Nl 14d Alexander

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    [120/10]

    Overwijn 1951

    [/115] Ljudgeert, de schout-bij-nacht van Wichhirte, werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis, die hierna zal volgen.

    [117] Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren hadden gezeten, terwijl onze Sikambren of Kimbren alle zeeën bevoeren, die daar te vinden waren, kwam Alexander de koning, met een geweldig leger van boven langs de stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem weerstaan. Maar wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze roerende have in en vertrokken. Toen Alexander vernam, dat zulk een grote vloot hem ontvaren was, werd hij woedend, zwerende, dat hij alle dorpen aan de vlam zou offeren, als wij niet wilden terugkomen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, totdat hij beter was. Daarna kwam hij bij hem, met een minzaam praatje; maar hij dreigde, zoals hij vroeger had gedaan. Wichhirte antwoordde: o, allergrootste der koningen, wij zeelieden komen overal, wij hebben van Uw grote daden gehoord, daarom zijn wij vol eerbied voor Uw wapens, maar nog meer voor Uw wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryakinderen, wij mogen Uw slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zo is het door onze wetten bevolen. Alexander zei: ik wil Uw land niet maken tot mijn buit, noch Uw volk tot mijn slaven. Ik wil alleen, dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoons. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar de heilige Ganges voeren, die hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij te werk en koos al degenen uit zijn volk en zijn ongeregelde troepen, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weer ziek geworden, daarom ging ik alleen mee en Nearchos van ’s koningswege. De tocht liep op niets uit, omdat de Ioniërs altijd in onmin leefden met de Phoinikiërs, zodat Nearchos er zelf geen baas over kon blijven. Intussen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijn troepen bomen laten kappen en tot planken maken. Met behulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden en met zijn hele leger de Ganges opvaren. Maar de losse troepen, die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij mee moesten, staken zij de timmerloodsen in brand. Daardoor werd ons hele dorp in de as gelegd. Eerst dachten wij, dat Alexander het bevolen had en iedereen stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend, hij wilde de ongeregelde troepen door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Nearchos, die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem aan anders te doen. Toen hield hij zich alsof hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet te hervatten. Nu wilde hij wel terugkeren, maar eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken, wie er schuldig waren. Zodra [119] hij dat wist, liet hij die allen zonder wapens blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden achter, om de anderen te temmen en om een burcht te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen meenemen. Toen wij aan de mond van de Euphraat kwamen, mochten wij daar een plaats kiezen, of terugkeren, ons loon zou ons evengoed toebedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die de brand ontkomen waren, liet hij Ioniërs en gemengde Grieken gaan. Hijzelf ging met zijn andere volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha uit de zee had opgeheven, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zodra zij in de Rode Zee kwamen.

    Toen wij te Nieuw Geermania kwamen, (Nieuw Geermania is een haven, die wij zelf hadden gemaakt, om daar water in te nemen,) ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchos ging de wal op en vertoefde daar drie dagen. Vervolgens ging het weer verder. Toen wij bij de Euphraat kwamen, ging Nearchos met de soldaten en velen van zijn volk de wal op. Maar hij kwam spoedig terug. Hij zei, de koning laat U verzoeken, of gij nog een kleine tocht voor hem zoudt willen doen, tot aan het einde van de Rode Zee. Daarna zal ieder zoveel goud krijgen, als hij kan tillen. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger was geweest. Daarna vertoefde hij daar een en dertig dagen, aldoor uitziende naar de woestijn. Ten langen leste kwam er een troep mensen, medevoerende 200 olifanten en 1000 kamelen met houten balken, reep en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandse Zee te slepen. Dat verbaasde ons en leek ons mal toe, maar Nearchos vertelde ons, dat zijn koning aan de andere koningen wilde tonen, dat hij machtiger was, dan de koningen van Thyris (Tunis) vroeger waren geweest. Wij moesten maar meehelpen, dat zou ons zeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten en Nearchos wist alles zo netjes te regelen, dat wij in de Middellandse Zee lagen, eer drie maanden waren verlopen. Toen Alexander vernam, hoe het met zijn ontwerp was afgelopen, werd hij zo vermetel, dat hij de droge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wr.alda liet zijn ziel los, daarom verdronk hij in de wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmee kon beginnen. Na zijn dood, werd het rijk verdeeld door zijn vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijn zoons bewaren, maar zij werden het oneens. Elk wilde zijn deel behouden en hetzelve vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terugkeren. Nearchos wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phoinikië, maar dat wilde niemand doen, Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryaland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryakinderen vroeger heengetogen waren. Voorts gingen wij ongeregelde troepen, leeftocht en wapens vervoeren.

    Ottema 1876

    [/165] Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.

    Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende; doch hij bedroog gelijk [167] hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren met de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij mede moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Nearchus, [169] die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.

    Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven, die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen, ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen, medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen (touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek [171] ons raar toe; maar Nearchus verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.

    Lees Verder

    Nl 14c Friso's Vloot ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14e Demetrius en Friso

    Aangepaste volgorde:

    Nl 16g Panj-ab Brief ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14e Demetrius en Friso