Jan B. Vinckers
Jan Beckering Vinckers (1821-1891, ‘Beckering’ was zijn tweede voornaam) was leraar aan het gymnasium en de HBS te Kampen, toen hij in 1876 resp. 1877 zijn pamfletten schreef ter bestrijding van de Oera Linda (zie onder).
Vanaf 1879 mocht hij zich van de universiteit Utrecht doctor in de Letteren noemen — honoris causa, dus zonder proefschrift te hebben geschreven — en in 1885 werd hij hoogleraar Engels te Groningen. Eerder was hij particulier onderwijzer voor een familie Van Harinxma thoe Slooten.
Uit zijn eerste huwelijk (Zwartsluis 1856) met Jentje Westenbrink Meijer (1832-1871) werden in 14 jaar 11 kinderen geboren, waarvan de zevende levenloos. Zijn tweede huwelijk (Medemblik 1876) was met Frederika W. Boom (1837-1909), een weduwe met drie kinderen, van wie hij zou scheiden ‘van tafel en bed’ (wanneer is onbekend).
In 1898 kochten zes van zijn nog levende kinderen het recht om de door hun vader geveinsde dubbele achternaam te mogen voeren, te weten: Catrina (1857-1940), Johannes M. (1860-1935), Harco (1862-1934), Jan-Albert (1864-1906), Roelof (1867-1943) en Jan-Alexander (1868-1946).
Eén dochter, Geertruida Vinckers (1866-1958), gehuwd met de Friese predikant Steffen Douwes Bartstra (1861-1945) en wonend in Nederlands Indië, deed dat niet. Dit echtpaar had een jaar eerder hun eerste zoon Friso Adeling genoemd (duidelijk vernoemd naar Oera Linda).
Een achterkleindochter van Jan Vinckers (kleindochter van voornoemde Harco), te weten Cornelia Woldt, geb. Beckering Vinckers (1929) zou in 2013 afstand nemen van de door haar overgrootvader gevoerde strijd tegen Oera Linda en Cornelis Over de Linden, in een brief aan de Duitse OL-onderzoeker Harm H. Menkens (bron).
J.B. Vinckers komt veel ter sprake in de briefwisseling tussen Ottema en de Over de Lindens (meestal als “B.V.”).
[Genealogische details in blogpost Jan Vinckers and the illusion of authority.]
Publicaties m.b.t. Oera Linda
- JJK 84 Vinckers, J.B. - De onechtheid van het Oera Linda-Bôk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven - uitg. Erven F. Bohn, Haarlem - 64 blz versie Tresoar 2005).
- JJK 143 (PDF) Vinckers, J.B. - Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven? - uitg. Laurens v. Hulst, Kampen - 80 blz.
- JJK 189a (was 188) Vinckers, J.B. - ’t Einde der Historie en nog wat - in: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 25-2-1878.
Direct gerelateerd: o.a. JJK 93-94, 108, 137, 144, 154, 156-157, 161-163, 168-169, 177.
In Brieven J.G. Ottema en L.F. Over de Linden (selectie)
JG → LF 3-10-1875:
Heb dank voor uwe mededeelingen aangaande uwe familie, en vooral voor de lektuur van den brief van B.V. [Beckering Vinckers], dien ik ook aan den Heer Kuipers heb laten lezen. Wij hebben er hartelijk om gelachen. Gij hebt volkomen gelijk dat een man die op grond van de spraakregelen der vergelijkende taalphilosophie der Indogermaansche talen uit het Sanskrit, de Engelsche taalgeleerden verwijt, binnen 't halfuur op diezelfde gronden de kwestie omtrent de echtheid van het OLB voor goed uitmaakt. Maar als de Engelsche taalgeleerden en schrijvers hunne taal niet kennen, dan is het natuurlijk dat de schrijvers van het OLB, die geene taalgeleerden waren, en zelfs op school geene grammatika geleerd hadden, hun Friesch niet volgens de spraakphilosophie van B.V. konden schrijven. Ja, als zij dat hadden kunnen doen, zou dit het grootste bewijs voor de onechtheid dier geschriften zijn, dewijl zij dan leerlingen van de Kamper H[ogere] B[urger] School geweest waren. Verzoek den Heer B.V. dat hij eene bladzijde uit het OLB overbrenge in den vorm dien het Friesch b.v. in de 3e Eeuw v.C. moet gehad hebben.
LF → JG 5-3-1876:
Berk is een oud-leerling van den Hr. Beckering Vinckers, met wien hij zeer veel op heeft en wiens bekwaamheid zeer hoog door hem worden geschat. Op grond daarvan is hij met den Hr. BV in briefwisseling getreden nadat hij diens brief aan mij had gelezen. [enz.]
JG → LF 23-3-1876:
De Heer Beckering Vinckers heeft een poging gedaan om zijn stuk bij den Heer Kuipers te laten uitgeven, maar deze heeft het krachtig geweigerd.
LF → JG 3-5-1876:
De inhoud van dat latijn [nl. voorkomend in Ottema's Aanteekeningen] zal mij echter minder verrassen, dan u verrast zult worden door den inhoud van twee brieven van den Heer Beckering Vinckers die ik in afschrift hierbij voeg, onder uitdrukkelijke voorwaarde dat daarvan door U geen gebruik gemaakt mag worden en daarop ook niet mag worden gezinspeeld. (enz.)
LF → JG 13-5-1876:
Oordeelt U een taalkundig proces met BV nog noodig, en denkt U nog iets te doen. Mij dunkt u moet het niet te zwaar opnemen, want ik geloof dat hij taai en ongemanierd is.
JG → LF 23-5-1876:
Tevens vond ik op mijne tafel een exemplaar van de brochure van B.Vinckers. Dat alles moet ik nu bestudeeren. Doch al dadelijk kan ik u doen opmerken, dat alle onzin die er door Leendertz, B.V. en N.Uiterdijk geschreven is, daarvandaan komt, dat zij mijne Aanteekeningen en ons beider schrijven aan de Koninklijke Akademie niet gelezen hebben, of te kwader trouw ignoreeren. Daarom is al hun geschreeuw geen antwoord waardig, en hoe harder zij schreeuwen, des te eerder zullen zij zelve zich doodgeschreeuwd hebben. B.V. beschuldigt L [Leendertz] reeds van onkunde. Zoo moet het komen! Laat de aanvallers maar onderling gaan vechten, dan zijn wij eraf. Hoe doller hunne beweeringen worden, des te beter, want dol is de beweering van B.V. dat uw vader het boek zelf zou geschreven hebben of hebben kunnen schrijven. E. Verwijs is de eerste, die de onmogelijkheid daarvan kan betuigen, als hij eene verklaring wil geven.
JG → LF 24-5-1876:
B. Vinckers beweert dat de taal der O.fr, wetten met de o.fr. spraakkunst overeenstemt, ('t gene niet eens opgaat zonder veele uitzonderingen en onregelmatigheden aan te nemen) doch wat is het geval? De spraakleer van (Richthofen) Rask en Hettema is getrokken uit en gebaseerd op de oud Friesche wetten. Zij is daarom op het OLB even min toepasselijk als de spelling van Siegenbeek of te Winkel of de spraakleer van Weiland of Brill, op de werken van Maerlant of Melis Stoke.
LF → JG 11-6-1876:
Beckering Vinckers schreef deze week a/d hr Berk dat hij bij de feesten te Kampen den Generaal Majoor Engelbregt heeft gesproken die verklaard had het OLB met het grootste genoegen gelezen te hebben. BV heeft hem daarop zijne brochure ter lectuur gegeven en het verslag van de Maastrichtsche vergadering toegezegd. Engelbr., die te 's Hage woont, heeft van zijn kant beloofd de gewenschte inlichtingen bij het Departement van Marine op te diepen omtrent diensttijd, bevordering, enz. van mijn vader. — BV zou het onvergeeflijk achten wanneer een man, die zooveel bekwaamheden bezat, zichzelf vormde, zooveel eigene denkbeelden ontwikkelde, zoo maar onder den grooten hoop zou wegraken en ongenoemd zou blijven in de wetenschappelijke wereld. — Nu wordt hij gemoedelijk. (...) U hebt het zeker beter geoordeeld mijn opstelletje tegen BV niet te drukken. In dit geval zoude ik het gaarne bij gelegenheid terugontvangen omdat ik er geen afschrift van bezit.
LF → JG 29-6-1876:
[Hr. Berk] kan 't zich maar niet als waarheid voorstellen dat BV, zooals U beweert, de Oudfriesche taal niet kent. (...) De brochure van BV ligt hier bij de boekhandelaars voor het glas uitgestald en daar ligt niets van de tegenpartij naast.
LF → JG 29-9-1876:
Van de voorberigten heb ik nog niet veel gebruik gemaakt omdat ik het niet gewenscht acht dat de Hr BV de noot aan zijn adres [...] vóór de verschijning van de 2e druk leest. Om die reden heb ik het voorberigt ook nog niet aan de Hr. Berk laten lezen. BV zal er stellig niet meê in zijn schik zijn en bij 't lezen misschien opspringen alsof er een dynamietpatroon onder hem ontploft. Hij zal er een aardig mondje op opendoen.
LF → JG 19-10-1876:
De amsterdamsche papiermensen zullen toch niet erg op hun gemak zijn als zij het Voorberigt geslikt hebben, en BV — wiens voorgenomen huwelijk den 22 dezer de eerste afkondiging geschiedt — zal na afloop der drukte zich zeker niet onbetuigd laten en de pijlen genoegzaam scherpen om bij het treffen des mogelijk te wonden. Dat brengt zijn karakter meê.
JG → LF 2-11-1876:
Van de buitenwacht is mij gerapporteerd, dat BV [Beckering Vinckers] nu wil beweeren dat uw vader zelf het onbegrijpelijk genie zoude geweest zijn, die een boek maakte in een letterschrift, dat hij zelf niet konde lezen en in eene taal die hij zelf niet verstond.!!
LF → JG 9-12-1876:
De oppositie zwijgt tot heden, maar ik geloof toch niet dat zij plan heeft dit te blijven doen. BV heeft het waarschijnlijk te druk gehad met trouwen, en met het metalleren van zijn vrouw en het zeer talrijk gezin. Hij is er de man niet naar om te blijven zwijgen, vooral niet nadat de door U cadeau gemaakte noot aan zijn adres is teregt gekomen en waaschijnlijk niet naar zijn smaak is bovendien.
LF → JG 25-12-1876:
Ik heb vernomen dat BV voor eenige weken begonnen is aan het 2de stuk over de bestrijding van het OLB. 't Kon wel zijn dat de ...(?) ligtvaardigheid waarmede zijn medestrijder te werk gaat ook de waarde van dit 2e stuk vermindert.
JG → LF 13-1-1877:
Het verslag (of de Verslagen) van het Congres te Maastricht is eindelijk in het licht verschenen. Doch daarin komen de redevoeringen van de HH B.V. [Beckering Vinckers] en N.U. [Nanninga Uitterdijk] niet voor. In de plaats daarvan staat er slechts: "De Voorzitter geeft het woord aan den Heer B.V. om te spreken over het O.L.Boek. Dit stuk wordt hier niet medegedeeld, omdat het door den spreker is terug genomen.
Is dat niet prachtig? De Heeren kruipen in de schulp!
Wij houden het er voor, dat dit wel niet zonder eene wenk van het congres-bestuur en de redactie van het Verslag geschied is.
JG → LF 27-2-1877:
De twee beroemde letterkundigen zijn nog altoos de firma B.V. [Beckering Vinckers] en N.U. [Nanninga Uitterdijk]. De bedreiging: wij zullen den man noemen wordt van tijd tot tijd herhaald, omdat zoo lang zij geen noemen, zij ook niet behoeven te bewijzen, toch hun doel bereiken dat het volk in den waan blijft, dat er zulk een man bestaat of bestaan heeft. Maar zoodra zij een of anderen naam noemen, moeten zij bewijzen: [enz.]
JG → LF 3-3-1877:
Wat zegt gij wel nu BV [Beckering Vinckers] au bout de son latin, uw vader als den vervaardiger van het OLB aankondigt. Dan is uw vader het grootste genie geweest dat Europa heeft opgeleverd. [enz.]
LF → JG 10-3-1877:
Eindelijk komt dan toch BV voor den dag met zijne mededeeling waarmede hij reeds zoo lang gedreigd heeft. Hij heeft er lang mee getalmd, naar ik onderstel omdat hij overtuigd was van de zwakheid der gronden voor zijn betoog. Zeker hebt U gelijk met te zeggen, dat mijn vader een buitengewoone geest moet geweest zijn wanneer de bewering van BV waarheid bevat. Daaraan geloof ik echter evenmin als U en ik vermeen in dat geval geen minder gezag te hebben van BV. [enz.] Ik zie er dan ook niet veel bezwaar in het geleuter van BV en van Dyserinck te beantwoorden. 't Staat bij mij vast dat BV niets dan bloote onderstellingen kan bijbrengen en Dyserinck evenmin. Aan bewijs ontbreekt het hun ten eenenmale. Welnu, dan behoeft het tegengeschrift geen studie te kosten en acht ik mij wel in staat het op te stellen. Ik zie reeds verlangend naar het te bestrijden stuk uit. Want als hunne beweringen zijn teniet gedaan, treedt het boek weêr een nieuw leven in en kunnen de bestrijders hun eigen neus eens bekijken.
LF → JG 22-3-1877:
Gisteren avond ben ik in 't bezit gekomen van het 2de stuk van BV. Ik vertrouw dat U het ook reeds zult hebben ontvangen, het stuk vol leugens en halve waarheden, overvloeijende van beleedigingen, niet ter zake dienende uitdrukkingen, onbescheiden in de hoogste mate, mij voorstellende als een sul, een onnoozele hals, die met zich laat spelen als de kat met de muis, voortlevende als een plant zonder bewustzijn van hetgeen in de naaste omgeving voorvalt, doof en blind voor alles; een allerongelukkigst figuur; een voorwerp uitermate geschikt om het bij de straatdeur te leggen en er de vuile voeten op schoon te vegen. [enz.] (...) Voor 't oogenblik ben ik te opgewonden om mij met eene geregelde beantwoording te kunnen bezighouden, doch zal er zoo spoedig mogelijk aan beginnen en inmiddels in een der Couranten herhalen wat reeds in mijne ingezonden artikel in de N.R. [Nieuwe Rotterdammer] Courant is vermeld, dat ik BV zal beantwoorden en de nietigheid der bewijzen in zijn slecht geschreven stuk zal aantasten. [enz.]
LF → JG 29-3-1877:
't Deed mij zeer veel genoegen uit uw laatste schrijven te bespeuren dat ook U de kwestie omtrent de herkomst van het HS op verre na niet uitgemaakt acht door de laatste brochure van BV. Blijkens 't hierbij gevoegde uitgeknipte berigt heb ik in de H. en N. Courant het publiek voorbereid op mijn protest. 't Treft zeer slecht dat ik door veel werk van 's Rijks werf zoo weinig gelegenheid heb er iets aan te doen. (...) De hulponderwijzer Jansen, in de boeken van BV genoemd, zal in een onderhanden zijnd geschriftje protesteren tegen het misbruik maken van zijn brief aan BV. — Deze heeft alleen datgene uit den brief doen afdrukken wat voor zijn betoog geschikt was, doch weggelaten wat daarmede in strijd zoude wezen. Er zijn hier maar weinige personen die geloof slaan aan BV's beweringen, hoezeer toch enkele voorstanders aan 't wankelen zijn gebragt. Als de storm wat bedaard is en zij zijn opmerkzaam gemaakt op de onvoldoendheid der bewijzen, dan verandert dat zeker ook wel weer.
LF → JG 18-4-1877:
Hierbij heb ik het genoegen U aan te bieden, wat ik tegen het geschrijf van BV opteekende. (...) Evenals BV, heb ik op 't einde een résumé gegeven, dat geschikt is om in de Couranten te worden afgedrukt bij het verschijnen van de brochure, zoo als met het laatste stuk van BV is geschied. 't Publiek dat geen geld heeft om zich door aanschaffing van alles wat op 't OLB betrekking heeft, op de hoogte te houden, wordt dan toch eenigermate met den stand der zaak bekend.
LF → JG 23-4-1877:
't Doet mij genoegen uit uw schrijven van 22 dezer te vernemen dat mijn geschrijf tot weerlegging van BV's beweringen uwe goedkeuring kon verwerven. 't Spijt mij evenwel dat u bezwaar meent te moeten maken tegen de inleiding en tegen de toevoeging van de studie van den Heer Berk.
JG → LF 19-1-1878:
Wordt onze correspondentie misschien op het Postkantoor onderschept? De Directeur hier, Ilpsema Vinckers is, meen ik, een broeder van den Kamper BV.