Jump to content

Jurjen N. Uitterdijk

From Oera Linda Wiki

Jurjen Nanninga Uitterdijk (Nanninga was zijn tweede voornaam), geboren te Horn, Groningen 1848 en overleed (na “zwaar ziels- en lichaamslijden”) te Oldebroek, Gelderland 1919. Hij was zoon van de doopsgezinde predikant Nanninga Uitterdijk (c.1809-1880) en studeerde theologie, later rechten te Groningen. Hij was procureur bij de arrondissementsrechtbank te Appingendam en vanaf 1873 archivaris van Kampen.

Hoewel er onder zijn vele publicaties over geschiedenis geen enkele is m.b.t. Oera Linda, speelde hij een rol in de vroege bestrijding van het geloof in de (eventuele) echtheid, door samen met Vinckers een lezing te houden op het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Maastricht op 24-26 augustus 1875. De teksten daarvan werden niet gedrukt en uitgegeven, zoals aanvankelijk wel was aangekondigd. Volgens het programma was Uitterdijks lezing getiteld “Over de geschied- en oudheidkundige bewijzen voor de onechtheid van het Oera Linda Bok”. Hij komt voor in de correspondentie tussen Ottema en L.F. Over de Linden, meestal genoemd in combinatie met Vinckers.

Tusschen 1873 en 1876 trad Nanninga Uitterdijk een jaar als redacteur der Kamper Courant op, waarin hij in die jaren verschillende artikelen schreef. Behalve archivaris was hij advocaat en procureur en in de Staats- en Handelswetenschappen leeraar aan de Hoogere Burgerschool en de Burger-Avondschool voor Handwerkslieden en Kantoorbedienden. (...) Toen in September 1895 Hare Majesteit de Koningin Kampen bezocht, werd hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau. [bron: levensbericht 1919; zie ook lijst der geschriften vanaf 1870 ald.]

In andere levensbeschrijving:

Later, rond 1909, was het tij gekeerd: , zijn taken als archivaris verwaarloosd. Alles, op het gebied van de middeleeuwen was weliswaar in orde maar het secretariearchief niet. Dat dit echter in de eerste plaats een taak was geweest van de gemeentesecretaris, raakte op de achtergrond. Thuis liep het voor Nanninga Uitterdijk ook niet op rolletjes. Zijn zoon [Johan J.N. (Jurjen Nanninga) Uitterdijk 1880-1942] was een briljant student maar belandde later vanwege krankzinnigheid in een gesticht te Ermelo. De dochter [Emma D. (Doetje) Uitterdijk 1883-1918; geh. (1) 1904 en gesch. 1908 hebbend een dochter van 3 jaar oud; geh. (2) 1911; op haar grafmonument staat ze vermeld als E.D. Themann-Nanninga-Uitterdijk — dus met de gefingeerde dubbele familienaam] overleed op 35-jarige leeftijd. (...) Hij heeft zeer veel historische onderzoeken en publicaties op zijn naam staan. Daarnaast was hij actief binnen de vrijmetselarij in Kampen en verzamelde hij oude en antieke voorwerpen. Deze collectie vormde later mede het begin van het Stedelijk Museum in Kampen. [bron: Stadsarchief Kampen]

  • JJK 70 - Op het XlVde Nederl. Taal- en Letterkundig Congres te Maastricht leverden dr J. Beckering Vinckers en mr J. Nanninga Uitterdijk resp. op taal- en geschiedkundige gronden bewijzen voor de onechtheid van het O.L.B. - Congresblad, Maastricht, 24-8-1875.
  • JJK 73 - Admiraal. Aart, - Ons veertiende congres V. - De Ned. Spectator 23-10-1875. [Over de lezingen van Vinckers en Uitterdijk].

Op het taalkundig congres te Maastricht in 1875 hield hij [Vinckers] samen met de rechtshistoricus J. Nanninga Uitterdijk een lezing over het onderwerp die hij uitwerkte tot het boekje dat in het voorjaar van 1876 het begin van het (voorlopig) einde van het Oera Linda-boek was: De onechtheid van het Oera Linda-bôk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven. [Jensma, De Gemasskerde God, blz. 170]

In correspondentie J.G. Ottema - Over de Lindens

In bijlage brief JG → Cornelis 16-9-1873 (stempel: 65)

In eene vergadering van het Friesch Genootschap, waar een gedeelte van het HS ter bezichtiging werd aangeboden, was de Heer Nanninga Uitterdijk tegenwoordig. Deze, het schrift beschouwende, zeide: “Dat HS kan niet uit de 13e Eeuw afkomstig wezen, want dan moest het in Latijnsch Monniken-schrift geschreven zjn.” De Vergadering liep toen juist ten einde, en er was geen tijd meer over om deze opmerking te bespreken.

LF → JG 29-8-1875

Wat heb ik sedert weken met verlangen uitgezien naar het verslag van hetgeen de HH. Beckering Vinckers en Nanninga Uitterdijk omtrent de bewijzen tegen de echtheid van het OLB, op het Congres te Maastricht, zouden te berde brengen; en wat ben ik teleurgesteld door den Verslaggever van de Nieuwe Rotterdammer, die niets meedeelt maar zich bij den aanhef al aanstonds doet kennen als een verklaard tegenstander, dien het bijna te veel is dat hij het punt aanroert en zijn afkeer van het HS op de grofste wijze aan den dag legt. De indruk van hetgeen over het OLB werd gesproken, was bij hem - en naar hij veronderstelde, ook bij de overige hoorders - dat men een geheel uur lang laauw water op de haarlooze hersenpannen van de hoorders had laten druppelen; en, zegt hij verder, wie daarna nog aan de onechtheid twijfelde, is niet te behelpen, zelfs niet te Meerenberg.  't Komt mij voor dat hij bij 't schrijven van het verslag nog onder den indruk van de druppels verkeerde. Akeliger verslag kon al moeyelijk gegeven worden. Maar wie zijn nu eigenlijk die HH Beckering Vinckers en Nanninga Uitterdijk. Omtrent den eerste hoorde ik vertellen dat hij alle europesche talen kent en van zijn grondige taalkennis zelf zoodanig overtuigd is dat hij daaruit den moed heeft geput om, eenige jaren geleden, in vier talen een werkje uit te geven als recensie op Engelsche geschriften, en daarin herhaaldelijk de engelsche taalgeleerden het verwijt naar het hoofd slingert, dat zij hun eigen taal niet kennen. 't Lijkt wel een kamper ui!  Ik geloof graag dat zo'n man binnen 't halfuur voorgoed de kwestie omtrent de al- of niet-echtheid van het OLB uitmaakt. Van den Heer Nanninga kwam ik geene bijzonderheden te weten. Beide heeren zullen U waarschijnlijk wel in hunne kwaliteit van geleerden bekend zijn. Wat ik wel eens weten wilde is, welk denkbeeld zulke menschen toch aan het HS vastknopen. In hun oog is 't bedrog; maar hoe lossen zij op wat door U reeds herhaaldelijk is gevraagd: door wien, wanneer en met welk doel werd dit gepleegd?

LF → JG 29-9-1875

De lust heeft mij bekropen, de HH Beckering Vinckers en Nanninga Uitterdijk te schrijven. Een brief, op scherpen toon, lag reeds voor verzending gereed, toen het mij raadzamer voorkwam een anderen weg in te slaan. Ik schreef toen volgens hierbijgaande kopie, en ontvang daarop heden de mede hierbij gaande missive van den Heer B. Vinckers. De man schijnt bijzonder knap te wezen en wijst zichzelf de eerste plaats aan onder de taalgeleerden. Kwesties, als die over de echtheid van 't OLB schijnen voor hem wissewasjes te zijn, doch in zijne schatting door anderen niet uit te maken. Zeer nieuwsgierig ben ik, wien zij als vervaardiger van het HS op 't oog hebben. 't Zal toch stellig iemand moeten zijn die een plaatsje op onze stamboom behoort in te nemen. Welke geleerde van voor eenige eeuwen dat zijn zal?  Ik hoop dat zij den naam zullen noemen, dan zijn ze er zeker het eerst aan toe een gek figuur te maken. Door algemeenheden zouden ze 't stellig ver kunnen brengen het HS heel verdacht te maken; maar door er een naam aan te verbinden van een of ander geleerde, dient ook alles bij nader onderzoek te strooken en te passen. Mogt het dan blijken dat zij te dien opzigte zich zeer vergist hadden, dan zijn ze ook voor al het overige het vertrouwen kwijt. (...) Dat ik gaarne verneem welken indruk de brief op U gemaakt heeft, behoef ik U stellig niet te verzekeren. Bij de terugzending houd ik mij aanbevolen dit te mogen vernemen.

LF → JG 1-1-1876

In bijgaande brieven van de HH N. Uitterdijk en Ds Haverschmidt zult U het nieuws vinden dat ik omtrent het OLB heb mede te deelen. (...) De brief van NU is kaaltjes; en mijn dadelijk gerezen vermoeden dat het hem zomin als Beckering Vinckers ernst was een afzonderlijk stuk over het HS in druk te doen verschijnen, schijnt bevestigd te worden, althans zag ik het tot heden niet aangekondigd.

JG → LF 6-1-1876

Heb dank voor de medegedeelde brieven van NU [Uiterdijk] en FH [Haverschmidt]. Ze gaan hiernevens terug. Van de laatste heb ik afschrift genomen om daarvan later gebruik te maken, naar gelang van omstandigheden.

LF → JG 7-1-1876

Mijn brief van 1 dezer, met ingesloten brieven van de HH Uitterdijk en Haverschmidt, is zeker door U ontvangen. (...)

Juist terwijl ik deze schrijf ontvang ik Uwe geëerde van gisteren met de brieven van Uitterdijk en Haverschmidt, en (...)

In het verslag omtrent het taal- en letterkundig Congres, door den Heer I.H. de Beer geleverd in de October-aflevering van het Leeskabinet, worden slechts 2 reges gewijd aan de vermelding van hetgeen de heren Beckering Vinckers en Nanninga Uitterdijk van het HS hebben verhaald. Hoe weinig plaatsen ook voor dit onderwerp werd ingeruimd, toch moest daarvan nog een gedeelte gebezigd worden door 't scheldwoord berucht. En waarom berucht?  Kwaad deed het boek toch niet; het verkondigt niets dan goeds. Of wordt het misschien zoo slecht bejegend door hen wier geweten bij het lezen op te harde proef wordt gesteld, of die bij de wetenschappelijke behandeling er van, welligt fiasco maakten?

JG → LF 24-6-1876

Wie zijn het, die den triomf van BV [Vinckers] en NU uitbazuinen, niemand anders dan zij zelve, met hun âme damnée [vervloekte geest] d.B. [betekenis afkorting?]

LF → JG 9-12-1876

En als uwe onderstelling omtrent de ligging der Linda oorden juist is, dan komen wij nog al digt bij Kampen. BV en NU konden dan nog wel eens een handje helpen om het een en ander in de nabijheid van Kampen op te duiken tot bevestiging van den inhoud van het HS. Voorlopig zal 't echter niet raadzaam zijn hen daartoe uit te noodigen. Het Urker kerkhof [te Kampen?] schijnt volgens de overlevering vroeger deel uitgemaakt te hebben van het eiland Urk.

LF → JG 25-12-1876

't Schijnt meer en meer te blijken dat N. Uitterdijk tamelijk onvoorbereid te werk gaat, als hij de geleerde lui gaat voorlichten. Als het waar is dat hij zich betrekkelijk de tijdrekening zoo zeer heeft vergist als uw schrijven opgeeft, dan verliest al wat hij verder mogt geven terstond het noodige vertrouwen. Ik heb vernomen dat BV voor eenige weken begonnen is aan het 2de stuk over de bestrijding van het OLB. 't Kon wel zijn dat de ...(?) ligtvaardigheid waarmede zijn medestrijder [Uitterdijk] te werk gaat ook de waarde van dit 2e stuk vermindert.

JG → LF 13-1-1877

Het verslag (of de Verslagen) van het Congres te Maastricht is eindelijk in het licht verschenen. Doch daarin komen de redevoeringen van de HH BV [Vinckers] en NU [Uitterdijk] niet voor. In de plaats daarvan staat er slechts: “De Voorzitter geeft het woord aan den Heer BV om te spreken over het O.L.Boek. Dit stuk wordt hier niet medegedeeld, omdat het door den spreker is terug genomen.” Is dat niet prachtig? De Heeren kruipen in de schulp! Wij houden het er voor, dat dit wel niet zonder eene wenk van het congres-bestuur en de redactie van het Verslag geschied is.

JG → LF 27-2-1877

De twee beroemde letterkundigen zijn nog altoos de firma BV [Vinckers] en NU [Uitterdijk]. De bedreiging: wij zullen den man noemen wordt van tijd tot tijd herhaald, omdat zoo lang zij geen noemen, zij ook niet behoeven te bewijzen, toch hun doel bereiken dat het volk in den waan blijft, dat er zulk een man bestaat of bestaan heeft. [enz.]

JG → LF 24-4-1877

Als ik een raad mag geven, dan zeg ik: houd deze ammunitie nog wat in het magazijn, totdat er eene attaque op den inhoud van het OLB geschiedt, bij voorbeeld, als NU [Uiterdijk] soms nog eens weer komt opdagen, of iemand anders eene poging waagt om het fort Mythologie te bestormen.

JG → LF 10-6-1877

Of NU [Uitterdijk] iets in 't schild voert, kan ik niet gewaar worden.