Jump to content

S3 Ottema

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

S. Frethorik

3. Dagboek Ljudgeert
Koning Alexander
Demetrius en Friso
Afscheid van Athenia

Ottema 1876

[/165] Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.

Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende; doch hij bedroog gelijk [167] hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren met de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij mede moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Nearchus, [169] die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.

Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven, die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen, ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen, medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen (touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek [171] ons raar toe; maar Nearchus verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.

Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze streden beiden om één doel, gelijk zij zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst die heerschte over Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten, maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed, door zijne blanke huid met blauwe oogen en [173] wit haar. Naderhand ging Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon als niemand heugen mogt. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij zoethart. De schippers noemen hunne wijven, troost en fro of frow, dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man niet durfde opwachten, ging zij met haar zoon naar Demetrius, en smeekte, dat hij haar hare dochter weder zoude geven. Maar als Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en hardvochtig was,[1] zond een bode met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want, [175] zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de aarde omwaren, zonder ooit het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun vader hun bevolen had. Demetrius liet hunne lijken in de zee werpen,[2] en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren.

Nu wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren. Behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.

Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij [177] zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat wij twee dagen voortgesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in 't gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.

Noten

  1. In uitgave 1872 stond in lijst verbeteringen (blz. 255) “hartstochtig lees hartvochtig”, maar Sandbach vertaalde “proud and passionate”.
  2. Lijst verbeteringen uitgave 1872: “De bode lees Demetrius”, maar Sandbach vertaalde: “The messenger...”.

Navigeer

S1 Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ S4T Ottema