voorgesteld, maar ik stelde mij toch zoo blij aan, alsof ik een goud horlogie gekregen had.

Zoodra ik in het Nieuwediep kwam, ging ik er in studeeren, maar het was even verstaanbaar voor mij, alsof het Chinees was. Onvoldaan lag ik het terzijde, maar kon toch niet nalaten, het nu en dan weder ter hand te nemen.

Eindelijk ontcijferde ik de woorden Oera Linda, en Over tha Linda, hetgeen mij toeschenen inoniem met Over de Linden te wezen.

De bewering van mijne tante, dat het een familieboek [22] was, leide dus geen tegenspraak.[13] Geleerde vrienden, welke mij bij mijn verder onderzoek konden helpen, had ik niet, en om door middel van de pers iemand op te roepen, die het voor zekeren som zou willen vertalen, daartoe ontbrak mij geld. Zoodra ik de handen een weinig ruim had, ging ik naar den boekhandelaar Bakker en verzocht hem om eene oude Friesche Dictionaire. Hij verschafte mij een woordenboek op de gedichten van Gijsbert Japiks. Nu ging ik met drift aan den gang en bragt het zoover, dat ik de „lape koer fen gabe schroer” vrij wel lezen kon, en daarmede was het uit. Iemand zeide mij, dat de letters die in mijn boek stond runnenschrift was; daarop zocht ik een boek over het runnenschrift en en kreeg een boekje hetwelk tot titel voerde: Bimerkingen, om en steenoxe med runeinskrift til hörende H.M. Kongen of Danmark.

Ik werd er niet wijzer door. Een ander zeide mij: dat schrift is Phoenischies.[14] nu zoch ik Phoenischis en schommeide een boekje op, hetwelk tot titel voerde: Palaographische studien enz.

Ik moet bekennen, dat de een zoo wel als den ander in zooverre goed gezien hadden, dat de letters van mijn handschrift zoowel op het runnen als op het Phoenischies schrift geleken, maar ik bleef er even dom door.

Hoe ik handschrift vertaald kreeg.

Als meesterknecht mogt ik alle jaren zes dagen op reis gaan. Van deze gunst gebruik makende, ging ik eens naar Amsterdam, waar ik mijn anker bij een neef en nicht van mijne eerste vrouw neerleide. Ik kon daar [23] blijven eten, drinken, enz. maar niet slapen. Ik begaf mij derhalve naar een logement, schuins over de Heintjehoeksteeg, maar ik had geen genoegen in zulk een handelwijs. De tweede morgen, toen ik mij in koffijkamer bevond, kwam daar een burgerheer en zijne vrouw (bij mij aan de tafel) zitten, die onder het ontbijten over hunne verdere reis naar Harlingen spraken. Toen ik van Harlingen hoorde, dacht ik, nu heb je, om zoo te zeggen, tot aan het andere eindje van de wereld geweest, en Friesland, vanwaar men zegt dat uw voorouders afstammen, heb je nog nooit gezien. „Gaat uw naar Harlingen vroeg ik mijne tafelgenooten. „Ja, kaptein,”[15] — „Dan ga ik mee.” — Dat zal ons genoegen doen, dan hebben wij gezelschap aan elkaar.

Wij gingen dus gezamenlijk op reis. Toen wij Harlingen naderde, vroeg de jufvrouw: „Waar moet u eigenlijk heen?”

„Naar Harlingen,” — „Dat het u zeit,” maar u zal toch wel weten, naar wie u toegaat,” — „Neen, toen ik u zoo van Harlingen hoorde spreken, dacht ik, dan kon je best ereis met die menschen meegaan, dat is alles.” Wel, zei de man, „dat vind ik verduveld aardig, als u dan niet weet, waar u heen selste, dan most maar met ons![16] — „Met alle pleizier, en zoo ging ik met mijn Heer en Mejufvrouw Siderius naar „de Lanen.” Na de maaltijd ging mijnheer eens met mij rondloopen.

[24] Des avonds dronken wij een glaasje en zoo kwam het gesprek op mijn handschrift, dat ik niet lezen kon.

„Du most ’t maar iens oversturen,” zei den heer Siderius. Wij hebben hier ’n onderwiezer, eenen mijnheer Jansen, die is zoo knap in dat olde fries, die zel et je wel gouw vertalen.”

Zoodra ik weder aan den Helder was, kocht ik Mailpapier; dit lei ik bij wijze van kalkee-papier op mijn handschrift, en kalkeerde de letters. Zoodra ik een vel of 4 af had, zond ik die over. Eenigen tijd daarna schreef den Heer Siderius, dat zij in mijne kalkees een vondst van oude Friesche wetten gedaan hadden, zooals zij in jaren niet hadden gedaan. Met kermis zou hij mij met zijne vrouw bezoeken, en dan moest ik maar maken, dat ik een heele bezending gereed had. Ik maakte een heel pak gereed, en toen hij bij was, liet ik hem tevens het handschrift zien. Nadat hij weder langen tijd in Frieschland was, schreef ik hem hoe of het kwam, dat ik niets van het vertaalde te zien kreeg. Hij antwoorde dat zij nog altoos dachten, dat er hier te Helder zulk een knappen kerel was, welke een grap met hen wilde hebben; voorts vroeg hij, of het handschrift op papier of op parkament was.

Daar hij het handschrift zelf gezien had, vond ik die vraag zoo gek, dat ik mij ging verbeelden, dat die Friezen een loopje met mij namen.

Gedurende dat den heer Siderius bij mij gelogeerd had, had hij mij gezegd, dat de Heer Jansen, het niet kunnende vertalen, de hulp van den Heer Argivaris Eelco Verwijs had ingeroepen. Toen ik dus meende, dat Siderius mij een weinig bedotte, schreef ik aan den Heer Eelco Verwijs, hoe ik op aanraden van den Heer Siderius begonnen was, eenige kalkees van mijn [25] handschrift door den Heer Jansen uit Harlingen te laten vertalen, doch daar ik niets van de vertaling te zien kreeg en ik tevens gehoord had, dat hij het zonder zijne hulp niet eens vertalen kon, ik de vrijheid nam, hem een los blaadje van mijn handschrift te zenden, waarbij ik hem verzocht, mij te willen schrijven, wat ik per blaadje zou moeten geven, wanneer Z.Ed. de vertaling op zich nam.

Hij antwoorde, Dat hij door het vreemde der faxsimeles misleid, bang was geweest, dat er aan den Helder iemand was, welke er hem wou laten inloopen, maar dat nu hij dit blaadje van het origineele had, hij niet meer aan de echtheid van het geheel twijfelde; dat hij voor het vertalen geen geld wilde hebben, als ik slechts toestond, dat hij den inhoud wereldkundig maakte, enz. Dit schreef Z.Ed. mij den 13 October 1867. Ik heb dien brief bewaard, zooals ik alle andere heb gedaan, welke Hij mij later schreef. Uit deze brieven kunt gij lezen, hoe hij zijn best heeft gedaan, om het handschrift uit mijne handen te krijgen, enz.

Het eerste blaadje; „Okko, mijn zoon,” enz. zond hij mij benevens de vertaling terug, maar nu wilde hij het geheele handschrift hebben. Doch ik antwoorde hem, dat hij mij door het eerste blaadje geleerd had door hetzelve te vertalen, hoe ik het handschrift met lijf en ziel bewaren moest; zoodat ik het handschrift niet uit mijne handen gaf, zonder ongehoorzaam aan de uiterste wil mijner voorouders te worden.

Na veel heen en weder schrijven kwam hij zelf. „Was hij eenmaal in mijne tegenwoordigheid,” zoo schreef hij, „dan zou het wel beter gaan.” Het ging echter niet beter, en Eelco Verwijs ging boos heen.

Hij nam het laatste katerntje van mijn handschrift [26] mee, maar behalve, „Okko mijn zoon,” had hij nog niets voor mij vertaald.

Gedurende hij bij mij onder een glaasje zat, verzocht ik hem, mij iets uit het handschrift te vertalen. Hij sloeg het boek open en verhaalde[17] mij dat gedeelte, waar Ulijsses te Walcheren bij de burgtmaagd Kalip vertoefde. Toen hij een halve bladzijde gelezen had, sloeg hij het boek digt, zeggende „zie je wel, Alle Oostersche en Westersche en Noordsche Goden en Godinnen worden hier door elkander gehaspeld; Het is ’n wonderlijk boek” Uit was het.

Zijn handelingen maakten op mij den indruk alsof hij mij onkundig van den inhoud wou laten en het zoodoende voor een appel en een ei uit mijne handen te krijgen. Maar dat was mis; daartoe stelde hij zich veel te graag aan.

Te Leiden zocht ik hem nog eens op en vertelde hem, dat ik al mooi naar de zestig begon te loopen, en daar ik gelezen had, dat er van de honderd slechts 8 menschen zijn welke die ouderdom bereiken, het nu toch wel tijd begon te worden, dat ik met den inhoud van mijn handschrift bekend raakte. „Ja,” zeide hij, „als je een goede vertaling wilt hebben, dan moet je geduld hebben; ik heb geen tijd; daarom heb ik het in handen van een doctor Winkler te Leeuwarden gesteld, en die heer heeft veel lust in het oude Friesch.”

Zoodra ik aan den Helder kwam, schreef ik aan Dr. Winkler, maar hij antwoorde mij niet. Daar ik dus niets meer van de zaak hoorde, begon ik er mij in te troosten en stelde mij voor, dat ik er nooit iets meer van hooren zou.

Dit was echter zoo niet: den 24 December 1870 [27] ontving ik des avonds een brief, waarvan het schrift mij onbekend was. Die brief was van ZEd. Dr. Ottema.

Hij schreef mij, dat Eelco Verwijs, door mijne welwillendheid in staat was gesteld, aan het Friesche genootschap een vertaling van een overoud Friesch handschrift geschenke te geven. Dat bedoeld handschrift in zijne handen was gesteld, om te onderzoeken, wat het was; maar dat hij door de net uitgevoerde faxsimiles van mij had opgemerkt, dat den Heer E. Verwijs nog al vele fouten had gemaakt, weshalve hij mij beleefdelijk verzocht, het echte handschrift ook eens te mogen hebben.

Ik antwoorde, dat ik zoo belangeloos niet was geweest om den Heer B. Verwijs een handschrift voor het Friesche genootschap te leenen; dat ik niets eens wist, dat er zulk een genoodschap bestond, maar: Dat ik het hem gegeven had om het voor mij te vertalen, Doch, daar het geval er nu eenmaal toelag, dat hij het nu ook bij katerntjes ter leen kon krijgen, onder voorwaarden, dat hij bij ieder katerntje, dat hij terugzond, de vertaling moest zenden.

Die voorwaarden nam de Heer Ottema aan, en Hij heeft getrouw aan zijne belofte voldaan.

Dien winter was mijn zoon Anton Jan te huis. Wanneer er nu eene vertaling kwam, dan kwam hij en mijn zoon Leendert met hunne vrouwen, om te hooren, wat Dr. Ottema ons te vertellen had. Dan was het een goedkoop familiefeest, en ik kon mij niet herinneren, ooit meer genoegen gehad te hebben.

Daarbij kwam, dat den inhoud, vooral die der wetten, geheel naar mijn smaak was; al moest ik dan ook bekennen, dat zij in de tegenwoordige maatschappij niet meer zoo zouden worden kunnen toegepast.

Toen ik de volgende zomer met mijne vrouw naar [28] Haringen ging,[18] strekte wij ons reisje tot Leeuwarden uit, omdat ik nieuwsgierig was den Heer Ottema eens te zien. Terwijl ik met hem in zijn tuin wandelde, vertelde zijn nicht aan mijne vrouw, dat Oom geheel voor het handschrift leefde, en wel zóó, dat toen het laatste katerntje de deur uitgegaan was, hij verbleekt was, en zei: „Daar gaat het nu.”

Bij die gelegenheid leerde hij mij ook de letters kennen, waardoor ik zoover gevorderd ben dat ik het handschrift eenigermate kan lezen. (!!!) Toen ik weder te Harlingen was, ontving ik 25 boekjes van Hem. Zij behelsden het verslag, dat hij aan het Friesch Genootschap van zijne bevinding gaf.

Zoodra dit verslag in de handen van de Hollandsche geleerden was, regende het, om zoo te zeggen, aanmerkingen. Die daarop neerkwamen, dat het geheele stuk verzonnen was, Door al die aanmerkingen begon ik zelf eenigermate te twijfelen; maar daar kwam den Heer Ottema uit den hoek en bewees hun door de reis van Appollonia en de paalwoningen, dat zij mis hadden. „Ja,” zeiden de opposanten „maar dan is het stuk na 50 geschreven.” Daar ik nu voor mij zelf wist, dat ik het sedert het jaar onzes Heeren 1848 in mijn bezit had, was ik ten minste overtuigd voor mij zelf dat het stuk echt moest wezen. Al die tegenstand werkte echter zooveel uit, dat het Friesch Genootschap geen gelden af wou staan om het werk te laten drukken. Maar den Heer Ottema toonde zich een Friesch van den ouden stempel, welke zich door geen tegenstand van zijn plan liet afbrengen. Hij zocht zelf een uitgever, en zoo kwam [29] het dan zonder hulp van anderen in het licht.[19]

Toen het werk in den handel was, deed den Heer van Limburg brouwer nog een kordate poging in den Spectator om het boek tot een nietswaardig vod te veroordeelen. Vele geleerden van mijne kennissen vonden zijne beoordeeling mooi. Ik ben geen geleerde, maar op mij maakte het den indruk alsof ik een kwade jongen voor de deur hoorde schelden op den knecht, die hem gezweept had, omdat hij deurtje-schel had gespeeld. Hoewel ik mij toch moet verwonderen, waar of hij al de bombast van daan haalde, die er bij den eersten aanblik als goede rede uitzag.

Dit stuk maakte weer leven in de wereld. Op het stadhuis te Enkhuizen kreeg men ’t verzoek uit den Haag om mijn geslachtregister op te sporen. Mijnheer Van Alphen, Inspecteur over het Stoomwezen vroeg mij op de werf, hoe ik aan het boek gekomen was. Een vertegenwoordiger van de provinciale Staten uit Frieschland verzocht mij om het stuk in de archieven van Friesland te mogen deponeren, met bewijs van eigendom, waarop ik of mijn nageslagt het altoos wederom kon krijgen, enz.

Het boek is dus in de wereld.

Het slot laat ik op verzoek van den Heer L.F. o.d. Linden achterwege.

Wat is er nu in dit opstel van C.o.d.L., dat mij versterkte in mijn vermoeden, dat C.I zelf de schrijver van het O.L.B. was?

Ten eerste dit, dat de wijze waarop de man hetgeen er tusschen hem en zijne tante bij ’t overhandigen van ’t O.L.B. voorviel verhaalt, hoogst verdacht in strijd [30] is met de manier waarop hij anders de toedragt der zaak voorstelde. Ondanks zijn groote schranderheid en bedachtzaamheid heeft zich C.I hierin sterk bloot gegeven. Immers volgens ’t verhaal door hem aan den Heer W. o.d. Linden van Enkhuizen opgedischt, was hij met het bestaan van het Oera Linda boek wel bekend. Hij achtte het, toen zijne tante in 1846 of 1847 hertrouwde, ongeraden het langer in haar bezit te laten; en zijne tante stond het hem af. Naar ’t verhaal in dit opstel aan zijn kleinzoon gedaan, komt bij een toevallig bezoek aan zijne tante toevallig het gesprek op haren vader Andries o.d. Linden, en zoo haar het H.S. in de gedachte. En hij aanvaardt het alles behalve als een lang gewenscht, hooggewaardeerd familie-stuk.

Volgens een verhaal door den Heer D. Dekker, hoofdonderwijzer aan een gesub. bijzondere school en tevens schrijver van de Texelsche novellen, in Euphonia van Junij 1876 medegedeeld, vertelt C.I hem in 1872, dat hij het H.S. al jaren lang in zijn bezit had gehad. „Eene tante van mij te Enkhuizen, thans overleden, heeft het mij eens met een geheimzinnig gebaar overhandigd. Ik lachtte om haren ernst en wilde het prul haast niet aannemen, „waardoor zij in haar voornemen om mij het H.S. te schenken, schier aan het wankelen werd gebragt.” Deze onverschilligheid steekt zeer af bij „ik stelde mij zoo blij aan, alsof ik een goud horologie gekregen had.” Indien de Heer D. Dekker, die zegt alles zooveel mogelijk woordelijk, dus zeer naauwkeurig te willen weer geven, zich door zijn geheugen geen parten laat spelen, dan verschilt ook de tijd waarop C.I den Heer Dekker zegt het H.S. te hebben ontvangen, zeer van zijn andere opgave. In ’t verder verhaal aan den Heer D. zegt C.I namelijk: „het was omstreeks den tijd dat ik bij [31] Mr. Rijkers Fransch leerde — gij herinnert u dien tijd zeker nog wel — dat ik de prullen kreeg.”

En nu leerde C.I bij Meester Rijkers Fransch, toen hij nog modelwerker was, in ±1840, d.i. reeds 8 jaar voor de gewone opgave. De zonen van C.I, Leendert Floris en Anton Jan, en ook de heer Mooy herinneren zich zeer wel, dat C.I met hun oudsten broeder, C.II, dikwijls naar Enkhuizen ging, en dat zij, terugkeerende van een dezer reisjes, een boek meebragten.[20] Wat dit was, wisten ze niet: ze waren nog jong. Later vernamen zij, dat dit het Oera-Linda-boek was geweest. ’t Is hier de plaats om melding te maken van een verhaal, door den Heer Munnik medegedeeld. Deze Heer (getrouwd met Hermina Doyetta May, een voordochter van C.I’s eerste vrouw) vroeger een bekwaam en bekend machineteekenaar, vertelt: „In 1845 (één jaar voor mijn trouwen) deden C. over de Linden, de boekbinder Stadermann en ik zamen een toertje. We kwamen bij een ouden schipper,[21] waar de moeder van C.I huishoudster was. C.I sprak alleen met zijn moeder en den oude, en zeide toen wij weer buiten waren: „’t Is toch een bedonderd werk; die oude heeft een oud boek van ons, en wil ’t niet loslaten. Daaruit blijkt dat onze familie oud is; en verder (zoo vertelt M.) sprak hij over boschrijke streken, zooveel als ’n heerlijkheid, van lindestreken, lindeboomen enz. „Doch ’t is Oud-Friesch; daar (zoo zei C.I) zit de bl... [bliksem]” Zoo heeft hij wel een [32] paar jaar loopen brommen (van 1845—1847,) doch was intusschen begonnen Oud-Friesch te leeren. Is dit verhaal van den Heer Munnik juist, dan blijkt daar ten eersten uit dat C.I reeds voor 1848 Oud-Friesch heeft geleerd. En zijn gemompel over een oud boek etc.? Eenvoudig een voorbereidende maatregel om later zijn verhaal aangaande den oorsprong van het O.L.B. beter ingang te doen vinden. Hij had toen misschien reeds een gedeelte van het wonderboek afgewerkt of ten minste het plan opgevat om zoodanig werk in de wereld te helpen. Het medebrengen van een boek dat niemand gezien heeft, bij zijn terugkomen van een zijner reisjes naar Enkhuizen, moest dan tot hetzelfde doel dienen. Beide vertooningen waren deelen van een sluw beraamd plan, het was, om zoo te zeggen, de prologus van de eerlang op te voeren komedie.

Behalve Munnik had, zooals we zeiden, ook Ernst Stadermann, boekbinder te Den Helder, deelgenomen aan het togtje naar Enkhuizen. Op dezen merkwaardigen man en op zijne betrekking tot C.I komen we straks terug. Thans wil ik eerst op een ander verschijnsel in C.I’s opdragt aan zijn kleinzoon opmerkzaam maken, dat mij in mijn vermoeden dat C.I zelf de vervaardiger van ’t O.L.B. was, ten zeerste heeft versterkt. En dit verschijnsel is? De grammaticale toestand der taal van dat opstel. De heer C.o.d.L. maakt daarin juist dezelfde soort van fouten die in de taal van het O.L.B. worden waargenomen, en die voor mij het meest onfeilbare middel zijn geweest om de onechtheid van dat geschrift onweerlegbaar aan te toonen. Gelijk het O.L.B. wemelt van fouten tegen declinaties, conjugaties, geslacht en getal, zoo ook het door den Heer Berk gelukkig letterlijk overgeschreven opstel. Die fouten bewijzen dat C.I ondanks zijne — later door ons aan te toonen — [33] uitgebreide taalkennis het nooit zoover gebragt dat hij zijn moedertaal zonder grove fouten kon schrijven. Hij wist dat trouwens ook zelf zeer wel, en liet daarom het Nederlandsch dat hij schreef door deskundigen corrigeeren. — Zoo was dan C.I gewoon meer te schrijven? vraagt misschien een of ander lezer. Dat zou ik denken. Doch wij willen den loop van onze ontdekkingen niet vooruitloopen.

Om mijne door den inhoud van ’t opstel versterkte overtuiging dat C.I zelf de schrijver van ’t O.L.B. was tot meerdere zekerheid te brengen, verzocht ik den Heer Berk, zoo mogelijk te onderzoeken welke boeken C.I alzoo had bezeten en welke nog in het bezit der familie waren.

In zijn antwoord deelt de Heer Berk mij een lijst van een dozijn boeken mede, die C.I had bezeten en bij de in 1874 gehouden boekverkooping door zijn zoon L.F. weer waren ingekocht. Later ontving ik een volledige opgave van de boeken die in ’t bezit van den Heer C.I waren geweest en op maandag avond den 7den September 1874 in ’t Centrum aan den Helder publiek werden verkocht. Om den lezer een denkbeeld van C.I’s lectuur te geven laat ik dien catalogus hier volgen.

Boekverkooping in ’t centrum op maandagavond 7 september 1874.

1 Bespiegelingen over de Grieken, 2 dln.

2 Koning Altman, Mackenzie: De vereenigde Staten van N. Amerika.

3 Penn, Handboek der schoone bouwkunst.

4 Morgenster Meetkunst.

d Arend, Vaderlandsche geschiedenis, (tot 1581) 2 dln.

6 Zimmerman, De Wonderen der Voorwereld.

7—13 De Aardbol, 7 dln. (ieder op zich zelf compleet.) [34]

14 Natuurkunde, 3 deelen.

15 Obreen, Scheepsbouwkunde 2 dln.

16 Du Hamel du Monceau, Grondbeg. der scheepsbouw 1 deel.

17 Tooneel der vereenigde Nederlanden 2 dln.

18 Heine, Reis om de Wereld naar Japan.

19 Cravel, Geschiedenis der Vrijmetselarij.

20 Kaarten der provinciën van Nederland. (plano.)

21 Moll, Vormkracht der Aarde.

22 Bijbelsch Magazijn, 1 deel.

23 Titsingh, Bijzonderheden over Japan, 2 dln.

24 Beknopte alphetische beschrijving van Nederland, 1 dl.

25 J. Barrow, Reizen in China, 2 dln.

26 Bursieux, Snoejen der fruitboomen.

27 Krook Tuinboek.

28 Album der Natuur, 2 dln.

29 v. Lennep, Vermakelijke Spraakkunst.

30 Arkstee, Nijmegen, de oude hoofdstad der Batavieren.

31 Volksmeetk. en Werktuigk. door de M. tot N.v.’t Alg. 2 dn.

32 Bernstein, Boven lucht en wolken.

33 G. Bancroft, Gesch. der Ver. St. van Noord-Amerika.

34 Alexander de M. De Bijbel in haar eigenlijke waarde, 2 dln.

35 John v. Smit, Beschrijving van Indie A° 1638.

36 Abbé Terson, Het einde der oude en het begin eener nieuwe wereld.

37 Volney, De Ruinen.

38 Mercier, Het jaar 2440 in 3 deelen.

39 Weiland, Nederduitsche Spraakkunst.

40 Elsner, Galvanische vergulding en verzilvering.

41 Meijers’s Woordenschat.

42 De Aarde en hare volkeren. (blad 1—52.) [35]

43—47 Onze Tijd, 22 deelen met 1 Kronijk (gebonden) en l jaargang in afleveringen.

48 P. Harting, De macht van het kleine zigtbaar in de vorming van de korst van den aardbol.

49 Fokke Simonsz. Lucifer.

50 Meilink, Lessen over Scheikunde.

51 De Vries & te Winkel, Woordenlijst der Nederl. Taal.

52 De Fr.-Eng.-Russ.-Oorlog in 2 deelen (Plaatwerk)

53 Bernstein, Het leven der planten, menschen en dieren.

54 Cremer, Hanne de freule.

55 Atlas door Geerling.

56 De Haan Hettema, Emsiger Landregt.

57 Hoeufft, Taalk. aanwijz. op Oudfriesche woorden 2 dln

58 Epkema, Woordenboek op Gijspert Japicx.

59 Worp van Thabor, Kronijk van Friesland 2 dln.

60 Van Richthoven, Alt Friesisch. Wörterbuch.

61 Wilh. Wesenius, Palsographische Dtudiën über Phönicische und Runenschrift.

62 Worp van Thabor, Kronyk van Friesland (1 deel in handschrift.)

63 Rask, Angelsaksisk Sproglaere.

64 De Haan Hettema, Proeve van Friesch en Nederlandsch Woordenboek.

65 Bemaerkningen om en Steenoxe med Runeinskrift.

66 Asega Buch, Ein Altfris. Gezetsbuch der Rüstringer.

67 Wisdom, Handbook of Anglo-Saxon Rootwords. [36]

68 Hoeufft, Oudfriesche Spreekwoorden.

69 Goldschmidt, Der Oldenburger in Spraeke & Spreeckwort.

70 Rask, Friesche Spraakleer.

71 Rask, Oud-Noordsche Spraakleer.

72 Fisher & Lipmason, Spraakleer, Deutsch & Schwed.

73 Hettema, Handleiding tot het Lezen der Friesche Taal.

74 Oelrichs, Helgolands Woordenboek.

75 Frederiksen, IJslandsch Leesboek.

76—77 Kramers Woordentolk (2 ex.)

18 Streckfuss, Gesch. der Wereld. 75 afl.

79 Jaarboekje voor de leden van het Koninkl. inst. voor Ingenieurs.

80 Erdbrink, Stal merkw. tafereelen uit de Geschiedenis.

81 Revue des familles 1831.

82 Agron, Fransch leerboek.

83 Le Rollin de la Jeunesse 2 dln.

84 Les aventures de Télémaque.

85 Caspard, Dict. fr-allem. & allem-fr. (2 dIn.)

86 Emile v.d. Burgh, Le roi- Margot.

87 Bomhcff, Ned-Eng. en Eng-Ned. Woordenb. (2d]n.)

88 Calisch, Brievenboek in 4 talen.

89 Lacroix, Elémens de Géometrie.

90 P. Massuet, Eléments de la philosophie 1752,

91 Eliahum l’Evangile primitif.

92 Volney, Les Ruines 1839.

93 Polyglotte, Jaarg. 1861—63. (ongebonden) 1864 in afleveringen.

94 Revue des deux Mondes, 12 afl.

95 Callet, Logar. tafelen.

96 The history or Rassrras, Prince of Abyssinia.

97 Murray, Eng. Spraakkunst. [37]

98 Londen in the Olden Time.

99 Roorda van Eijsinga, Maleische Spraakkunst.

100 Schlosser, Alg. Gesch. (7 afl)

101 Wereldkaart van v. Wijk-Roelandsz.

102 Het nieuws van den dag. 1870—’71—’72.

103 De Friesche Courant.

104 Een pakje Fransche lectuur

105 Een pakje Hollandsche lectuur.

106—107 2 Photographische afbeeldingen van Schepen.

108 Wassenbergh Friesche Tongval.

109 Dict. Fr-Nederl. & Nederl-Fr.

110 Schroeder Steinmetz, algem. Aardrijksk.

111 1 Pakje diversen.

112 1 id. id.

Opmerkingen.

Ziedaar de biblotheek van den Heer C. over de Linden aan den Helder, in leven, eerste Meesterknecht bij ’s Rijks Marine-werf. (C.o.d.L. I).

Bij een vlugtige lezing zal de goedgunstige lezer moeten uitroepen dat dit al heel raar soort van een bibliotheek was voor een man die volgens de verzekering van zijn zoon geen vreemde talen, ja zelfs geen Friesch verstond.

Op deze lijst toch vindt men Fransche, Engelsche, Hoogduitsche, Angelsaksische, Oud-Friesche, Oud-Noordsche, Zweedsche en Deensche werken. Wat deed C.I toen met dien schat van taalboeken? Dat zal ons later blijken. Eerst willen we een ophelderende aanmerking mededeelen waarvan de Heer Berk een enkel der genoemde boeken had voorzien. ’t Merkwaardigst is ’t geen hij omtrent nommer 37, Volney, de Ruïnen mededeelt.

No. 37, zegt de Heer B., is de vertaling van no. 92. [38] Eerstgenoemd werk heeft C.I zeer lang gehad. Het jaartal is zorgvuldig met een scherp werktuig weggeschrapt, alleen C C is blijven staan. Het is Ingebonden en over den naam van den binder is een papiertje geplakt. Tegen ’t licht leest men echter Ernst Stadermann, waaruit de tijd eenigzins volgt. Deze E.St. was een Saks, ±1842 uit zijn land gevlugt; ten minste ±1845 was hij boekbinder aan Den Helder, waar hij ±1867 is gestorven. Hij woonde naast C.I en was met dezen bevriend.[22] In karakter, afkeer van kerk en priesters, democratische beginselen kwam hij met C.I overeen zie p.15. Met welke bedoeling jaartal en binder van Volney onkenbaar waren gemaakt, daarover straks nader.

[39] Toen ik eens wist met welk een schat van boeken C.I gezegend was, zocht ik natuurlijk gewaar te worden hoe C.I zijn tijd besteedde. Op mijn hieromtrent gedane vraag kreeg ik ten antwoord: ’s Winters ging de werf om 4 uur af en C.I was vrij. Hij hield zich dan bezig 1) met lezen, 2) oefende zich in ’t Fransch (les van den onderwijzer Rijkers, later eigen studie,) 3) Engelsch en 4) Duitsch, 5) pianospelen, 6) kaartspelen (met een eenvoudig man van de werf, die daartoe gedwongen was, omdat C.I. zijn superieur was;[23] 7) ’t maken van modellen voor schepen,[24] 8) ’t leveren van vertalingen voor de Heldersche en Nieuwe Dieper Courant,[25] 9) ’t schrijven van een werk getiteld: Een nieuwe vorm van een zeeschip, met uitslaande platen, door C. over de Linden, scheepstimmermansbaas bij de Marine te Willemsoord. — Helder, S. Giltjes, 1856. ’s Zomers, wanneer de werf om 6 uur afging, deed hij zoowat hetzelfde; doch dan kwam 10) het werken in den tuin er bij. Doch ’s winters zoowel als ’s zomers 11) zat hij, evenals zijn vriend Stadermann, gaarne onder een glaasje, waarbij het beiden dikwijls zoo verging als Captain Appleboy, in Marryat s amusante vertelling: The three Cutters.

[40] Uit de bovenstaande optelling van C.I’s gewone bezigheden blijkt, dat letterkundig werk hem volstrekt niet vreemd was; en uit de boekenlijst dat hij alle hulpmiddelen bezat om zich de mate van historische, geographische, wijsgerige, taalkundige en andere kundigheden die hij voor ’t zamenstellen van ’t O.L.B. behoefde, te verschaffen, terwijl uit het ongecorrigeerde opstel voor zijn kleinzoon bestemd, blijkt, dat hij juist die mate van grammaticale onkunde bezat die er noodig om hem al die grove taalfouten te doen begaan, waarvan het O.L.B. wemelt. Uit hetgeen C.I zelf in dit opstel aan C.III verhaalt ziet men ook dat hij de boeken in verschillende talen geschreven, werkelijk gebruikte. Met hoeveel vrucht hij echter de verschillende werken in zijn bezit had bestudeerd, dat wordt ons eerst recht duidelijk door een hoogst gewigtige ontdekking, zoo gewigtig dat ook mijn ijverige en bekwame medehelper daardoor tot de overtuiging kwam, dat wij ons zoeken naar den vervaardiger van het O.L.B. als afgeloopen mogten beschouwen.

Voordat ik den nieuwsgierigen lezer deze gewigtige en afdoende ontdekking ontsluijer, moet ik nog een oogenblik in ’t verhaal van onzen ontdekkingstogt terug gaan, ten einde een gewrocht van C.I’s kunstvaardigheid ter sprake te brengen. In een voorgaanden brief had de Heer Berk mij medegedeeld: „Voor eenige dagen toonde de Heer L.F. o.d. Linden mij een wapen. Volgens dezen was ’t gemaakt door een goudsmid daar ter stede, naar een teekening die reeds lang in de familie bestond, doch thans met andere papieren in handen was van de stiefmoeder van den Heer L.F. Deze stiefmoeder houdt stijf en sterk staande dat zij ze niet heeft; en toch moet zij in ’t bezit zijn van papieren en van de teekening. Op dit wapen ziet men onder anderen 3 lindeboomen bij een brug [41] van goud op een gouden veld. Helm en ornament-werk zijn van zilver; ’t lint groen met de spreuk Wák.

Toen de vertalingen van ’t O.L.B., door Dr. Ottema gezonden, in den familiekring werden gelezen, vertoonde C.I dit wapen aan de toehoorders en verhaalde hun daarbij de volgende geschiedenis: „Het oorspronkelijk wapen was in ’t bezit van een zoon van Aafje Meijlhof, die getrouwd was met eene Friezin. De zoon stierf en zijn vrouw stond op het punt van naar Friesland te gaan, van Enkhuizen, waar zij met haar man gewoond had. De Heer C. o.d. Linden zag het wapen en wilde het koopen; doch men vroeg te veel geld; te veel voor hem, omdat hij een groot gezin had. De Friezin vertrok en nam het wapen mee. De familie veronderstelde dat C.I van ’t oorspronkelijk wapen een teekening had gemaakt en daarnaar het wapen door een goudsmid had laten maken. Geen goudsmid aan den Helder herkende het echter of wilde het gemaakt hebben. Om hierin tot zekerheid te geraken ried de Heer Berk den Heer L.F. o.d. Linden om zijne stiefmoeder, Geertruida van der Burg, toen (en misschien nog) huishoudster bij den Heer L. Swart, hoek Heerewaltje bij ’t Stadhuis te Leeuwarden, eens om inlichting en tevens te logeeren te vragen. Beide geschiedde. In haar antwoord schrijft C.I’s tweede vrouw: „Het wapen waarover gij schrijft, heb ik in het bezit van Cornelis gezien; of ’t oud is weet ik niet; een teekening er van door hem zelven vervaardigd in waterverf ligt in mijn chiffonière te Amsterdam. Die teekening is afgenomen, naar ’t wapen dat gij hebt.” Toen deze hoogst gewigtige getuige, voor wie, zooals zal blijken, C.I bijna geene geheimen had, eenigen tijd later aan de haar gezonden uitnoodiging gehoor gaf, verhaalde zij — om dit hier maar voort bij te [42] voegen en hierdoor de wapenhistorie voor goed af te doen — dat haar man op zekeren tijd bezig was geweest iets te maken van oude muntstukjes, zonder dat zij wist wat. Toen ’t af was, bleek het ’t familie-wapen te zijn.[26] Ergo: de teekening is niet oud, maar vervaardigd door C.I; het wapen zelf is ook niet oud, maar hoogst eigenhandig door C.I snuggerlijk, schoon niet heel fijn en symmetrisch, uit oude muntstnkjes in elkaar geknutseld. De ruwe bewerking was natuurlijk zeer geschikt om het voor een stuk uit de kindsheid der kunst afkomstig te doen doorgaan. Toen geen goudsmid aan Den Helder zich met het vaderschap van het wapen wilde belasten, kwam C.I’s familie dan ook op het denkbeeld dat hun vader het oorspronkelijk wapen, na het vertrek der Friezin, weer opgespoord en toen nog gekocht had. Men kan er echter staat op maken, dat dit oude oorspronkelijke evenzeer een kind van C.I’s rijke verbeelding, als het werkelijk bestaande het gewrocht zijner kunstvaardige handen is. Ook het verdwijnen van de Friezin, die het wapen heette te bezitten, is een verzinsel van C.I. Aafje Meijlhoff’s zoon had werkelijk een Friesche vrouw, maar deze is, wel verre van na den dood haars mans naar Friesland of Zwartsluis, zooals ’t ook heette, te verhuizen, nu een jaar zes, zeven geleden, goed en wel te Enkhuizen als baker gestorven.

Evenals in ’t O.L.B. in tallooze gevallen, zoo had de anders zoo schrandere C.I, door zijne onvoldoende taalkennis, ook op dit quasi-oude wapen, zonder het te weten, voor den deskundige eigenhandig zoo duidelijk [48] mogelijk geschreven: „dit wapen is noch bijzonder oud noch van Frieschen oorsprong.” En toch staat op het geheele wapen maar een enkel woordje van drie letters: wák, en dit woordje is volkomen voldoende. Want C.I heeft dit gespeld met een lange â; en indien dat opschrift uit zeer oude tijden, of nit Friesland afkomstig was, dan zou die a kort zijn geweest. Immers de a van waken was oudtijds in alle Duitsche talen kort, ten gevolge waarvan het Nieuw-Friesch nog heden ten dage weckjen of verzacht weitsen zegt, evenals b.v. voor maken — meitsen of meitse.

Men moet erkennen dat C.I in zijne poging om door middel van een familiewapen zijn overouden Frieschen adeldom te bewijzen, niet erg gelukkig is geweest.

- - -

Doch de groote, de gewichtige ontdekking? Daar is het aldus mee gelegen. Mejuffrouw Geertruida van der Burg, weduwe Cornelis over de Linden, had, zooals gezegd is, de uitnoodiging aangenomen en kwam in ’t begin van April een dag of drie bij hare familie aan den Helder doorbrengen. De Heer Berk ging met zijn echtgenoote de logée uit Leeuwarden verwelkomen, en deze bragt zelve spoedig het gesprek eerst op ’t wapen, waarvan zij het bovenvermelde mededeelde, vervolgens op het O.L.B. zelf. De Heer Berk zeide onder anderen dat de naam Yes-os hem zoo vreemd voorkwam. O, kreeg hij van de logée ten antwoord, d.i. Buddha. En nu bleek het dat deze vrouw niet alleen met den naam en de levensgeschiedenis, maar ook met de leerstellingen van Buddha volkomen op de hoogte was. „Daarover heeft mijn man zeer veel verteld, en ook over andere godsdiensten, zei zij, toen ze B.’s verwondering bemerkte. Toen nu de Heer B. haren man als [44] een zeer ontwikkeld mensch begon te prijzen, scheen die lof haar te schraal, en ze zei: „Als ge al zijn geschriften gelezen hebt, zult ge daarover eerst ten volle kunnen oordeelen; b.v. Broeder Cornelis, Broeder Loving, Broeder John, het Reisje, Rijp en Groen, de Internatonale, ... ik herinner mij zoo al de titels niet.” De Heer Berk hoorde natuurlijk erg vreemd op, en vroeg wanneer die geschriften opgesteld waren. „Nagenoeg alle voordat Dr. Ottema’s vertaling van ’t O.L.B. kwam, was ’t antwoord. Nu vroeg de Heer B. den Heer L.F.o.d.L. of hij ze zien mogt. Daarop ontstond een kleine woordenwisseling tusschen L.F. en zijn stiefmoeder, waaruit bleek dat deze al de net-cahiers had meegenomen en aan haren stiefzoon alleen het klad, en dit nog noode, had gelaten. L.F. zei tevens dat hij de cahiers nog nooit had ingezien, omdat hij toch enkel het klad bezat. ’t Eind van de historie was dat B. de geschriften te zien kreeg. Het waren niet minder dan zestig schoolschrijfboeken, waaronder er waren die tamelijk oud moesten zijn, ’t geen de Heer B. daaruit opmaakte dat sommige omslagen hadden met Petrarca aan de eene zijde en zijn levensbeschrijving aan de andere. B. herinnerde zich dat hij zulke ±1862 had gebruikt. Nog eens vroeg de Heer B.: Wanneer is dit alles geschreven? Was u er bij? En hoe weet U den inhoud. Antwoord: „ik las mijn man voor om te vergelijken? Dat wil zeggen dat C.I of iemand anders[27] de door een deskundige van taalfouten gezuiverde cahiers overschreef: waarop de echtgenooten zamen gingen collationeeren.

B. was natuurlijk zeer begerig om met den inhoud [45] dezer geschriften kennis te maken. Dat was echter zoo gemakkelijk niet. Zij konden voort geen begin of eind vinden. B. mogt ze niet mee naar huis nemen. Drie avonden hebben ze er toen aan besteed. L.F.o.d.L. had ze zeker nooit gelezen, zegt B. Had hij den inhoud gekend, hij had ze mij nooit laten zien.

En waarom niet? Die inhoud toch draagt de sterkst mogelijke blijken dat deze geschriften uit hetzelfde met chaötische kennis vervulde, phantastische, afleidzieke, ongrammaticale brein zijn gesproten, dat aan ’t O.L.B. het aanzijn heeft geschonken. Het volgende, van den Heer Berk afkomstige, verslag zal dat zoo klaar maken als de dag.

Door al deze geschriften (fragmenten, aanteekeningen uit ongenoemde boeken, invallende gedachten zonder verband, aanteekeningen van den corrector enz.) loopt één draad; nl: „Er bestaat eene geheime orde.” (niet de vrijmetselaars). „Zij heet de orde der vrije bouwlieden. Die orde is oud en van „Kaldeeschen” oorsprong; bevriend waren de Essëen. De hoofdzetel in den tijd des schrijvers is Amerika. Nu zijn alle geschriften slechts voorlezingen of gesprekken van broeders dezer orde. Ze hebben symbolen als paslood en schommel (voorkomende in „het Reisje”). Het doel is „den eenen waarachtigen God te verkondigen”, den mensch te behoeden tegen „schijnheilige priesteren en vorsten”, ’t kwaad uit te roeien, „dat zijn oorsprong heeft in onwetendheid”

De inhoud is: de geschiedenis van alle godsdiensten en hun stichters, dat allen menschen geweest zijn, Bram, (Brahma); Ben (de stichter van Benares), zijn zoon; beide zijn bedriegers, vooral de eerste. Verder Ary, een vrije bouwman, naar hem zijn de Ariërs (Arianen) genoemd. Oud Perzie heet Arja, de koning Orjon, gehuwd met Dahlia, dochter van Bram. Door dit huwelijk komen [46] elementen van Bram’s godsdienst vermengd met ’t zuivere godsbegrip van Ary en zijn bouwlieden.

In andere cahiers wordt Buda (Buddha) behandeld (Buta = boeten), hij heet Yes en Krisen en is in Kasamir geboren; zijn opvoeding ontvangt hij bij de bouwlieden: de Brampriesteren verbasteren de leer.

Verder vond ik één cahier (de anderen daarbij behoorende ken ’k nog niet) over Confutius = eenvoudig. Ook één over Zoroaster.

Nog vond ’k Mozes (een Egyptisch priester, door een vrijen bouwman bekeerd). Zijn schoonvader Jethro is vrije bouwman. Eindelijk vond ’k Jes-us en diens levensgeschiedenis; ook deze is vrije bouwman. —

De stijl in al deze geschriften is over ’t algemeen los. „Ik zal door gelijkenissen tot u spreken, omdat ik dan nooit persoonlijk word, en de ideeën U langer bijblijven; zoo deden mijne vaderen, de vrije bouwlieden zegt de schrijver ergens. De vergelijkingen zijn somtijds plat, doch altijd duidelijk en waar. Levendig zijn de gesprekken tusschen lieden van minder rang; levendig de beelden geschetst van Bram en andere bedriegers; de vrije bouwman is altijd ernstig, — nooit overdeftig.

Maar vooral, waar de vrije bouwman „onwetendheid en domheid” bestrijdt, waar hij de „valsche goden” veracht, waar hij tegenover „eigenbelang” „liefde tot den naaste” stelt, waar hij de „schijnheilige priesters” ontmaskert — daar is de taal gespierd, de woorden zijn goed gekozen, ’t geheel is krachtig en schoon. Het bestgeschreven wat ’k tot nu toe aantrof, is Jesus („us is slechts een Latijnsche uitgang”). Dit cahier (ten minste een der series) sloeg ’k op, even na „Buta” in ’t bijzijn van de stiefmoeder. Ik las een bladzij of wat, zoo goed en kwaad als ’t ging, en zei: „Waarom toch [47] heeft de heer o.d. L. dit werk niet uitgegeven?” Deze vraag werd me beantwoord met de wedervraag van de weduwe: „Zou dit geen schade gedaan hebben aan ’t O.L.B.?” Hoe ’k nu ook zocht naar ’t verband tusschen vraag en wedervraag, d.i. tusschen de voor me liggende geschriften en ’t O.L.B. De weeuw wilde niets zeggen, en werd stiller!!!! Zij ging weg, en ’k moest alleen verder zoeken.

Hoe meer ’k las in de cahiers, hoe meer de overtuiging bij mij gevestigd werd, dat de schrijver der opstelletjes ook de schrijver van ’t O.L.B. was. Hier toch vond ’k de leer van Mahomed, van Jesus, van Mozes, van Zoroaster, van Confucius, van Buddha, van Brahma; de eindterm dezer afdalende reeks ontbrak, n.l. de ware leer, de leer der vrije bouwlieden. Dat moest Wralda’s leer zijn, regelrecht uit den hemel.

Maar dacht ’k, is er dan in geen enkel werk iets te vinden, waarop ’t O.L.B. lijkt? — Ik had nooit Volney gelezen, en sloeg dus „Les Ruines” op. (De Holl. uitgave met ’t uitgeschrapte jaartal kreeg ’k eerst later in handen.) En toen ’k ’t gelezen had, was ’k overtuigd, dat dit werk de kiem bevatte, waaruit én O.L.B. én andere geschriften. waren voortgesproten. B.v.

O.L.B. p.185. Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken ...... (593 v.Chr.) ..... De vlakte Kasamyr ......

p. 187. Zijn eerste naam was Jes-us,.... de priesters heetten hem Fo, ’t volk heette hem Kris-en, zijn Friesche vriend heette hem Buda.

En nu Volney: Les Ruïnes:

p. 262. Il obtint la divinité à trente-cinq ans et passa à limmortalité vers l’an 557 avant l’ère chrétienne, dus ’t geboortejaar 557 + 35 = 592 v.Chr. [48]

p. 163.... que parmi les incarnations de cette espèce que Dieu a déjà revêtues, lune des plus saintes et des plus solennelles fut celle dans laquelle il parut.... dans le Kachemire, sous le nom de Fôt ou Boudh.......

p. 227. Enfin ces traditions disaient qu’il s’appelait tantôt Chris, c’est-à-dire le conservateur; et voilà ce dont vous, Indiens, avez fait votre dieu Chris-en ou Chrisna, et vous, Chretiens, Grecs et Occidentaux, votre Christos, fils de Marie, et tantôt, qu’ il s’appelait Yés, par la réunion de trois lettres, lesquelles, en valeur numérale, formaieut le nombre 608, l’une des périodes solaires; et voilà, ô Européens! le nom qui, avec la finale latine, est devenu votre Iésus ou Jésus, nom ancien et cabalistique attribué au jeune Bacchus, fils clandestin (nocturne) de la vierge Minerve, lequel dans toute l’histoire de sa vie et même de sa mort, retrace l’histoire du dieu des chrétiens, c’est-à-dire de Pastre du jour, dont ils sont tous les deux l’emblême.

Zoo wordt in ’t O.L.B. domheid b.v. als oorzaak van ’t kwaad genoemd (o.a. p.53), terwijl als grondslag van den staat gelijkheid wordt aangeprezen en wettelijk voorgeschreven. (o.a. p.81 nr.1). Vergelijk Volney p.56:

... et le vice des lois et l’injustice des gouvernemens, dérivés de la ecupidité et de l’ignorance, sout devenus les mobiles des malheurs des peuples et de la subversion des Etats.

p. 57. Ainsi légalité originelle, à défaut de convention, maintenait la liberté des personnes, la sûreté des propriétés, et produisait les bonnes moeurs et l’ordre. Chacun travaillait par soi et pour soi: et le coeur de homme, occupé, n’errait point en désirs voupables.

of sterker nog p.51 en 52.

[49] la ecupidité, fille et compagne de ignorance, c’est rendue la cause de tous les maux qui ont désolé la terre.

Wat is b.v. O.L.B. p.143—145 anders dan ’t ideé ’t welk Volney geeft op pag. 46:

Dans origine, l’homme fut formé nu de corps et d’esprit, se trouva jeté au hasard sur la terre confuse et sauvage; orphelin délaissé de la puissance inconnue qui avait produit, il ne vit point à ses côtés des êtres descendus des cieux pour l’avertir de besoins qu’il ne doit qu’à ses sens, pour l’instruire de devoirs qui naissent uniquement des besoins. Semblable aux autres animaux, sans expérience du passé, sans prévoyance de l’avenir, il erra au sein des forêts, guidé seulement et gouverné par les affections de sa nature: par la douleur de la faim, il fut conduit aux aliments, et 1 pourvut à sa subsistance; par les intempéries de l’air, il désira de convrir son corps, et il se fit des vêtements; par l’attrait d’un plaisir puissant, il s’approcha d’un être semblable à lui, et il perpétua son espèce. Ainsi, les impressions qu’il regut de chaque objet, éveillant ses facultés, développèrent par degrés son entendement, et commencèrent d’instruire sa profonde ignorance; ses besoins suscitèrent son industrie, ses périls formèrent son courage.

Meer dergelijke aanhalingen zouden in Volney te vinden zijn, die met gedeelten van ’t O.L.B. overeenkomen; ook betreffende de Wralda-figuur, die anders in de Buddha-leer vrij wel terug te vinden is. Maar ’k heb nog meer argumenten voor mijn meening, dat C.o.d.L. I de vervaardiger van ’t O.L.B. is.

Behalve dan een paar aanhalingen uit Volney en behalve dat Volney’s ideeën over wetten, over de grondslagen der staten, over verval van rijken, over godsdienstige begrippen tot nu toe gaaf aangenomen — terug [50] te vinden zijn in ’t O.L.B. waarin ze met C.O.L. I’s priester- en machtigen-, rijken- en grooten-haat dooreengewerkt zijn — nog ’t volgende.

In de losse cahiers vond ’k ééns slechts den naam Wralda; doch dit kan een uitvloeisel zijn van des schrijvers bekendheid met ’t O.L.B. na Dr. Ottema’s vertaling, omdat alle bepaling van tijd voor elk cahier afzonderlijk, ontbreekt.

Maar ’k vond meer. Al wat me tot toen onder de oogen gekomen was, was gecorrigeerd; er waren echter drie bladen bij, ruw uit een cahier gescheurd, niet gecorrigeerd, de regels dichter bij elkander (C.O.L. I schrijft altijd op gelinieerd papier). Hierop zag ’k ’t volgende: 1. De naam Wralda werd verklaard als overal daar d.i. alomtegenwoordig. 2. Uit dit woord werd door Angelsaksische, Zweedsche en Friesche taalvormen het woord, wereld afgeleid. 3. Een stukje Oudfriesch met uitspraak (b.v. manniska lees: maenska); uit de bijgevoegde vertaling bleek dat er sprake was van: eene les van wijze maagden over de stelling: wralda is god (goed).

Het waren slechts 5 regels Friesch: de woorden zonder teekens, b.v.: kwad husath bi tha manniska (voor ’t schrijven der twee onderschrapte woorden sta ’k niet in; de 3 andere woorden zijn goed overgenomen).

In een der cahiers vond ’k niets meer of minder dan ’t vervolg op ’t O.L.B., n.l. de geschiedenis der Friezen in betrekking tot de Franken.

Het waren slechts een drietal bladzijden, toen was dat schrift uit. Doch koning Clovis had dezen naam gekregen, omdat hij vocht met een heirbijl, om daarmede den mannen de koppen te „kloven.”

In een der cahiers zag ’k „Min-Erva” (verklaard als in ’t O.L.B.) en „Athena,” met de opmerking: „de [51] Oude Friezen noemden een gewonen vriend „frisond” (?) en een boezemvriend „atha.”’ De stichting van Athene was iets uitvoeriger verhaald, de kern was hetzelfde, soms woordelijk.

Dit alles las ’k met den heer L.F.o.d.L. en diens broer, den machinist bij den torpedo-dienst, samen. Geen wonder dat ’k bij ’t lezen van dit alles uitriep: „ik geloof zeker dat uw papa de wereld bij den neus heeft gehad.” ’t Eenige argument er tegen was: „neen, al zeggen het er honderd, ik kan niet gelooven, dat vader den heer Ottema en anderen zoo misleid heeft.” „Maar,” zeide ’k, „de heer Ottema heeft gezocht naar de verklaring van Jessos, (Yes = Buddha); hij noemt Wralda de „overoude;” hij zoekt naar ’t geboortejaar van Buddha enz.; bij dit alles kon Volney uitstekende diensten doen; uw papa had toen reeds een Holl. en een Fr. exemplaar en — schrijft niets, maar speelt den eenvoudigen werkman; waarom?” Antwoord: „neen, vader was zoo onoprecht niet; en wat die geschriften betreft, die zijn na Dr. Ottema’s vertaling geschreven en daarbij is ’t O.L.B. en Volney gebruikt.” Ze moesten dus geschreven zijn na Dec. 1870, toen C.o.d.L. I het eerste vertaalde stuk kreeg: Dat was te onderzoeken, reeds had zijn vrouw gezegd, dat ze voor dien tijd geschreven waren; bovendien is in een der cahiers sprake van ’t verheffen van den paus als geestelijk opperhoofd (onfeilbaarheid?) als een toekomende zaak; doch de corrector Jansen leefde in den Helder (?) De heer Mooy, die hem kent, ging met mij en stelde mij voor. De Heer Jansen is eerste hulponderwijzer aan school nr. 4 (hoofdonderwijzer P. Uurbanus, een der 4 onderteekenaars); verder redacteur van t Vliegend Blaadje, in den Helder, en vertaler van Fransche romans, b.v. eenige van Gustaaf Aimard. Ons gesprek heeft een goede [52] twee uur geduurd, omdat hij zich dadelijk niet alles herinnerde.

Na dat gesprek had de Heer Jansen de goedheid ’t geen hij zich van den Heer C.I en zijn doen en denken herinnerde, in een brief mede te deelen. Den hoofdinhoud van gesprek en brief laten we hier volgen. In zijnen brief van den 12den Mei getuigt de Heer Jansen, de corrector, aangaande C.I:

„Zelden heb ik iemand aangetroffen met zulk een scherpzinnig oordeel, zulk een goed verstand en zooveel oorspronkelijke denkbeelden. Had de Heer C.I in zijne jeugd gelegenheid gehad zijne groote geestesgaven door geregelde studie te ontwikkelen, hij zou mijns inziens een der grootste lichten op wetenschappelijk gebied zijn geworden. Dikwijls stond ik verbaasd over zijne oordeelkundige opmerkingen; zijne bijzondere beschouwingen van menschen, zaken en toestanden, en zijne somtijds bizarre, somtijds zeer juiste gevolgtrekkingen.”

De Heer Jansen komt in 1865 te Nieuwe Diep, en in ’t begin van 1867 in kennis met C.I, en wel door J.’s vertaling van Madame Therèse van Erckman-Chatrian. Dit scheen C.I bijzonder te bevallen, wegens de daarin voorkomende socialistische denkbeelden. In ’t laatst van 1867 vroeg C.I den Heer J. of hij eenige geschriften wilde corrigeeren, zonder evenwel den oorspronkelijken zin te veranderen. Naar ’t voorgeven waren het „Gedachten en Opmerkingen van broeder Cornelis,” hem door een zijner vrienden toevertrouwd. Bij nadere kennismaking bleek C.I zelf de schrijver te zijn.

J. voldeed aan het verzoek, schoon hij in de uitgave dier geschriften weinig nut zag. ’t Waren hoofdzakelijk natuurkundige beschouwingen, soms vrij origineel, soms uittreksels uit werken die daar speciaal over handelen.

[53] „Voor den oningewijde vond ik de zaken te hoog,” zegt de Heer J., „voor deskundigen van weinig belang. In deze geschriften heb ik, naar ik meen, het eerst den naam Wralda met de uitspraak Oeralde en de vertaling Overoude = Opperwezen aangetroffen.” Schoon niet geheel voldaan over ’s Heeren J.’s arbeid, verzocht C.I hem toch in ’t laatst van 1868 op nieuw eenige geschriften te corrigeeren, en wel Geschriften van broeder Jonathan. Deze vond J. van veel meer belang, en den arbeid, daaraan besteed, beklaagde hij zich niet. Hoofdonderwerp was ’t ontstaan van de verschillende godsdienstige sekten: Braminen, Buddhisten, Israëlieten, Christenen.

Zulk een uitgebreid werk door een ongeletterde geschreven, bragt den Heer J. in verbazing. Hoewel sommige denkbeelden en zaken daarin op eigen gezag stoutweg als onbetwistbare waarheden werden voorgesteld, waren de beschouwingen dikwijls zeer juist. Ook hierin ontmoette J. enkele woorden uit het Ofri. met de verklaring er bij. Bijna 2 jaar hield dit werk J. bezig, en maakte soms een bezoek bij den schrijver noodzakelijk, ten einde omtrent zijne meening inlichting te vragen. Reeds in 1869 sprak C.I met J. over een oud handschrift, dat sedert onheugelijke tijden in zijne familie bewaard werd. Eerst in 1870 kreeg J. het te zien. Om dat geschrift te ontcijferen, had C., volgens zijn voorgeven, zich de moeite getroost om ’t Friesch in oude boeken te bestudeeren; Gijsbert Japix en ’t Rjuchtboek en een paar Noordsche werken hadden hem echter niet genoeg op de hoogte gebragt, en nu zouden C.I en J. het zamen probeeren. Spoedig gaf J. het op, ofschoon hij er hier en daar wat van begon te begrijpen. C.I wist er echter vrij wat van.

Wanneer J. vroeg waartoe al dat geschrijf dienen moest, [54] dan was het antwoord: „dat kun jij niet begrijpen.” Verder getuigt J. in zijn gesprek met de Heer B.: Het maken van het handschrift ging niet boven C.I’s krachten. ’t Zijn zijne ideeën, zijn lievelingsdenkbeelden omtrent God en maatschappij — maar de stijl is anders, de zinnen zijn korter.

„Dit verschil in stijl” zegt de Heer Berk terecht, „laat zich wel verklaren uit de moeilijkheid waarmee de Heer C.I te kampen had bij ’t overbrengen of oorspronkelijk opstellen van ’t O.L.B. in zijn zoogenaamd Oudfriesch. „Wat het geduld aangaat noodig om het O.L.B. te teekenen, hieraan,” voegt de Heer Berk er bij, „faalde het den Heer C.I niet. Gisteren avond toch heb ik een muziekboek gezien ongeveer een duim breed dik en groot formaat, waarin stukken uit Weber’s Freischütz enz. gecopieerd waren. ’t Notenschrift was uiterst netjes. Deze stukken speelde C.I op de piano en accompagneerde die met de stem. En toch had hij in de muziek geen ander onderricht gehad, dat ’t geen de lagere school meegeeft.”

Van ’s mans werkzaamheid en groote kunstvaardigheid zag de Heer Berk nog zeer uitstekende bewijzen bij diens zoon Anton Jan o.d. Linden, eersten machinist, tijdelijk geplaatst bij den torpedodienst. Deze toonde mijnen onvermoeiden medehelper een model van een brik door C.I vervaardigd, met koperen scheepspomp, kombuis, katrolschijven enz., alles door C.I zelven uiterst keurig en net bewerkt. Voorts liet de A.J.o.d.L. den Heer Berk twee kisten met ±200 teekeningen zien, ’t zijn plans van schepen in kleuren, Oost-Indische inkt en potlood. ’t Zijn plannen van Hollandsche, soms ook Engelsche, vaartuigen met détailteekeningen. ’t Schrift verraadt bij allen C.I als maker. Op de meeste, ontbreekt het jaartal, op een dozijn is ’t uitgedrukt. Daarvan hebben drie (de oudste) het jaartal 1838, één (het jongste) is van 1866.

[55] Uit al het bovenaangevoerde blijkt dat C.I een soort van duizendkunstenaar was, een man die eigenlijk nergens voor stond en op de wien de woorden door Sièyes, na zekere bijeenkomst met Bonaparte, aangaande dezen gebezigd — Messieurs, nous avons un maître; le général. sait tout, peut tout, fait tout — volkomen toepasselijk zijn; want C. wist alles, kon alles, deed alles. En zoo was hij dan ook volkomen berekend om een kunststuk als het O.L.B. in de wereld te helpen.

Hij bezat al de werken waaruit de taalkennis, noodig om zulk een mengelmoes van Oud-friesch, Nieuw-friesch en Nieuw-Nederlandsch, als waarin het O.L.B. is geschreven, in elkaar te knutselen, was te halen; en ’t is bekend dat hij reeds vroeg met de studie van ’t Ofr. is begonnen. Hij bezat de geschriften waaruit de noodige historische, geographische, philosophische en andere kennis, die de schrijver van ’t O.L.B. bezat, kon verzamelen; en zijne overige door Jansen gecorrigeerde schriften bewijzen dat hij die kennis er werkelijk uit heeft gehaald en de kunst verstond ze, op zijne eigenaardige wijze verwerkt en gekleurd, in geschrifte weer te geven. Hij bezat de vindingskracht om dit vreemde letterschrift van ’t O.L.B. te verzinnen en de kunstvaardigheid, geduld en de stalen vlijt vereischt om den zuren arbeid, zooals Prof. Vitringa het met recht noemt, dien het teekenen van het H.S. van ’t O.L.B. vereischt, te volvoeren; dat wordt door de ontwijfelbaar van hem afkomstige kunstproducten meer dan voldoende bewezen.

- - -

Ook bezat hij de mate van grammaticale onkunde, noodig om die tallooze menigte taalfouten te begaan, waarvan het O.L.B. wemelt. Dat blijkt uit het boven letterlijk medegedeeld opstel ten behoeve van zijn kleinzoon [56] zoon vervaardigd; dat bewijzen de talrijke geschriften door den Heer Jansen gecorrigeerd. Alle verschillende verhalen aangaande den oorsprong aan ’t O.L.B. zijn klaarblijkelijk van C.I zelven uitgegaan; geen van de leden der familie had ooit iets van een oud H.S. gehoord, niemand had er ooit iets van gezien. Alle verhalen omtrent den overouden oorsprong blijken verzinsels te zijn, en, evenals de historie van het wapen, gesproten uit het vruchtbaar brein van dat verdwaalde genie, Cornelis over de Linden, 1sten meesterknecht aan ’s Rijks Marinewerf te Den Helder. Hij blijkt een vrij goed begrip van zijn eigen aard en aanleg te hebben, als hij in zijn, eenigzins koddig gekleurd, verhaal, aan den Heer Dekker opgedischt, zegt: je weet, ik ben een rare.

Dat hij een rare was, wisten anderen ook, bijvoorbeeld zijne superieuren, maar, daar zij hem tevens als een hoogst bekwaam man waardeerden, zagen zij zijne rarigheden door de vingers. De Heer Dekker zegt in zijn verhaal: „In zijn vak was C.I zeer bekwaam. Dat wisten zijne superieuren en verdroegen van hem, wat ze van anderen niet geduld zouden hebben. Als baas over de Linden geen lust had of minder slaagde, ging hij heen.”

Zou er wel in ’t gansche land een man zijn te vinden die zoozeer al de hoedanigheden, zoowel goede als kwade, en zich vereenigde om een stuk te bestaan als met het O.L.B. is gepleegd? En deze man is in ’t bezit van ’t O.L.B. en komt er ’t eerst mee voor den dag; maar niet voordat hij jaren te voren door allerlei voorbereidende slimheden aan het geloof aan de echtheid en oorspronkelijke oudheid van het door hem vervaardigde handschrift den weg had trachten te banen.

- - -

Ondanks het nu door al het bovenstaande boven allen [57] twijfel is verheven dat Cornelis over de Linden de vervaardiger van het O.L.B. is, houdt zijn zoon Leendert Floris nog maar altoos staande dat zijn vader het wonderboek niet kan gemaakt hebben; „Mijn vader,” zegt hij, „heeft het niet gedaan. Zoo onoprecht was hij niet; en bovendien: van waar had hij ’t papier, den tijd, en de gelegenheid.” Zijn vader had het veel te druk op de werf en met de studie van Fransch, Engelsch en Duitsch. Ook kende hij toen (in 1848) nog zooveel Oudfriesch niet.

Wat gewigt heeft men aan deze beweringen van den Heer Leendert Floris over de Linden te hechten?

Geen gewigt hoegenaamd. En waarom niet? Omdat het ontegenzeggelijk is bewezen dat de zonen van Cornelis over de Linden van huns vaders kundigheden, van zijn doen en laten eigenlijk volstrekt niets wisten.

Van wien had de Heer Berk de mij in zijnen eersten, uit eigen beweging aan mij geschreven, brief meegedeelde verzekering dat hun vader geen vreemde talen, zelfs geen Friesch verstond? Van de gebroeders over de Linden, de zonen van C.I zelven.

En zij? Wisten, toen zij den Heer Berk in 1876 deze verzekering gaven, nog niet beter. Eerst door hunne stiefmoeder zijn ze beter onderricht. Ik heb den Heer Berk tot tweemaal toe opzettelijk verzocht zich volkomen zekerheid te verschaffen wat de kinderen en de vrouw van C.I van zijn letterkundige werkzaamheden wisten. Op mijn eerste verzoek ontving ik bovenstaand, op mijn tweede het volgende antwoord: „Van de kinderen, (zoowel die van May als van hem zelven) wist geen iets van de geschriften, uitgezonderd misschen de in 1853 naar Indië vertrokken oudste zoon, C.II. De tweede vrouw, Geertruida van der Burg, wist alles. In haar bijzijn [58] schreef C.I, doch borg het geschrevene weg, zoodra de kinderen kwamen, die toen (na 1860) reeds groot waren. Eerst na den dood van C.I (in 1873)[28] is de vrouw van den Heer Leendert Floris o.d. Linden aan de weet gekomen dat de cahiers bestonden, en zoodoende ook L.F. en zijn broeder A.J. o.d. Linden. De zonen van C.I wisten dus volstrekt niets van huns vaders letterkundige werkzaamheid in den tijd toen zij reeds volwassen waren. Doet hun getuigenis omtrent dezen tijd niets af, over de studiën en letterkundigen arbeid van C.I uit vroeger dagen kan hun getuigenis volstrekt geen gewigt in de schaal leggen.[29] Om intusschen niets ongedaan te laten dat kan dienen om het feit, dat C.I zelf de schrijver van ’t O.L.B. is geweest, zoo duidelijk mogelijk te maken en te laten zien welke gelegenheid hij al zoo gehad heeft om voor 1848 te studeeren en de zamenstelling van het O.L.B. voor te bereiden of te beginnen. Zullen we met behulp van een extract uit de naamlijst van de werf, kortelijk opgeven welke carrière onze held achtereenvolgens heeft gemaakt. Nadat C.I in de jaren 1830—1838 als scheepstimmerman een reis naar China (Hongkong) had gedaan, staakt hij het varen, omdat hij kennis kreeg aan zijne eerste vrouw, Trijntje Johanna Visser, weduwe van den Schot May.[30] [59] Nu kwam C.I uit Amsterdam aan ’s Rijks Marinewerf te Den Helder en werd

1 Oct. 1833 scheepstimmerman 1ste klasse;

1 Maart 1838 bevorderd tot modelwerker;

1 Januarij 1843 kommandeur der modelwerkers;

1 Januarij 1848 opzigter bij den zaagmolen;

15 December 1852, 2de meesterknecht;

27 April 1857 1ste meesterknecht.

Het hout van de Marine werd destijds op een particulieren molen (dien van den Heer L. den Berger) gezaagd. C.I had een eigen kamertje bij dien molen en behoefde dus weinig op de werf te zijn. Van 1848 tot 1852 had dus C.I de schoonste gelegenheid om zich ongestoord met zijne verschillende lefhebberijen bezig te houden; beter zelfs dan toen hij in 1857 1ste meesterknecht werd. Toen had hij ook wel een eigen kantoorkamer in ’t gebouw van de werf, maar tevens een eigen schrijver, den bovengenoemden F. Govers, die steeds bij hem was. De bewaarde, bovenvermelde ±200 teekeningen en andere kunstwerken bewijzen dat, reeds sedert 1838, zijn tijd volstrekt niet geheel door zijne bezigheden aan de werf werd in beslag genomen. Ook begon hij, volgens het getuigenis van den Heer Dekker, reeds in 1840 Fransch te leeren. Volgens het verhaal van denzelfden was C.I reeds kort na 1840, volgens dat van den Heer Munnik, kort na 1845 met de studie [60] van het Ofr. begonnen. Tusschen 1848 en 1852 spreekt zijn zoon C.II van een boek met zulke vreemde letters, dat zij[31] er niets en hun vader er maar een woord of wat van kan lezen, terwijl C.I er toch door die woord of wat de kennis uit had gehaald dat zij van een overoud Friesch geslacht afstamden.[32] Had C.II het boek werkelijk gezien — en dat zou men uit zijne woorden opmaken — dan moet het, ten minste gedeeltelijk, tusschen 1848 en 1852 voltooid zijn geweest.

Een groot gedeelte van de denkbeelden en zaken in ’t O.L.B. uitgedrukt, had hij, zooals we gezegd hebben, uit Volmey’s vermaard boek Les Ruïnes gehaald, waarvan hij de vertaling lang in zijn bezit heeft gehad. Misschien heeft hij dat boek reeds kort na zijn eerste huwelijk, dus tusschen 1833 en 1840 gekregen. De Heer B. heeft namelijk door tusschenkomst van den Heer Mooy, die ’t van den Heer Rijkers (zie pag. 31) had, vernomen dat er omstreeks 1833 te Nieuwe Diep een stuurman bij de Marine, kommandant van een kanonneerboot (?) was, een zekere Meijer, een zeer ontwikkeld man en uitmuntend wis- en natuurkundige; in zeezaken een middelmatig practicus, maar theoretisch zeer goed op de hoogte. Deze bezat Volney en dweepte er mee: Volneij, De Ruinen was zijn bijbel.[33]

[61] Is zeer licht mogelijk dat C.I op een of andere wijze het exemplaar van Meijer in handen heeft gekregen. Het lezen van dit in vele opzigten overdreven phastastisch boek moet veel hebben bijgedragen om aan C.I’s geest die vreemde, phantastische, utopische richting, die losheid van de algemeen aangenomen historische feiten, die verachting van de resultaten der wetenschap mede te deelen, die de altoos merkwaardige man in ’t O.L.B. en zijne overige geschriften aan den dag legt.[34]

Dat C. het O.L.B. voordat hem dit, zooals hij beweert, door Dr. Ottema, toen hij dezen te Leeuwarden bezocht, was geleerd, en zelfs voordat Dr. Eelco Verwijs er iets van had vertaald, wel kon lezen, blijkt niet alleen uit [62] hetgeen hij zijn zoon C. II reeds tusschen 1848 en 1852 omtrent den inhoud meedeelde, maar ook nog door ’t getuigenis van een nog levend persoon. Deze gewigtige, ten minste in Dec. 1876 nog levende, persoon is de Heer Sipkens, hoofdonderwijzer aan een bijzondere neutrale school te Den Helder. Deze, een geboren Fries, verklaart: „In 1860 heb ik ’t H.S. gezien. C.I vertoonde het mij en vroeg of ik het lezen kon. Hij vertelde er bij dat het over zijne voorouders handelde, die de streken in bezit hadden gehad in de buurt van de Linde in Friesland. Hij las eenige woorden, enkele zinnen, Hij verstond mijn Friesch tamelijk goed.” Dit kon en deed C.I in 1860, en diezelfde C.I vertelt in ’t opstel voor zijn kleinzoon bestemd: „Bij die gelegenheid (d.i. bij zijn bezoek aan Dr. Ottema in den zomer van 1871) leerde hij (Dr. O.) mij ook de letters kennen, waardoor ik nu zoover gevorderd ben, dat ik het handschrift eenigermate kan lezen.

Is er ooit iemand erg om den tuin geleid, dan is dat zeker de Heer Dr. Ottema. Hij heeft dat zeker in zooverre zich zelven te wijten, omdat hij uit eigen beweging den Heer C.I heeft aangeboden om de vertaling enz. van ’t O.L.B. op zich te nemen, en door zich te belasten met de verdediging van de echtheid van dit werk, zonder dat hij zich door de onmisbare voorafgaande taal- en andere studie behoorlijk op de hoogte had gesteld om over de zaak in kwestie een gegrond oordeel te vellen. Hij heeft zeker in dezen, schoon met de beste bedoelingen bezield, de eer van Friesland „bij landzaat en bij vreemden,” al zeer slecht opgehouden. Van den anderen kant moet men ook erkennen dat de zonen van den man die Dr. Ottema op zijn ouden dag zulk een niet benijdenswaardige figuur had laten maken, [63] zich niet jegens den grijzen Fries geheel zoo hebben gekweten, als hij dat meer dan eenig ander van hen had verdiend. Eischte de billijkheid niet dat zij, zoodra het hun bekend werd, hoeveel en wat hun vader buiten het O.L.B. had geschreven, dit oogenblikkelijk volledig aan den grijsaard, die zoo gruwelijk was misleid, bekend maakten, dat ze hem in staat stelden er inzage van te nemen? En is dit geschied? Dat is niet geschied, ofschoon hun pligt in dezen hun aanstonds na de ontdekking meer dan eens op het hart is gedrukt.

Den 17den Mei, dus meer dan een maand nadat hun stiefmoeder aan Den Helder was geweest, hadden ze nog niets gezonden. Alleen had L.F. aan Dr. O. geschreven dat er eenige geschriften waren gevonden waarin zijn vader zoo wel reis zijne gedachten over natuurkunde, naar aanleiding van boeken, terug had gegeven, en ook wel over godsdienst. Als hem onder ’t oog werd gebragt dat dit niet strikt eerlijk was, dan zei hij: „Ik wil den goeden ouden man zooveel moeite niet veroorzaken. Dat kan ik altijd nog doen” ’t Is licht te begrijpen dat het den Heeren over de Linden hard moest vallen te zien, dat de door hun vader gepleegde verkeerdheid zoo wereldkundig wordt. Toch was er voor hen maar ééne manier om zich met eer uit deze netelige zaak te redden, die daarin bestond, dat zij allen schijn vermeden, alsof zij het openbaar worden van de ware toedragt der zaak zouden hebben in den weg gestaan. Meer dan eens heb ik den Heer Berk verzocht hun dit voor te stellen, en deze heeft dit zeker wel gedaan.[35]

[64] Merkwaardig steekt hierbij af dat L.F. den Heer Vitringa, toen die den 30 Augst. 1876 aan Den Helder kwam en zich regelrecht naar den Heer L.F. begaf, om het O.L.B. te zien, de brieven van broeder Cornelis wel heeft getoond en over het bestaan van meer cahiers heeft gesproken. Misschien heeft L.F. dien Heer ook het bestaand vermoeden medegedeeld dat hun vader het O.L.B. had geschreven.

Mij dunkt dat door het bovenstaande alle de door Prof. Vitringa opgeworpen bezwaren zoo tamelijk uit den weg zijn geruimd. Alleen zijn laatste vraag: „Wat voordeel kan de schrijver van zijn werk verwachten,” blijft ons te beantwoorden. Wat voordeel kon de schrijver van zijn werk verwachten? Naar ’t mij voorkomt was het den schrijver niet om eigenlijk voordeel te doen. Geldelijk winstbejag was zijn doel niet. Uit alles blijkt dat we hier met een buitengewoon man te doen hebben, dien we niet met de gewone maat mogen meten. Cornelis over de Linden was een hoogvliegende geest, een man van een levende verbeelding, vol scheppend vernuft en onophoudelijk gekweld door een nimmer verzadigde behoefte om iets tot stand te brengen. Vandaar zijn rusteloos werken in allerlei richtingen. Hij was tevens, gelijk bij groote geesten natuurlijk het geval is, zeer eergierig; hij voelde zich boven ’t gewone menschdom, waaronder hij verkeerde, verheven, wat wonder dat hij zich uit een edeler ras ontsproten achtte. Of liever, het zou een wonder geweest zijn, indien hij zich niet in afkomst boven ’t gewone menschdom verheven had geacht. En waarom?

Doodeenvoudig omdat er onder de Over Lindens werkelijk een overlevering bestond dat zij van een overoud Friesch ras afstamden. „Van waar is u dat bekend,” [65] hoor ik hier menigeen vragen. Ik weet dat uit een brief mij den 18 Julij 1876 door den Heer Berk gezonden waarin mij het volgende verhaal van den Heer C. Wijs werd medegedeeld: „In ’t jaar 1831, verhaalt genoemde Heer, bevond ik mij aan boord van ’t korvet (sic) Nehalennia, (Kommandant de Kapitein ter zee Rijk), op de Schelde voor ’t fort Marie. Ik was op genoemden bodem schoolmeester en zieketrooster. Daarop bevond zich ook de scheepstimmerman Jan over de Linden, die er in vroolijke buijen dikwijls op pochte dat hij van den oudsten stam der wereld was, en bij zulke gelegenheden den spot dreef met den adel. Ik ben slechts een goed half jaar op ’t Korvet geweest, en heb Jan over de Linden uit het oog verloren. Van boeken of geschriften heeft hij nooit gesproken.

Hinc prima mali labes!

Ziehier dan de oorsprong van het euvel! Deze Jan o.d. L., zoon van Andries over de Linden en Ifie Schols, geboren den 20 Junij 1787; den 11 Mei 1806 te Enkhuizen gehuwd met Antje Goedmaat; overleden den 28 Junij 1835 aan boord van Z.M. wachtschip Euridice, was niemand anders dan — de vader van Cornelis over de Linden. Van zijn vader, en misschien ook wel reeds van zijn grootvader, had C.I het denkbeeld van de overoude Friesche afkomst der Over de Lindens geërfd. En het zaad, in den jeugdigen boezem gestrooid, schoot welig op en droeg vele en velerlei vruchten.

Dit denkbeeld moet voor hem een prikkel zijn geweest om door inspanning van alle krachten zich zulk een edele afkomst waardig te toonen.

Met welk een onvermoeiden ijver hij moet gewerkt hebben, wordt ons eerst recht duidelijk, als we ons herinneren dat hij, toen hij met zijn eerste vrouw [66] (±1833) trouwde, naauwelijks kon schrijven. Te huis bij zijn eerste vrouw, zoo getuigt immers zijn voordochter Doyetta May, las en studeerde hij veel. Zelfs in zijn vrijen tijd op de werf zat hij te werken.

In zijn weet- en eergierigen geest wekte het tevens zeer natuurlijk de begeerte op om zich met al wat Oud-Friesch was bekend te maken. Hij schafte zich alle binnen zijn bereik zijnde hulpmiddelen aan om de Oud-Friesche gedenkstukken te leeren verstaan, en hij leefde misschien in de stille hoop dat hij in de oudste Friesche oorkonden sporen van zijne voorzaten zou ontdekken. Toen hij zich hierin te leur gesteld vond, kwam waarschijnlijk het denkbeeld bij hem op om de overlevering een meer tastbaren vorm te geven, en hij begon een verzonnen geschiedenis op het touw te zetten, een reeks van oorkonden, quasi lang voor Christus’ geboorte door ettelijke mannelijke en vrouwelijke leden van het geslacht der Over de Lindens te boek gesteld. Daarin lei hij tevens zijne langzamerhand door veelvuldige studie verkregen historische en geographische kennis, en de hem lief geworden staatkundige en godsdienstige begrippen neder; waarbij hij zich met zijne stof de hoogst mogelijke vrijheid veroorloofde.

Dat hij zich, bij al zijne schranderheid en waarlijk uitgebreide kennis, kon verbeelden zulk een roman, in een Oud-Friesch van zijn eigen maaksel gestoken, voor een gedenkstuk uit de tijden lang voor Christus geboorte aan zijn landgenooten in de handen te kunnen stoppen, en dat hij voor het oneerlijke van zoodanig bestaan niet terug deïnsde, dat moet ons niet verwonderen. Want hoe veelzijdig ontwikkeld ook, miste hij toch die echt grondige wetenschappelijke vorming, dat fijn ontwikkeld zedelijk gevoel, die, zoo zij zijn deel waren geweest, hem onfeilbaar zou hebben overtuigd dat zijn bestaan nimmer [67] tot eer van hem en zijn geslacht kon uitloopen. Dat Cornelis over de Linden op zijn standpunt kon hopen in zijne avontuurljke onderneming te zullen slagen, dat kan ons ook niet zoo bijzonder bevreemden, als we zien welke mannen zich werkelijk meer of minder door zijn kunststuk hebben laten misleiden. Immers, niet alleen onwetenschappelijke, onnoozele, maar geleerde en schrandere mannen hebben zich door het in een verfoeilijke wartaal geschreven drogwerk van den eersten meesterknecht van ’s Rijks marinewerf erg laten bedotten, en hebben dat pronkstuk heel naief en heel deftig uit verschillende oogpunten wijd en breed besproken. Dr. Ottema, Dr. A.T. Reitsma hebben de wartaal van ’t O.L.B. voor ouder en zuiverder Ofri. dan dat der Ofri. wetten verklaard, Prof. Vitringa ziet in die taal een kenmerk van ’s schrijvers naauwkeurige kennis der Ofri. taal; ja wijlen Mr. De Haan Hettema, de kenner van ’t Ofri. bij uitnemendheid, noemt in ’t bijvoegsel van de Leeuwaarder Courant van 5(?) Mei 1871, de taal van het O.L.B. ouder en regelmatiger dan die der Ofri. wetten en den vervaardiger een uitstekend Friesch taalkenner!!!! Nu, dwalen is menschelijk. Maar zijn we goedertieren jegens hen die zich door C.I op den dwaalweg hebben laten brengen, we dienen ook eenige barmhartigheid over te hebben voor hem die hen op den dwaalweg heeft gebragt. Hij heeft zich zeker erg misgrepen, hij heeft verwanten en vreemden vreeselijk om den tuin geleid, maar hij heeft dit misschien niet geheel alleen uit ijdelheid en verkeerd begrepen eerzucht gedaan. ’t Zou kunnen zijn dat hij met zijne schrijven ook nog een edeler doel najoeg. Wat hierover te zeggen valt, wil ik den goedgunstigen lezer in de woorden van mijnen ijverigen medezoeker mededeelen. [68]

„Wat heeft den heer C.o.d.L. bewogen tot ’t samenstellen van ’t O.L.B? — Sinds ’t oogenblik, dat ’k meende hem als vervaardiger te moeten beschouwen, heeft me die vraag bezig gehouden. Om geld, om eer of enkel en alleen om de geleerde wereld een poets to spelen, — dat kan de reden niet zijn. Er bestaat m.i. edeler en krachtiger drijveêr. Tot dit vermoeden ben ’k gekomen door tal van bizonderheden, bij vrienden en vijanden van den heer C.o.d.L. opgezameld betreffende ’t familie-, en ’t maatschappelijk leven des schrijvers, bizonderheden, die voor de beoordeelaars van ’t O.L.B. als H.S. uit de 13de of de 19de eeuw zonder belang zijn, maar die maken dat ik mij den heer C.o.d.L. voorstel als een edeldenkend man. Persoonlijk heb ’k hem niet gekend, doch afgaande op genoemde nasporingen en op een salonportret, hem voorstellende kort voor zijn dood, zou een kennismaking mij, dunkt me, niet hebben berouwd. De groote, zeer evenredig gebouwde, krachtige gestalte; ’t hooge en breede voorhoofd, waaronder de heldere oogen goedhartig maar vrij de wereld inzien — ze maken een aangenamen indruk. Hij bezat wilskracht en vrijmoedigheid, die, ten bate zijner ondergeschikten gebruikt, niet altijd aangenaam waren voor zijn superieuren.

Werd hij dan ook door de eersten geacht en bemind, — door eenigen der laatsten werd hij, indien al niet gevreesd, dan toch ontzien wegens zijn, volgens sommigen overdreven, gevoel van billijkheid en recht. Rond, maar ruw tot onbeschaafd wordens toe, was hij niet altijd fijn in de keuze zijner woorden, indien ze zijn gedachten slechts weêrgaven. In zijn jeugd, die door de gebeurtenissen van den dag en door familie-aangelegenheden vrij onstuimig was, had hij weinig lager onderwijs ontvangen; kennis opdoen [69] was dan ook zijn bezigheid in de eerst weinige, later meerdere uren, die na zijn dagtaak overbleven; met weinig middelen, zonder leermeester, werkte hij zonder leiding. Dit gaf een zeer zelfstandige, maar ook zonderlinge richting aam zijn studie. Dezelfde dorst naar kennis, maar vooral de zucht om zelf te onderzoeken, dreven hem reeds vroeg als scheepstimmerman naar zee, om Spanje, de Kaapkolonie en China te bezoeken; wáár hij eenigszins kon, ging hij aan land; ’t verlof daartoe had hij vóór ’t uitzeilen aan den kapitein van ’t schip verzocht en verkregen.

Doch juist door zijn studie zonder leiding, geraakte hij op een dwaalspoor en kwamen zijn ideeën in botsing met de resultaten der wetenschap, zoodra deze rustten op feiten, welke hij niet kon onderzoeken. Wat hij niet kon begrijpen en verklaren met ’t gezonde menschenverstand waren nu, volgens hem, valsche voorstellingen van priesters in den godsdienst, of dwaze uitvindsels van zich noemende priesters der wetenschap. Hoe vaak toch kwam het in ’t dagelijksch leven niet voor, dat hij als practicus verrichtte, wat de theoritici hadden opgegeven of alleen met veel grooter middelen uitvoerbaar geacht! En daarom ook geen kunstenarijen, b.v. politiek en dogmatiek; de natuur tot model en gezonde verstand tot werkman, en de mensch hielp zich zelven en was gelukkig! De vorsten, de priesters en geleerden zouden hun dwaasheden wel opgeven en zich later van zelve aan de kern der menschheid aansluiten. — De priesters, ’t zij Roomsch-Katholieke of Protestantsche (de heer o.d.L. was Protestant), — zij zijn de oorzaak van alle dogmatiek en schijngodsdienst, en daardoor van alle tweespalt en verwijdering tusschen menschen en menschen. De vorsten, zelf-, eer- en [70] heerschzuchtig, of geleid door ministers, hofdames en priesters, door eigenbelang blind voor ’t lot van hun volk, — zij zijn de oorzaak van verarming en andere maatschappelijke kwalen. Het volk, te slaafsch en te vreesachtig om ’t ware waar, en ’t rechte recht te noemen, — maar bovenal te onwetend om de daden der regeerenden na te kunnen gaan en te beoordeelen; — ’t volk, d.i. ’t voortbrengend deel der menschheid in tegenstelling van ’t niet werkend en toch vruchten plukkend andere deel, — het lijdt, en gaat achteruit door gebrek aan energie, door verbastering van zeden, door onwetendheid. Kennis, geput uit ’t eigen beschouwen van de omringende natuur, van ’t slaven en zwoegen der menschheid, en van de daden der enkele menschen, maar vooral van zich zelven, deze kennis, — niet die, welke door vroegere eeuwen tot onkenbaar worden toe verbasterd is overgeleverd, of welke zoogenaamde geleerden ons opdringen — zij leidt tot beschaving, tot vooruitgang, tot geluk!

Maar hoe verbetering aan te brengen in den bestaanden toestand? En ’t antwoord was: ’t volk wijzen op ’t krachtige voorgeslacht, toen er geen vorsten waren en geen priesters om te heerschen, geen tempels en altaren om de zuur verdiende penningen te verslinden, geen machtigen en grooten om vruchten te oogsten van boomen, die zij niet hadden geplant.

En in welken vorm? Zou hij als schrijver optreden? Maar de geleerde wereld zou hem, den ongeletterde òf doodzwijgen, òf zijn geschrijf droomerij noemen en der rug toekeeren, en ’t volk, hierdoor afgeschrikt, zou ’t niet lezen. Eerst dan, als de zoogenaamde geleerden ’t aanvatten, dan zou het ’t volk ten zegen worden. En daarom van inhoud geen wetenschap, en van vorm [71] geen roman, zelfs geen visioen, zooals Volney ter inkleeding had gekozen, ook al was de strekking dezelfde en al hadden de „Méditations” op de „Ruïnes” van Palmyra gevoerd tot ’t ideaalrijk der Linda-oorden: — een nieuwe vorm moest gekozen worden, een die den geleerden afleiding bezorgde, terwijl ’t volk de daarin bevatte denkbeelden in zich opnam. Dit laatste was hoofdzaak. Die vorm is in ’t bekende O.L.B. verwezenlijkt; en de vervaardiger heeft gedeeltelijk zijn doel bereikt: er is veel over gesproken, zóóveel dat de inhoud nog miet erg besproken is. Te verwonderen is dit m.i. niet; want al is ’t O.L.B. op letterkundig en moreel gebied schoon, zoodat het hier en daar zelfs ’t model, „Volney’s Ruïnes et Loi Naturelle”[36] overtreft, men vergete niet, dat deze laatste geschreven zijn in ’t stormachtige laatste vierde der voorgaande eeuw, en in Frankrijk.

Om eindelijk nog even terug te komen op de vraag, wat den heer o.d.L. tot ’t schrijven van den bekenden tendenzroman bewogen heeft, leg ’k hem op grond van zijn karakter gerust de woorden als antwoord in den mond:

„Ich kann nicht schweigen. ...... // Mich treibt der Geist! Ich muss ihm Zeugniss legen, //Kann nicht verschliessen, was so mächtig quillt.” (Lassalle: Ulrich von Hütten).

Taat ons nu de door het bovenstaande gestaafde feiten nog eens kortelijk zamenvatten. [72]

1) De Heer C. over de Linden komt in ±1867 voor den dag met een H.S. dat in ’t Oud-Friesch van 558—50 voor Chr. door ettelijke, mannelijke en vrouwelijke leden zijner voorzaten heet te zijn opgesteld en in ±1256 na Chr. door zijnen voorvader Hidde Oera Linda te zijn geschreven:

2) C.I beweert dit geschrift + 1848 ontvangen te hebben van zijne, in 1849 gestorven, tante Aafje over de Linden te Enkhuizen, die hem zegt dat het een gewigtig familieboek is, haar door haren vader voor hem toevertrouwd, en dat hij dit, reeds honderde jaren in hunne familie aanwezige, erfstuk met de grootste zorg moet bewaren.

3) Bij onderzoek blijkt a) dat het zoogenoemde Ofri. waarin het H.S. heet geschreven te zijn, een verfoeilijk mengelmoes is van Oud- en Nieuw-Friesch, van Nieuw Nederlandsch en ettelijke andere talen, wemelende van de allergrofste taalfouten, zoodat het en hierdoor en door den inhoud de onmiskenbare blijken draagt dat het in een zeer nabij ons liggenden tijd ontstaan is; het H.S. blijkt bedrog te zijn, en bedrog gepleegd door iemand die wel bekend was met ettelijke talen, maar met de eigenlijke spraakkunst volstrekt niet bekend was;

b) dat geen der te Enkhuizen levende bloedverwanten dat zoogenaamde sedert onheugelijke tijden in de familie bewaarde eerwaardig erfstuk ooit heeft gezien; zelfs de eigen dochter niet van den man, die er, zoo ’t heet, jaren lang bewaarder van is geweest; ja, deze dochter heeft van dit gewigtig familiestuk ten huize van haren vader zelfs nooit gehoord;

c) ook de vader van C.I, Jan over de Linden, schoon hij stoft op zijn Oud-Friesche afkomst, spreekt niet van een Oud-Friesch erfstuk in zijne familie aanwezig;

d) het verhaal, onder de over de Lindens te [73] Enkhuizen in zwang, aangaande de wijze waarop het H.S. uit de handen van Aafje Meijlhoff in die van C. heet overgegaan, blijkt van C.I zelven afkomstig, die dat in 1872 aan zijnen bloedverwant, den Heer W. o.d. Linden had opgedischt.[37]

e) De Heer C.I, die ’t eerst met het H.S. is voor den dag gekomen, verhaalt de toedragt van ’t overgaan daarvan in zijne handen op zeer verschillende, met elkaar strijdige en daardoor erg argwaanwekkende wijzen.

4) De Heer C.I blijkt in ’t bezit te zijn van alle werken, noodig om daaruit de voor ’t zamenstellen van ’t O.L.B. vereischte kennis te verzamelen:

5) hij blijkt werkelijk in ’t bezit dier kennis te zijn;

6) het blijkt uit verschillende, door hem nagelaten werken, dat hij in staat is die kennis in geschrift mede te deelen;

7) uit die ontwijfelbaar van hem afkomstige geschriften blijkt dat hij, ondanks zijne uitgebreide kennis van talen, niet zonder grove taalfouten kon schrijven, en de taalfouten in die geschriften zijn geheel van denzelfden aard als die waarvan het O.L.B. wemelt.[38] [74]

8) het blijkt dat vorm en inhoud van ’t O.L.B. en die v. C.I’s andere geschriften in alle hoofdeigenaardigheden[39] overeenstemmen: zoozeer dat de man die gewoon was C.I’s andere geschriften van taalfouten te zuiveren en die meer dan iemand anders met zijn denken, weten, kunnen en doen bekend was, getuigt: het zamenstellen van het H.S. ging zijne krachten niet te boven; ’t zijn zijne ideeën etc., zie pag. 54;

9) Uit het getuigenis van C.I’s tweede vrouw en uit dat van den corrector, den Heer G. Jansen, onderwijzer te Nieuwe Diep, als ook uit den tijd tusschen het verschijnen der vertaling van ’t O.L.B. en C.I’s dood verloopen, blijkt dat de ontegenzeggelijk van C.I afkomstige geschriften meerendeels voor de vertaling door Dr. Ottema geleverd zijn geschreven en dus geenszins, zooals C.I’s zoon beweert, na die vertaling en onder den invloed van den inhoud van ’t O.L.B. door C.I zijn opgesteld;[40]

10) het blijkt ook dat C.I de bekwaamheid en ’t geduld bezat vereischt om de letters van ’t O.L.B. te teekenen;

11) het blijkt dat hij sedert zijn eerste huwelijk, met onverdroten ijver heeft gewerkt om zich velerlei letterkundige kennis eigen te maken, terwijl hij daarbij tevens [75] zijn eigenlijk vak zoo weinig verwaarloosde, dat hij ook daarin als een hoogst bekwaam man bestendig werd bevorderd;

12) het blijkt dat hij, gelijk zijn vader, vol was van de overtuiging dat hij van een overoud Friesch geslacht afstamde;

13) het blijkt dat hij veel in ’t verborgen werkt;

a) hij maakt een familiewapen in ’t verborgen;

b) hij verbergt voor zijne kinderen zijne verkregen taalkennis die, schoon ten minste reeds in 1840 begonnen, zijn zonen in 1876 nog onbekend was;

c) hij verbergt voor zijne kinderen zijne letterkundige werkzaamheid;

d) hij geeft zijn eigen werk bij den Heer G. Jansen eerst voor dat van een ander uit;

e) hij verbergt voor Dr. Ottema zijn kennis van de letters en de taal van ’t O.L.B.;

f) hij verbergt voor Dr. Ottema zijne uit Volney geputte kennis van Yes-os, etc.;

g) hij verbergt het jaartal en den naam van den binder van ’t boek waaruit hij de hoofddenkbeelden van zijne bekende geschriften heeft gehaald, en die we in ’t O.L.B. weervinden.

15) het O.L.B. is ontegenzeggelijk geschreven door een man die juist alle hoedanigheden in zich vereenigde die Cornelis over de Linden bezat; het is, behalve om andere reden, stellig ook geschreven ter verheerlijking van de in ’t O.L.B. overal ingeweven familie Over de Linden; het is door Cornelis Over de Linden voor den dag en — wie zal daar, na al het bijgebragte, nog aan twijfelen? — zeker ook door Cornelis Over de Linden ter wereld gebracht.

J. Beckering Vinckers.

Kampen, den 8 Maart 1877.

[76] Bijlagen.

I.

Jules Andrieu beschouwt, in zijn in The Academy van den 17 Junij 1876 opgenomen verslag, het O.L.B. geenszins als een eigenlijk letterkundig bedrog (forgery), maar enkel als een middel om op een bedekte wijze zekere denkbeelden aan den man te brengen. Onbekend met de door ons geopenbaarde feiten, verbeeldt hij zich dat het O.L.B. tusschen 1685 en 1700 is geschreven door een vrijdenker die droomde van een republiek gegrondvest op rechtvaardigheid, waarheid en reinheid van zeden, met een onpersoonlijk deïsme zonder vormelijken eeredienst tot godsdienst. De Amsterdammer protestanten en staatslieden van dien tijd, zegt hij, verstonden op ’t stuk van godsdienstkwestie en radicale begrippen geen gekheid. Een man met zulke radicale idees als de schrijver van ’t O.L.B., zou toen, volgens J.A.’s oordeel, zelfs in de oogen der Hernhutters geen genade hebben gevonden, De gebroeders de Witt hadden in 1672 hun radicalisme (?) met den dood moeten bekoopen, en met welken dood!!! De Amsterdammers zullen zeker met dit verplaatsen van den moord der De Witten van den Haag naar Amsterdam zeker niet bijzonder verkuischt zijn.

II.

In The Academy van den 27 Junij 1876 laat een der veelzijdigste, grondigste en schranderste Engelsche geleerden, Alexander John Ellis, zich aldus hooren: De denkwijze door den Heer Andrieu in The Academy van den 17 Junij ontwikkeld, zou, indien zij juist bleek te zijn, alle verder onderzoek aangaande de taal waarin het O.L.B. is geschreven onnoodig maken. Het O.L.B. zou geenszins als een letterkundige vervalsching, maar [77] eenvoudig als middel om zekere denkbeelden op een bedekte wijze aan den man te brengen te beschouwen zijn. Intusschen zijn zoovelen, vooral in Nederland, door de stellige verzekering van Dr. Ottema, Dr. Reitsma en Prof Vitringa „dat het boek niet alleen in goed Oud-Friesch, maar zelfs in beter dan de oude Friesche wetten, is geschreven”, misleid, dat we alleen reeds in ’t belang der taalwetenschap een boek als dat van J. Beckering Vinckers welkom moeten heeten. In deze brochure tracht de schrijver op een hoogst scherpe, maar tevens op een streng wetenschappelijke wijze te betoogen dat het O.L.B. bij geen mogelijkheid kan geschreven zijn in den tijd, dien het zelf opgeeft, blijkens de eindelooze verwarring die zich van ’t begin tot het einde in de taal openbaart. Zoo wijst hij onder anderen aan dat het O.L.B. in een vrij digt bij ons gelegen tijdperk moet geschreven zijn door iemand die tamelijk wel met de woorden, maar volstrekt niet met de beteekenis der grammaticale vormen, vooral de naamvallen, van het Oud-Friesch bekend is. „De schrijver zegt J.B. verkeert in den toestand van iemand die een vreemde taal wel verstaat, maar ze niet kan schrijven.” Deze uiteenzetting — misschien zou tentoonstelling een meer juiste uitdrukking zijn — gevoegd bij de weinige korte en bondige opmerkingen van den verslaggever in The Academy van den 17 April l.l., doet dit negendaagsche wonder weer voor goed beneden den taalwetenschappeken gezigteinder dalen, etc.

III.

Hoe in Duitschland de mannen der wetenschap over het O.L.B. denken, wordt ons door een aankondiging van mijn brochure: „De onechtheid van het O.L.B. [78] etc.” in het Literarische Centralblatt für Deutschland 1876 nom. 39, duidelijk gemaakt.

Das altfriesische Oera Linda Bok, welches bei seinem Erscheinen (ed. Ottema 1872) so viel von sich reden machte, ist immer noch nicht gans in sein Nichts zurückgesunken. Zwar braucht Jemand, der einige auf sprachwissenschaftlicher Grundlage beruhende Kenntniss des Altfriesischen besitzt, nur eine Seite dieses Opus zu lesen, um es als das zu bezeichnen was es ist: nämlich als eine der dummsten und plumpsten literarischen Betrügereien, die der Welt in neuerer Zeit präsentiert worden sind. Aber trotzdem dieses Urtheil auch bald nach seinem Erscheinen ausgesprochen wurde, haben sich immer wieder Vertheidiger gefunden, wobei natürlich das bei den Friesen ziemlich stark ausgeprägte Stammesgefühl mit in Rechnung zu ziehen ist. Ja es ist neuerdings dem Wechselbalge sogar die Ehre einer Englischen Uebersetzung zu Theil geworden. Die vorliegende Untersuchung des wunderlichen sprachlichen Mischmasches, der den Anspruch erhebt, das ältesche und reinsste Altfriesisch darzustellen, dürfte daher immer noch nicht überflüssig sein. Der Verfasser wendet sich dabei natürlich nicht an die Germanisten von Fach, sondern sucht durch ausführlichere Besprechung der sprachlichen Thatsachen einem weiteren Kreize der wissenschaftlich Gebildeten ein Urtheil über die Verkehrtheiten zu ermöglichen, die sich der Fälscher hat zu Schulden kommen lassen. Der Grundton der ganzen Abhandlung ist: ein satirischer, und wir müssen gesteten, dasz der Verfasser seine Absicht, die „reine altfriesische Sprache” des Oera Linda Bok lächerlich zu machen, in ganz ergötzlicher Weise ausgeführt hat. — W.B.

[79] IV.

Daar ik van den beginne af het O.L.B. voor onecht hield, boezemde de oorsprong van het papier mij weinig belang in. Toen ik van den Heer Berk had vernomen, dat C.I in der tijd een reis naar China had gedaan, kwam ik op ’t vermoeden dat het Overlandsch papier uit het Hemelsche Rijk kon afkomstig zijn. Wij konden echter op dit punt niet recht tot klaarheid komen, hebben echter ook niet veel moeite gedaan. Ik achtte het, zooals ik vroeger zei, ook zeer mogelijk dat E. Stadermann in dezen zijnen buurman van dienst was geweest.

V.

De reden waarom ik ’t, bij den eersten opslag, mogelijk achtte, dat de zeer geleerde Fries Simon Gabbema aan ’t O.L.B. handdadig was, is omdat Dr. Ottema ergens beweert dat deze van dergelijke linguistische fopperij niet vreemd, en ik wist dat hij een groot liefhebber van dolle afleidkundige verlustigingen was, en in zijn Nederlandsch, zooals velen zijner tijdgenooten, ook wel zulke taalfouten maakt als de schrijver van ’t O.L.B. Bij nader onderzoek is ’t mij echter gebleken, dat Gabbema, ondanks dat Schwartzenberg in zijn groot charterboek het tegendeel beweert, te veel van ’t Oud-Friesch verstond om zulk een barbaarsche taal te schrijven, als waarin het O.L.B. is vervat. Ook verbied veel van den inhoud van ’t O.L.B. den tijdgenoot en vriend van Gijsbert Japix voor den schrijver — gesteld dat die ons onbekend was — te houden.

Hij die uit de loffelijke vermelding van Dr. Epkema aan ’t slot mijner eerste brochure heeft opgemaakt dat ik daardoor dien verdienstelijken vertolker van Gijsbert Japix [80] als opsteller van ’t O.L.B. wilde doodverwen, die vergist zich zeer. Ik houd niet van zulke zijdelingsche toespelingen of spreken in verbloemde taal. Als ik iets te zeggen heb, kom ik daar liefst onbewimpeld mee voor den dag. — Ik had bij ’t onderzoeken van de taal van ’t O.L.B. van ’s Heeren Epkema’s woordenboek zeer veel dienst gehad, en voelde mij dientengevolge gedrongen met een woord van lof en dank aan wijlen den Middelburger Rector te besluiten. Anders niet.

Noten

  1. Ik heb er sedert lang geen geheim meer van gemaakt en bij meer dan eene gelegenheid in t kort uiteengezet, hoe wij den opsteller van ’t O.L.B. hadden opgespoord.
  2. De verschillende takken dezer familie zijn hoofdzakelijk te Enkhuizen en te Den Helder gevestigd.
  3. In een nommer van de Deventer Courant is door een ongenoemde onder meer onwaarheden verkondigd, dat ik de onbeschoftheid heb gehad Prof. Vitringa’s anonymiteit te verbreken, dat wil zeggen, dat ik Prof. Vitringa ’t eerst als schrijver van de in de Deventer C. verschenen en later in een afzonderlijk boek uitgegeven opstellen over het O.L.B. heb genoemd. De schrijver dier niet zeer humane aantijging, die ook anders blijkt volstrekt niet op de hoogte te zijn, moet weten, dat Prof. Vitringa als schrijver dier opstellen in de voorrede voor de Engelsche vertaling van ’t O.L.B. is genoemd, lang voor ’t verschijnen van mijne verhandeling.
  4. Beiden zijn thans nog te Den Helder woonachtig, de een als hoofdonderwijzer, de ander als leeraar in de zeevaartkunde.
  5. Deze zoon van C.o.d.L. heette ook Cornelis. Hij begon zijn loopbaan als kweekeling op den 1sten maandag van 1848, haalde den 3den rang den 20 April 1852, en werd in Januarij 1853 voor den dienst in Oost-Indië benoemd. Om kort te gaan noemen we den vader C.I, den zoon C.II, en den zoon van dezen in Oost-Indië gestorven onderwijzer, C.III.
  6. C.I was omstreeks 1833 of 1834 gehuwd met Trijntje Johanna Visser, Wed. van May (een Schot), hij hertrouwde in 1863 met Geertruida van der Burg.
  7. De kinderen van den in Indië overledenen C. II waren bij de broeders in Den Helder.
  8. Niet den 15, zooals Dr. Ottema in zijn Inleiding zegt.
  9. JO: Willem Over de Linden (1813-1896), boekdrukker/ -binder en -handelaar in de Oude Westerstraat, geh. Jacoba Neever (IV.1.1.4) in genealogie.
  10. Daar de in dit opstel voorkomende taalfouten zeer hebben medegewerkt om mij op ’t spoor van den Schrijver te brengen, heb ik ze cursief laten drukken.
  11. Moet zijn 1820.
  12. Moet zijn 1835.
  13. Hieruit blijkt dat C.I alleen van dit boek wist ’t geen zijne tante bij ’t overhandigen er van gezegd had. V.
  14. Zooeven had C.I geen geleerde vrienden, nu heeft hij een die van runen en een die van Phoenicisch weet.
  15. Dat ze C.I kapitein noemden, was, zegt de Heer B., geen wonder. Hij was een knap welgemaakt man van een fatsoenlijk uiterlijk. Ook de andere Over de Lindens, zijne afstammelingen, zijn lieden van zeer fatsoenlijk voorkomen en goede manieren.
  16. C’s poging om het Friesch van zijn reisgenooten weer te geven is volkomen mislukt.
  17. of vertaalde — dat kan ’k niet lezen. J.F.B.
  18. Toen werden er door den Heer Siderius portretten gemaakt.
  19. Binnen kort komt een 2de druk, de 1ste is uitverkocht en toch aanvraag. J.F.B. Die tweede is uit. J.B.V.
  20. Elders heet het: Dat C.I met zijn oudsten zoon het O.L.B. ging halen!!
  21. Wie die oude schipper was is tot nu toe niet gebleken. De Heer Munnik en Stadermann bleven buiten staan wachten, en wisten dus van ’t geen daarbinnen verhandeld werd, niets dan ’t geen C.I hun beliefde voor te dokteren.
  22. Later verhaalt de Heer B. nog van E.St.: Deze vriend en buurman van C.I was een zonderling en een merkwaardig man. Saks van geboorte, boekbinder van beroep; doch zulk een boekbinder dat Duitsche couranten van zijn tijd hem prezen. Hij had, volgens Duitsch gebruik, half Europa op zijn ambacht afgereisd, woonde te Erfurt en ook eenigen tijd te Hildburghausen. In 1843 was hij het hoofd van een troep vrijheidlievende Saksers, die zich tegen het landsvaderlijk bestuur verzetten. Eerst met mond en pen, later met de wapens. Hij moest vluchten en kwam op een stroowisch in den Helder aandrijven. Door medelijdende buren ondersteund, vestigde hij zich als boekbinder, en had reeds in ’t volgend jaar, door zijn prachtig werk, zijn bestaan zoodanig verzekerd, dat hij zijn vrouw en kinders liet overkomen. In 1845 werkte hij voor de Marine, en kwam zoo in aanraking met C.I. Zij werden vrienden en bleven dat tot E.St.’s dood, in 1867, toe. Meest waren zij bij elkander in de jaren 1856, 57 en 58. St. stond dan te werken en C.I bij hem te praten. Ook zaten ze wel bij St. aan huis in een kamer alleen. Dit zou zooveel niet beteekenen — maar E.St. was hier beëedigd translateur voor de Europeesche talen; kende ook Latijn en Grieksch (hij las ’t N.Test. in ’t Gr.) ook was hij niet onbedreven in ’t Hebreeuwsch, en niet onbekend als plantkundige. Iedereen gevoelt wat een man als C.I aan een vriend als E.St. moest hebben. Van hoeveel nut kon St. zijn vriend C.I op taal-, aardrijks- en geschiedkundig gebied, in ’t verschaffen van papier etc. niet zijn!!
  23. Deze persoon heet Govers. Volgens een brief van den 10 Junij 1876 had de Heer B. dezen gesproken en van hem vernomen dat hij 10 jaar aan de werf was geweest en sedert 1857 bij C.I In deze jaren had G. wel gezien dat C.I in zijn vrije uren een of ander boek over ’t Ofri voor zich had. Dat C.I daar wat van wist was hem gebleken bij ’t overschrijven der cahiers door Jansen gecorrigeerd. Eerst toen Dr.E.V. (of Dr.O.) er zich mee inliet, had G. eenige bladzijden overgeschreven en het H.S. bij C.I aan huis gezien.
  24. Waarvan de Heer Berk zeer fijne deelen heeft gezien. Een zijner modellen is te Rotterdam bekroond.
  25. Die krioelden van taalfouten.
  26. Dit maken had, zeide de Weduwe, even voor of na de vertaling plaats, dus pl.m. 1871. Toen C.I zag dat zijn vlieger zoo goed opging, moest hij natuurlijk ook een familiewapen hebben.
  27. Later blijkt dat C.I de gecorrigeerde cahiers door den man dien hij bij zich op ’t kantoor had liet overschrijven, zie pag. 39a.)
  28. Onze Cornelis o.d.L. was geboren den 1ln Januari 1811, en stierf den 22 Februari 1873. [Moet zijn: 1874 -JO]
  29. Tusschen 1848—1852 was L.F.o.d.L. plm. 11, Anton Jan plm. 5 jaar. Jan May was toen plm. 22, George May plm. 20 jaar. Doch deze zijn overleden. Daarentegen was C.I’s voordochter, thans de echtgenoot van den Heer Munnik toen plm. 25 jaar, en deze verklaart bij herhaling dat zij van ’t O.L.B. niets weet; wel dat C.I thuis bij zijne eerste vrouw, haar moeder, veel las en studeerde, dat hij zelfs in zijn vrijen tijd op de werf zat te werken.
  30. Deze weduwe bragt 4 voorkinders mee. Van deze leeft, of leefde ten minste nog in Maart 1876, Wilhelmina Dojetta, gehuwd met den Heer Munnik. Een tweede dochter leeft gehuwd in Amerika; de twee zoons, Jan en George, zijn gestorven. Deze twee bedoelde C.II als hij, tusschen 1848—1850, zei: Wij kunnen er niets van lezen, zie pag. 11. C.I verwekte bij de wed. May 5 kinders, die alle nog leven.
  31. D.i.: hij en zijne halfbroers Jan en George May.
  32. Immers zegt C.II, volgens getuigenis der onderteekenaars van de verklaring op zegel: „Vader zegt het en die weet het uit een oud boek met zulke gekke letters, dat wij er niets van kunnen lezen, Vader maar een woord of wat.”
  33. Dit werk dat bij de zamenstelling van ’t O.L.B. en C.I’s andere geschriften zulk eene gewigtige rol heeft gespeeld, kwam voor ’t eerst in 1791 onder den titel: Les Ruines, ou méditations sur les révolutions des empires in ’t licht. Volneij had het plan daartoe opgevat ten gevolge van zijn gesprekken met Franklin, dien hij bij Helvetius had leeren kennen. De roem van dit werk berust minder op een ernstigen, zedelijken toon, dan wel op een phantastische voorstelling van groote geschiedkundige gebeurtenissen. Het boek beleefde verscheiden drukken en werd, meen ik, reeds in 1798 in ’t Nederlandsch vertaald. De schrijver Constantin, Francois de Chasseboeuf, graaf Volney (geb. 1857 gest. 1820) was een zeer merkwaardig man, die buiten zijne Ruines vrij wat ander werken heeft geschreven. Handig, ijverig, werkzaam, schrander, had hij als Ulysses veel landen en volken gezien. Doet b.v. een reis door Egypte en Syrië; leeft een vol jaar in een Koptisch klooster om grondig Arabisch te leeren, geeft vervolgens plm. 1787 zijn voortreffelijke Voyage en Syrie et en Egypte uit; legt zijn staatkundige scherpzinnigheid aan den dag in zijne Considérations sur la guerre actuelle des Turcs contre les Russes, waarin hij toen reeds voorsloeg dat Frankrijk Egypte zou veroveren etc. etc. etc.
  34. In de geschriften van Broeder Cornelis over de wereldvorming wordt het werk van Zimmermann over de voorwereld onder de handen genomen en tegenover de uitkomsten der wetenschap de uitspraak der rede gesteld. Met de atomen als ongevoelige, onzamendrukbare stofjes kan C.I zich niet vereenigen; ’t is hem te koud, te doodsch, te ongevoelig en strijdig met eene alomtegenwoordige godheid. Hij ontwikkelt zijne denkbeelden over de maan, de ligging der verschillende aardlagen etc. Dit geschrift beslaat 5 cahiers en eindigt met een vervloeking der scheikunde.
  35. Na opzettelijk ingesteld onderzoek blijkt het mij dat de Heer Berk zelfs heeft aangeboden eenige uittreksels uit de verschillende stellen cahiers voor den Dr. Ottema te vervaardigen, waaruit de aard der stukke kon blijken. Ook dat werd geweigerd.
  36. In 1793 verschenen onder den titel La loi naturelle ou catechisme du citoyen Français, later onder den titel: Principes physiques de la morale. Volgens Volney is de moraal niets anders dan de kunst om zonder nadeel voor lijf, leven en eer te genieten. Het egoïsme is de grondslag der moraal; geloof en liefde noemt hij deugden der domkoppen, die ten ootbaar der schobbejakken zijn uitgevonden. J.B.V.
  37. ’t Geen de Heer W.o.d.L. met eede wilde bekrachtigen betrof natuurlijk alleen de waarheid „dat de toedragt der zaak hem door C.I zelven werkelijk aldus was verhaald”; geenszins de waarheid van C.I’s verhaal.
  38. Dat C.I zijn andere geschriften wel, maar ’t O.L.B. niet door een deskundige liet corrigeeren, is licht te begrijpen. Het doel dat hij zich met dit O.L.B. voorstelde, gedoogde dat niet. Ook achtte hij dat denkelijk, wegens zijn gebrek aan grondige taalkennis minder noodig. Hij dacht, en niet weinig geleerden met hem dachten, dat men over een Germaansch taalmonument tusschen 558-50 voor Chr. ontstaan, geen oordeel kon vellen. Velen meenden dat men toen werkelijk zulke misslagen kon begaan. Ik heb in mijne eerste brochure het ongerijmde van zoodanige denkwijze onweerlegbaar aangetoond.
  39. Men vergelijke onder anderen de dwaze afleidingen in ’t O.L.B., b.v. Neptunus van Neef Teunis, Cadix van Kadik (= Kadedijk), Minerva van min erve (= mijn erf), Gedrosia van gedrost (= weggeloopen), etc. etc., met Clovis van koppen kloven, Buddha van boeten, Brama = Bram, etc. etc. etc.
  40. De vertaling kwam in 1872 in tlicht en C.I stierf den 22 Februarij 1873. Nemen we ook aan dat O. I reeds in 1890 met de vertaling bekend wás, dan ziet toch iedereen dat den man de kennis en de bekwaamheid om zulke geschriften, als van hem bestaan, op te stellen geenszins in zulk een kort tijdbestek konden zijn aangewaaid.