S1 Overwijn
Deel II. Vervolg door Oera Lindas
S. Frethorik
- 1. Tweede Erge Tijd
- 2. Friso’s Vloot Legt Aan
Overwijn 1951
[111] (De geschriften van Frethorik en Wiljo)
Mijn naam is Frethorik bijgenaamd „Oera Linda”, dat wil zeggen „Over de Linden”. Te Ljudwarda ben ik tot Asega gekozen. Ljudwardja is een nieuw dorp, binnen de ringdijk van de burcht Liudgarda, waarvan de naam in oneer is gekomen. In mijn tijd is er veel gebeurd. Veel had ik daarover geschreven, maar naderhand is mij nog veel gemeld. Van een en ander wil ik een geschiedenis achter in dit boek schrijven, de goede mensen tot eer, de slechte tot oneer.
In mijn jeugd hoorde ik alom klachten: Er zou een boze tijd komen, er was een kwade tijd gekomen, Frya had ons verlaten, zij bad haar waakmeisjes achterwege gehouden, want er waren afgodische beelden binnen onze landspalen gevonden. Ik brandde van nieuwsgierigheid om die beelden te bekijken. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, dat altijd riep over de boze tijd. Ik trok haar opzij. Zij streek mij om de kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de boze tijd en de beelden eens wilde laten zien. Zij lachte goedaardig en bracht mij op de burcht. Een grijsaard vroeg mij of ik al kon lezen en schrijven. Nee, zei ik. Dan moet je eerst eens gaan leren, zei hij, anders mag het je niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij de schrijver leren. Acht jaar later hoorde ik, dat onze burchtvrouw ontucht had bedreven en dat sommige burchtheren verraad hadden gepleegd met de Magy. En veel mensen waren op hun kant. Overal kwam tweedracht. Er waren kinderen, die opstonden tegen hun ouders. In het geheim werden de oppassende mensen vermoord. Het oude vrouwtje, dat alles bekend maakte, werd dood gevonden in een greppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. ’s Nachts werd hij in zijn huis vermoord. Drie jaar later was de Magy meester zonder strijd. De Saksen waren betrouwbaar en oppassend gebleven. Naar hen vluchtten alle goede mensen. Mijn moeder bestierf het. Toen deed ik als de anderen.
De Magy boogde op zijn slimheid. Maar Irtha zou hem tonen, dat zij geen Magy noch afgoden kon toelaten tot de heilige schoot, waaruit zij Frya baarde, Evenals het wilde ros zijn manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras heeft geworpen, zo schudde Irtha haar wouden en bergen. Rivieren werden over de velden verspreid. De zee kookte. Bergen spuwden hun vuur hemelhoog en wat zij gespuwd hadden, slingerden de wolken weer op aarde. In het begin van Arnemaand (Oogstmaand) neigde de aarde naar het Noorden en zeeg al lager en lager neer. In de Wolvenmaand (Wintermaand) lagen de lage marken van Fryaland onder de zee bedolven. De wouden, waarin beelden waren, werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam er vorst in de Hardemaand (Louwmaand) en legde het oude Fryaland onder een ijskorst. In Sellemaand (Sprokkelmaand) kwam er stormwind [113] uit het Noorden en voerde bergen van ijs en stenen mee. Toen de lente kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Er kwam ebbe en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne- of Minnemaand (Bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met een maagd op de burcht Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit! De wouden van de Lindaoorden waren meest weg. Waar de Ljudgaarde geweest was, was zee. De golfslag zweepte de ringdijk. Het ijs had de toren vernield en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van de dijk vond ik een steen, Onze schrijver had daarin zijn naam gegrift, dat was mij een baken. Gelijk het met onze burcht gegaan was, zo was het ook met de andere gegaan. In de hoge landen waren zij door de aarde, in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryaburcht op Techelland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat ten Noorden had gelegen, was onder zee, nóg is het niet boven gebracht. Aan deze kant van het Vliedmeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al waren weggedreven. Te West-Vliedland vijftig. De gracht, die van het Aldega (Hensbroek) dwars door het land gelopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander varensvolk, die thuis waren, hadden zich op hun schepen gered met magen en bloedverwanten. Maar het zwarte volk van Lydaburcht en het Alkmaar had hetzelfde gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts afdreven, hadden zij vele meisjes gered en doordat niemand kwam, om ze op te eisen, hielden zij ze als hun vrouwen. De mensen, die terugkwamen, ginzen allen binnen de ringdijken van de burchten wonen, omdat het daarbuiten louter slib en moerasland was. De oude huizen werden op een hoop gegooid. Van de bovenlanden kocht men koeien en schapen en in de grote huizen, waar tevoren de maagden gevestigd waren, werd nu laken en vilt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland was verzonken.
In 282 jaar hadden wij geen Eremoeder gehad en nu alles verloren scheen, ging men er een kiezen. Het lot viel op Makanto bijgenaamd Goza. Zij was burchtmaagd op Fryaburcht te Techelland (Texel). Helder van hoofd, klaar van zin en heel bekwaam en omdat alleen haar burcht gespaard was, zag iedereen daaruit haar roeping. Tien jaar later kwamen de zeelieden van Forana en van Lydaburcht. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw en kind het land uit drijven. Daarover wilden zij de raad van de Moeder inwinnen, Maar Goza vroeg : kunt gij die allen terugvoeren naar hun landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij hun bloedverwanten niet meer terugvinden, Nee, zeiden zij. Toen zeide Goza: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten, Hun lijf en leven hebben zij onder uw hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart onderzoeken. [115] Maar ik wil U een raad geven. Houdt hen, totdat gij in staat zijt, om hen weer naar huis te brengen. Maar houdt hen uit de buurt van uw burchten. Waakt over hun zeden en onderwijst hen alsof zij Frya’s zonen waren, Hun vrouwen zijn hier de sterksten, Als rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatste niets anders dan Fryabloed in hun nakomelingen zal overblijven. Toen zijn zij hier gebleven. Nu wenste ik wel, dat mijn nakomelingen er op zouden letten in hoeverre Goza waarheid sprak.
Toen onze landen weer begaanbaar waren, kwamen er benden arme Saksen en hun vrouwen naar de oorden van Staveren en het Aldega, om gouden en andere sieraden te zoeken in de drassige bodem. Maar de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen zij de ledige dorpen bewonen te West-Vliedland (West Friesland), om in ’t leven te blijven.
Nu wil ik schrijven hoe de Geermanen en vele volgelingen van Hellenia terugkwamen.
Twee jaren nadat Goza Moeder werd, kwam er een vloot het Vliedmeer binnenvallen. Het volk riep: „Ons Eigen”. Zij voeren naar Staveren, daar riepen zij het nog eens. De banieren waren in top en ’s nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was, roeiden er enkelen met een snik de haven in, zij riepen weer: „Ons Eigen”. Toen zij landden, wipte een jonge kerel de wal op. In zijn handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd, Na hem kwam een oudere man, hij zei: Wij komen van de verre Krekalanden, om onze zeden te bewaren. Nu zouden wij willen, dat gij zo vriendelijk zoudt zijn, om ons zoveel land te geven, dat wij daarop kunnen wonen. Hij vertelde een hele geschiedenis, die ik hierna beter kan beschrijven. De ouderen wisten niet wat te doen, zij zonden overal boden heen, ook naar mij. Ik ging heen en zei: nu wij een Moeder hebben, behoren wij haar raad te vragen. Ikzelf ging mee. De Moeder, die alles reeds wist, zei: laat hen komen, dan kunnen zij ons land helpen behouden, maar laat hen niet op één plek blijven, opdat zij ons niet de baas worden. Wij deden zoals zij gezegd had. Dat was best naar hun zin. Friso bleef met zijn lieden te Staveren, dat zij weer tot een zeestad maakten, zo goed zij konden. Wichhirte ging met zijn lieden Oostwaarts naar de Eemsmond (Embden). Sommigen der Ioniërs, die meenden dat zij van het Aldegavolk waren gesproten, gingen daarheen (Hensbroek). Een klein deel, dat meende, dat hun voorvaders van de Zeven Eilanden (Bretagne) kwamen, gingen zich nederzetten binnen de ringdijk van de burcht Walhallagara.
R6 Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ S3 Overwijn