NL163.10 Panjab
Ontwerp 2025 Ott
U. Koenraad
4. Ljudgeert: Panj-ab
163.10 Bij de geschriften van mijn vader heb ik een document gevonden, geschreven door Ljudgeert de Geertman. Met weglating van enige delen die alleen mijn vader betreffen, geef ik hier het overige ten beste.
- Panj-ab betekent Vijf-Wateren en is een rivier van uitzonderlijke schoonheid, grenzend aan het gebied waar wij vandaan komen. Ze wordt Vijf-Wateren genoemd omdat vier andere rivieren door haar monding in zee vloeien.[1] Veel verder oostwaards is nog een grote rivier, genaamd de Heilige of Voorname Gongga.[2] Tussen deze rivieren ligt het land van de Hindoes. Beide rivieren lopen van de hoge bergen naar de delta of laagte. De bergen waarvanuit ze nederstromen zijn zo hoog, dat ze in de hemel liggen. Daarom wordt het gebergte Himellàja genoemd.[3]
- Onder de Hindoes en andere inheemsen zijn lieden die in stilte samenkomen. Ze geloven dat ze zuivere [164] kinderen zijn van Finda, die volgens hen geboren is uit het Himellàja Gebergte, waarvandaan ze met haar kinderen naar de delta of laagte getogen is. Een deel van hen gelooft dat ze met haar kinderen op het schuim van de Heilige Gongga is afgedaald (‘del gungen’). Daarom zou de rivier zo heten. Maar de priesters, die uit een ander land komen, laten deze lieden opsporen en verbranden. Daarom durven ze niet openlijk hun geloof te belijden. In dat land zijn alle priesters dik en rijk. In hun kerken vindt men allerlei beelden, waaronder veel van goud, die op hun goden lijken.
- Ten westen van de Panj-ab leven de Íren of Wrangen,[4] de Gedrosten of Brittenen (dat is: Weggebrachten)[5] en de Orjetten of Vergetenen.[6] Deze namen zijn bedacht door de priesters, uit nijd omdat ze aan hen ontsnappen vanwege hun zeden en geloof. Bij hun aankomst hadden onze voorouders zich eerst aan beide oevers van de Panj-ab gevestigd, maar vanwege de priesters trokken de kolonisten aan de oostkust later eveneens naar de westkust.[7] Zo hebben we de Íren en andere stammen leren kennen.
- De Íren zijn geen wrange of zure, maar goedaardige [165] mensen die geen afgodsbeelden aanbidden noch tolereren. Ook gedogen ze geen kerken en priesters. En evenals wij het voorname licht van Festa in ere houden, zo eerbiedigen zij overal en altijd een vuur in hun huizen.[8]
- Reist men nog verder westwaards dan komt men bij de Gedrosten. Deze zijn met andere volkeren verbasterd en spreken allerlei zonderlinge talen. Deze mensen zijn wel degelijk zure moordenaars, die alleen maar jagend en rovend met hun paarden op de velden ronddwalen, en als huurlingen de omwonende vorsten dienen, voor wie ze alles en iedereen in hun bereik neersabelen.
- Het land tussen rivieren Panj-ab en Gongga is even vlak als het aan zee gelegen deel van Frijasland en heeft afwisselend velden en wouden. Elk deel is vruchtbaar, wat toch niet mag verhinderen dat er soms wel duizenden door honger bezwijken. Deze hongernood kan daarom niet Wralda of Aarde verweten worden, maar alleen de vorsten en priesters.
- De Hindoes zijn even schuw en bang voor hun vorsten als hindes voor wolven. Daarom hebben onder andere de Íren hen Hindoes genoemd, dat hindes betekent. [166] Maar er wordt gruwelijk misbruik gemaakt van hun nederigheid. Komen er uitheemse kooplieden om graan te kopen, dan wordt alles te gelde gemaakt. De priesters doen niets om dit tegen te houden, want zij zijn nog slimmer en gieriger dan alle vorsten tesamen en weten heel goed dat al het geld uiteindelijk in hun buidels belandt.
- Buiten en behalve dat de eenvoudige mensen daar veel te lijden hebben van hun vorsten, moeten ze ook nog veel lijden door giftige en wilde dieren. Er zijn grote olifanten die in kuddes lopen en soms hele graanvelden en dorpen vertrappen. Ook zijn er bont gekleurde en zwarte katachtigen, tijgers genaamd, met de omvang van een groot kalf, die mens en dier verslinden. Naast vele andere reptielen zijn er slangen, in grootte variërend van worm tot boom. De grootsten kunnen een hele koe verzwelgen, maar de kleinsten zijn nog meer te vrezen. Die houden zich verscholen tussen bloemen en vruchten, om mensen die daarvan plukken willen aan te vallen. Wie daardoor is gebeten, moet sterven, want Aarde zal geen tegengif voortbrengen, zolang de mens zich schuldig maakt aan afgoderij. Verder zijn er allerlei soorten haag-, nijn- en zoetwaterdissen,[9] die net als de slangen in grootte variëren [167] van worm tot boomstam. Hun namen, die ik niet allemaal kan noemen, variëren evenzeer als hun grootte en gevaar. De allergrootste waterdissen wordt ‘al-getters’ genoemd,[10] omdat ze even gretig bijten in rottend gedierte dat stroomafwaarts naar de delta drijft, als in levende dieren die ze te pakken kunnen krijgen.
- Aan de westzijde van de Panj-ab (waar we vandaan komen en waar ik geboren ben) groeien en bloeien dezelfde vruchten en zaden als aan de oostzijde. Vroeger kwamen aan beide zijden dezelfde reptielen voor, maar onze voorouders hebben al het kreupelhout verbrand en net zo lang op het wilde gedierte gejaagd dat er weinig meer van over is. Reist men nog verder westwaards van de Panj-ab, dan vindt men naast vette weides ook dorre geestlanden die oneindig lijken en soms afgewisseld worden door lieflijke streken waaraan het oog verbonden blijft.
- Onder de vruchten van mijn land zijn vele soorten die ik hier niet heb gevonden. Een van de vele graansoorten is goudkleurig. Ook zijn er goudgele appels, waarvan sommige zo zoet zijn als honing en andere zo zuur als azijn. Bij ons worden noten gevonden, zo groot als kinderhoofden, waar ‘kaas’ (kokos) en melk in zit. Als ze oud worden maakt men daar olie van. Van de [168] schil wordt touw gemaakt en van de doppen drinkbekers en andere gebruiksvoorwerpen. In de wouden hier heb ik kruip- en stengelbessen gezien, maar bij ons zijn bessenbomen zo groot als jullie lindebomen, waarvan de vruchten veel zoeter en driemaal groter dan stengelbessen zijn.
- Wanneer de dagen het langst zijn en de zon op haar hoogste punt staat, schijnt ze lijnrecht op je hoofd. Als je dan met schip heel ver zuidwaarts vaart en 's middags je gezicht naar het oosten keert, dan schijnt de zon op je linkerzijde, zoals ze anders op je rechterzijde doet.
- Hiermee wil ik eindigen, erop vertrouwend dat mijn schrijven je zal helpen om de leugenachtige vertelsels te kunnen schiften van de ware vertellingen.[11]
- Je Ljudgeert.
Noten
- ↑ Bedoeld wordt dus niet de Punjab regio, maar de Indus rivier.
- ↑ Huidige spelling: Ganges.
- ↑ Huidige spelling: Himalaya.
- ↑ De naam van Iran bestaat in het Perzisch al tenminste sinds de tijd van de Sassaniden 3e eeuw v.Chr. en zou ‘Land van de Ariërs’ betekenen. Vergelijk ook; Drangiana of Sarangië (Oud Grieks: Δραγγιανή).
- ↑ Vergelijk: Gedrosië (Oud Grieks: Γεδρωσία).
- ↑ Vergelijk: Oritae (Oud Grieks: Ὠρεῖται).
- ↑ Interpretatie van de letterlijke vertaling: “Bij hun komst hadden onze voorouders zichzelf ook aan de oostelijke oever van Pang-ab neergezet, maar om der priesters wille zijn ze ook naar de westeroever gevaren.”
- ↑ Vergelijk met het Zoroastrisme, dat gebasserd is op een proto-Iraanse religie, waaruit o.a. de vuurcultus (âtash) is overgenomen.
- ↑ ‘haag-, nijn- en zoetwaterdissen’ (HÁCHDISKA. NYNDISKA ÀND ÁDISKA) — hagedissen, een nog onduidelijke groep (schildpadden?) en salamanders.
- ↑ ‘al-getters’ (ALGETTAR) — dit zal de naam geweest zijn voor krokodillen in het algemeen, omdat de krokodilachtigen die ‘alligator’ genoemd worden, voor zover bekend, niet voorkwamen tussen Indus en Ganges. Het Engelse ‘get’ (krijgen) komt in het Nederlands nog voor in de afleiding ‘vergeten’.
- ↑ Vrij: om feit en fictie van elkaar te scheiden.
NL162.19 Scholen ᐊ vorig/volgend ᐅ NL168.20 Beden
Aangepaste volgorde:
NL076.13 Athenia ᐊ vorig/volgend ᐅ NL120.10 Alexander
In andere talen
Andere Nederlandse vertalingen
Hoofdstukken U3 en U4: Ottema 1876 | Overwijn 1951