Jump to content

R6 Overwijn

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

R. Apollania

6. Verslag Apollania
De Burg Ljudgaarde
Langs de Rijn

Overwijn 1951

[103] Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijn burcht en dan over wat ik heb kunnen zien.

Mijn burcht (Lügardenn) ligt aan ’t noordeinde van de Tüdliorzu (Volkstuinen, Ljudgaarden). De toren heeft zes kanten, Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven, Een klein huisje staat erop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere kant van de toren slaat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven voet, en even hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Alles is van eigengebakken steen, en het buitenwerk is niet anders. Om de burcht heen is een ringdijk en daaromheen een gracht, diep: driemaal zeven en breed: driemaal twaalf voet. Kijkt iemand boven van de toren naar beneden, dan ziet hij de gedaante van het Jol. Op de grond tussen de zuidelijke huizen, zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten de maagden de krachten leren kennen. Tussen de noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koren en andere benodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der burchtvrouw. In de toren hangt de eeuwige lamp. De wanden van de toren zijn versierd met kostbare stenen. Binnenop de zuidwand is de Tekst gegrift. Aan de rechterzijde daarvan vindt men de ‘Oudste Leer’, aan de linkerkant de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen de dijk aan, bij het huis van de burchtvrouw, staat de oven en de meelmolen, door vier buffels rondgetrokken. Buiten onze burchtwal is de woonplaats voor de burchtheren en de weermacht. De ringdijk daaromheen is een uur groot, niet een zeemans- maar een zonneuur, waarvan er tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van de dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin, Daarop zijn drie honderd kraanbogen, bedekt met hout en leer, Behalve de huizen van de inwoners zijn daarbinnen langs de dijk nog driemaal twaalf noodhuizen voor de omwonenden. Het veld dient tot kamp en tot wei. Aan de Zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Tüdliorz (Ljudgaarde) omringd door het grote Lindawoud. Zijn vorm is driehoekig, met de brede kant naar buiten, opdat de zon erin kan schijnen. Want daar zijn veel buitenlandse bomen en bloemen, door de zeevaarders meegebracht. Zoals de vorm van onze burcht is, zo zijn alle andere, maar onze burcht is de grootste. De allergrootste is die van Techel. De toren van Frya burcht is zo hoog, dat hij tot de wolken reikt en in evenredigheid met de toren is al het overige.

Bij ons op de burcht is het zó verdeeld. Zeven jonge maagden waken bij de lamp. Iedere waak is drie uur. In de overige tijd moeten zij huishoudelijk werk doen, leren en slapen. Hebben zij zeven jaar gewaakt, dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de mensen gaan, om op hun zeden te letten en raad te geven. Is er een drie jaren maagd geweest, dan mag zij soms met de oudere maagden meegaan.

[105] De schrijver moet de meisjes leren lezen, schrijven en rekenen, De grijsaards of graven (grietmannen) moeten hun recht en plicht, zadenkunde, kruidkunde en heelkunde leren, geschiedenissen, vertellingen en liederen, benevens allerhande dingen, die zij nodig hebben om raad te geven, De burchtvrouw moet hun leren, hoe zij daarmee te werk moeten gaan bij de mensen.

Voordat een burchtvrouw haar plaats inneemt, moet zij een vol jaar door het land reizen. Drie oudere burchtheren en drie oudere maagden gaan met [107] haar mee. Zo is het mij ook gegaan. Mijn reis is langs de Rijn geweest, deze oever op en langs de andere oever naar beneden. Hoe hogerop ik kwam, des te armer schenen mij de mensen toe. Overal in de Rijn had men kribben gemaakt. Het zand dat daartegen aankwam, werd met water over schaapsvachten gegoten om goud te winnen. Maar de meisjes droegen daarvan geen gouden kronen. Voorheen waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland missen, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van maken. Boven de Rijjn tussen het gebergte, daar heb ik Marsaten (Morsétu) gezien. De Marsaten, dat zijn mensen die op de meren wonen. Hun huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wilde gedierte en de boze mensen. Daar zijn wolven, beren en zwarte, afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de buren of aangrenzenden van de heinde (dichtbije) Krekalanden van de Kelten en van de verwilderde Heidelanders allen begerig naar roof en buit. De Marsaten voorzien in hun onderhoud door vissen en jagen. De huiden worden door de vrouwen klaargemaakt en bereid met berkenschors, de kleine huiden zijn zo zacht als vrouwenvilt. De burchtvrouw te Nieuwe Fryaburcht zeide ons, dat zij goede, eenvoudige mensen waren. Maar had ik haar dat niet vooraf horen zeggen, dan zou ik hebben gemeend, dat zij geen Fryavolk waren, maar wilden, zo woest zagen zij er uit. Hun vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers naar buiten gebracht. Langs de andere kant van de Rijn was het evenzo tot aan Lydaburcht (Leiden) toe. Daar was een grote vliet. Op deze vliet waren ook mensen, die huizen op palen hadden. Maar dat was geen Fryavolk. Het waren zwarte en bruine mensen, die gediend hadden als roeiers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij moesten daar blijven, totdat de vloot weer vertrok.

Ten laatste kwamen wij te Aldega. Bij het zuiderhavenhoofd staat de Waraburcht, (Hensbroek) een stenen gebouw. Daarin worden allerlei schelpen, horens, wapens en kleren van verre landen bewaard, door de zeelieden meegebracht. Een kwartier daarvandaan is het Aldega. Een grote vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In die vliet lag een grote vloot gereed, met banieren van allerlei kleur. Op Fryadag hingen de schilden om de boorden heen. Sommige schitterden als zonnen. De schilden van de zeekoning en de schouten-bij-nacht waren met goud afgezet. Achter die vliet was een gracht gegraven, die vandaar voortliep langs de burcht Forana (Vroonen) en dan met een nauwe monding in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Vlie de ingang. Aan beide kanten van de gracht zijn mooie huizen in heldere, frisse kleuren geschilderd, De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind, Ik heb daar vrouwen gezien, die vilten tunica’s [109] droegen, alsof het schrijfvilt was. Evenals te Staveren hadden de meisjes gouden kronen op het hoofd, met ringen om armen en voeten. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmaar. Alkmaar is een mare of meer (vliet,) daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine mensen verwijlen, evenals te Lydaburcht. De burchtmaagd van Forana zei mij, dat de burchtheren dagelijks naar hen toegingen om hun te leren, wat echte vrijheid is en hoe de mensen in der minne behoren te leven om zegen te verkrijgen van Wr.alda's geest. Was er iemand, die wilde horen en kon begrijpen, dan werd hij gehouden totdat hij volleerd was. Dat werd gedaan om de buitenlandse volkeren wijs te maken en om overal vrienden te winnen. Voorheen was ik in de Saksenmarken op de burcht Draviksorevoorde (Mannaoreforda) geweest, maar daar had ik meer armoede gezien dan ik hier rijkdom bespeurde. Op een vraag antwoordde zij: als in de Saksenmarken een vrijer een meisje komt vrijen, dan vragen de meisjes daar, kun je je huis vrijwaren tegen de verbannen Heidelanders? Heb je er nog geen verslagen? Hoeveel buffels heb je al gevangen en hoeveel beren- en wolvenhuiden heb je al op de markt gebracht? Daarvan is het gekomen, dat de Saksenmannen de landbouw aan de vrouwen hebben overgelaten en dat er van de honderd bij elkaar niet één kan lezen of schrijven. Daarvan is het gekomen, dat niemand een spreuk op zijn schild heeft, maar alleen de wanstaltige gedaante van een dier, dat hij heeft geveld. En tenslotte, daardoor is het gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig zijn geworden, maar bijna even dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Heidelanders, die zij beoorlogen. Voor Fryavolk is aarde en zee geschapen, Al onze rivieren lopen in zee uit. Het Lydavolk en het Findavolk zullen elkander verdelgen en wij moeten de ledige landen bevolken. In het uit- en rondvaren ligt ons heil. Wil je nu, dat de bovenlanders deel hebben aan onze rijkdom en wijsheid, dan zal ik je een raad geven. Laat het de meisjes tot een gewoonte worden om hun vrijers te vragen, voor zij ja zeggen: waar heb jij al in de wereld rondgevaren? Wat kun jij je kinderen vertellen van verre landen en van verre volkeren? Doen zij dat, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen niet langer behoefte hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij mij waren, kwam van de Saksenmarken. Toen wij nu thuis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar burchtvrouw geworden en daardoor is het gekomen, dat er heden ten dage zoveel Saksen bij onze zeelieden varen.

(Einde van Apollansa's Boek)

Navigeer

R4 Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ S1 Overwijn