Jump to content

U1 Ottema

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

U. Koenraad

1. Sloten en Dijken
2. Over Friso
Moederloos
Band met de Denen
Band met de Saksen
Opkomst der Vaderszonen

Ottema 1876

[195] Het geschrift van Konerêd.

Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam was Wiljow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader heeft beschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat, omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef, drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts gemeten. Heden ten dagen zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk gereed is, zullen wij zeelieden uithalen. In mijne jeugd stond het er hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen, die in reijen staan. [197] Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven. Hieruit kan iedereen leeren, dat Wralda, onze Alvader, al zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en elkanderen willen helpen.

Nu wil ik over Friso schrijven.

Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanders. Hij spotte met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.

Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die twijfelachtig was, daar heeft zij kwaad in gezien: daarom heeft zij in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben als eene, op welke gij u niet verlaten kunt.

Friso had veel gezien, hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en [199] listen der Golen en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij daarmede is te werk gegaan.

Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Staveren geweest was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helja geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als goede zeden.

Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.

Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust, en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens menschen in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan den zuidwestelijken hoek van Schoonland, daar ligt Lindasburgt, toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven staat. Alle kustbewoners [201] ners en ommelanders waren daar echt Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt meeren. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van de schepen der Pheniciers. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch burgtwapenen, om de roofschepen er uit [203] te houden. Dan moest gij er eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten, maar wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk dat tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren en smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats gekozen.

Wat Friso verder deed.

Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, [205] dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden, dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog vorstelijke vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het Flymeer afzakken.

De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan zijne zaak. Zij zeiden alomme: wij hebben langer geene Moeder meer, maar dat komt daar van daan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders verloren hebben door hare [207] onvoorzichtigheid. Verder spraken zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hare redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedoogen, dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder weer hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen, en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.

[209] Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden, stierf hij (263 v. Chr.). Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet bevestigen. Van alle Graven die voor hem waren, was er niemand zoo befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge maagden spraken zijn lof, terwijl de oude maagden alles deden om hem te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de oude maagden hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij hebben met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is zonder dat hij koning was.

Navigeer

S4T Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ U3 Ottema