Nl 16a Sloten en Dijken

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    16a. Sloten en Dijken

    [143] Mijn vooroudershebben beurtelings geschriften aan dit boek toegevoegd. Ook ik wil dit doen, vooral omdat er in mijn gewest geen burcht meer over is, waar gebeurtenissen worden opgeschreven, zoals voorheen. Mijn naam is Koneréd, mijn vader’s naam was Fréthorik en mijn moeder’s naam Wiljow. Na vader’s dood ben ik als zijn opvolger verkozen en toen ik 50 jaar was koos men mij tot hoogste Graaf.

    Mijn vader heeft beschreven hoe de Lindewaarden en de Ljudgaarden verloren gingen. Lindehiem is nog steeds weg, de Lindewaarden voor een deel. De noordelijke Ljudgaarden zijn door de zoute zee overspoeld en bruisende golven likken de ringdijk van de burcht.

    Zoals vader vermeldde, zijn de haveloze mensen aan de slag gegaan met de bouw van huisjes binnen de ringdijk van de burcht. Daarom wordt de nederzetting nu Ljudwaard genoemd. (De stuurlui zeggen Ljuwerd, maar dat is slordig taalgebruik.)

    In mijn jeugd was het overige land, dat buiten de ringdijk ligt, allemaal nat en brak. Maar Frya’s volk is zorgvuldig en vlijtig. Ze worden niet moe of radeloos wanneer ze een helder doel voor ogen hebben. Door sloten te graven en dijken te maken van de grond uit de sloten, hebben we weer een goed stuk land buiten de ringdijk, dat eruit ziet als een paleistuin, met een afmeting van drie [144] grenspalen oost-, zuid- en westwaarts.

    Terwijl ik dit schrijf zijn we bezig palen te heien voor een haven en tevens om onze ringdijk te versterken. Als dit werk klaar is zullen we struurlieden in dienst nemen.

    In mijn jeugd was alles hier vervallen, maar tegenwoordig zijn de hutjes vervangen door huizen die in rijen staan. Schaarste en gebrek die hier samen met armoede binnen waren geslopen zijn door vlijt naar buiten gejaagd.

    Hiervan kan iedereen leren, dat Wralda, onze alvoeder, al zijn schepselen voedt, zolang ze moed houden en elkaar willen helpen.

    Noten en andere vertalingen

    Overwijn 1951

    [/135] (Het geschrift van Konereed)

    Mijn voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil ik vóór alles doen, omdat in mijn staat geen burcht over is, waarin de gebeurtenissen worden opgeschreven zoals voorheen. Mijn naam is Koenraad, mijns vaders naam was Frethorik, mijns moeders naam was Wiljo. Na mijns vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen en toen ik vijftig jaar was, koos men mij tot opperste grietman. Mijn vader heeft beschreven, hoe de Lindaoorden en de Volkstuin (Ljudgaarde) verwoest zijn. Lindaheem is nog weg, de Lindavorden voor een deel, de noordelijke Volkstuin is door de zoute zee bedolven. Het bruisende zeewater likt aan de ringdijk van de burcht. Gelijk mijn vader heeft vermeld, zijn de van hun have en goed beroofde mensen tewerkgegaan en hebben huisjes gebouwd binnen de ringdijk en de burcht, daarom is dat ronddeel nu Volkswaard (Ljudwerd) genoemd. De zeelieden zeggen Volkserd (Ljuwwerd), maar dat is radbraken. In mijn jeugd was het andere land, dat buiten de ringdijk ligt, allemaal poel en moeras. Maar Frya’s volk is wakker en vlijtig, het werd moe noch mat, omdat zijn plan het best mogelijke opleverde. Door sloten te delven en kadijken te maken van de aarde, die uit de sloten kwam, hebben wij weer goede dorpsgrond buiten de ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef, drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heien om een haven te maken en meteen om onze ringdijk te beschermen. Als het werk gereed is, zullen wij zeelieden laten komen. In mijn jeugd stond het er hier [137] raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen, die in rijen staan. Fouten en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven. Hieruit kan iedereen leren, dat Wr.alda, onze Alvoeder, al zijn schepselen voedt, mits zij moed houden en elkander willen helpen.

    Ottema 1876

    [195] Het geschrift van Konerêd.

    Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam was Wiljow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader heeft beschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat, omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef, drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts gemeten. Heden ten dagen zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk gereed is, zullen wij zeelieden uithalen. In mijne jeugd stond het er hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen, die in reijen staan. [197] Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven. Hieruit kan iedereen leeren, dat Wralda, onze Alvader, al zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en elkanderen willen helpen.

    Lees Verder

    Nl 15e Gosa's Voorzegging ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 16b Bondgenootschappen

    Aangepaste volgorde:

    Nl 14c Friso's Vloot ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 16b Bondgenootschappen

    En 16a Canals and Dykes