Nl 14a Tweede Erge Tijd

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    14a. De Tweede Erge Tijd

    [113/23] Mijn naam is Frethorik, toegenaamd Oera Linda, dat wil zeggen: Over de Linde. Te Ljudwardja ben ik tot Asega (wetskenner, rechtspreker) verkozen. Ljudwardja is een nieuw dorp binnen de ringdijk van de burcht Ljudgarda, dat een slechte naam heeft gekregen.

    In mijn tijd als Asega is er veel gebeurd, waarover ik uitgebreid heb geschreven. Maar ook daarna zijn mij nog veel dingen ter ore gekomen. Van één en [114] ander wil ik een geschiedenis schrijven, als aanvulling op dit boek, ter ere van de goede mensen en tot schande van de slechten.

    In mijn jeugd hoorde ik iedereen klagen: Een erge tijd zou komen of was al aangebroken. Frya had ons verlaten en had haar waaksters meegenomen, omdat er afgodsbeelden waren gevonden binnen onze grenspalen. Ik brandde van nieuwsgierigheid om die beelden eens te zien. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje langs de huizen die overal de erge tijd verkondigde. Ik zocht toenadering. Zij streelde mijn kin. Nu durfde ik haar te vragen over de erge tijd en of ze mij de beelden wilde wijzen. Ze glimlachte en bracht me naar de burcht. Een oude man vroeg me of ik al lezen en schrijven kon. Nee, zei ik. Dan moet je dat eerst leren, zei hij, anders kan het je niet worden gewezen. Dagelijks ging ik naar de schrijver om te leren.

    Acht jaar later hoorde ik geruchten dat onze Burchtvrouwe ontucht had gepleegd, dat sommige burchtheren hadden gecollaboreerd met de Magy en dat veel mensen hun kant hadden gekozen. Overal kwam tweespalt. Er waren kinderen die opstonden tegen hun ouders. Integere mensen werden op laffe wijze vermoord. Het oude vrouwtje dat iedereen had gewaarschuwd [115] werd dood gevonden in een greppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar laten wreken, maar werd 's nachts in zijn huis vermoord.

    Drie jaar later regeerde de Magy hier, zonder te hebben gestreden. De Saksen waren standvastig en verstandig gebleven. Naar hen vluchtten alle goede mensen. Toen mijn moeder bezweek, ging ik met hen mee.

    De Magy was trots op zijn sluwheid, maar Aarde zou hem duidelijk maken dat zij geen Magy, noch afgoden kan toelaten op de heilige grond waaruit zij Frya baarde. Zoals het wilde paard zijn manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras heeft geworpen, zo schudde Aarde haar wouden en bergen. Rivieren werden over velden gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden naar de wolken en wat zij gespuwd hadden, werd door de wolken weer op Aarde gesmeten. In het begin van de Arnemaand (Oogstmaand, augustus) neigde Aarde noordwaarts. Ze zeeg neer, al lager en lager. In de Wolvenmaand (Wintermaand, december) waren de laaggelegen delen van Fryasland onder zee. De wouden met beelden erin, werden opgetild en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in de Hardemaand (Louwmaand, januari) en verborg oud-Fryasland onder een plaat ijs. In de Sellemaand (Sprokkelmaand, februari) kwam stormwind [116] uit het noorden en voerde bergen van ijs en stenen mee.

    Toen de lente kwam, hief Aarde zichzelf op. IJs smolt weg. Eb kwam en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne- of Minnemaand (Bloeimaand, mei) voer ieder die durfde weer naar huis. Ik kwam met een maagd op de burcht Ljudgarda. Wat zag het er naargeestig uit! Het meeste bos van de Lindewaarden was weg. Waar Ljudgarda geweest was, was nu zee. Golven sloegen op de ringdijk. Kruiend ijs had de toren weggevaagd en de huizen lagen in puin. Aan de helling van de dijk vond ik een steen. Onze schrijver had er zijn naam in gekrast. Dat was voor mij een baken. Zoals met onze burcht, was het ook met de andere gegaan. In de hoge landen waren ze door aarde, in de lage landen door water verwoest. Alleen Fryasburg op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts had gelegen, was overspoeld. Het is nog steeds niet herrezen.

    Aan deze kant van het Vliemeer waren, naar men zei, dertig zoute plassen ontstaan, doordat de bossen met grond en al waren weggespoeld. In West-Vlieland vijftig. De gracht die van het Alderga dwars door het land gelopen had, was verzand en [117] verloren. De stuurlui en ander varend volk dat thuis was, had zichzelf met familie en verwanten op hun schepen gered. Maar het zwarte volk van Lydaburg en Alikmarum had hetzelfde gedaan. Terwijl ze zuidwaarts dreven, hadden ze vele meisjes gered en omdat niemand naar hen kwam vragen, hielden ze hen als hun vrouwen. De mensen die terugkwamen gingen allen binnen de ringdijken van de burchten wonen, omdat daarbuiten alles slib en brakland was. De oude huizen werden hersteld. Van de bovenlanden kocht men koeien en schapen en in de grote huizen, waar voorheen de maagden woonden, werd nu laken en vilt gemaakt om te kunnen overleven.

    Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland verzonken was.

    Noten en andere vertalingen

    Overwijn 1951

    [111] (De geschriften van Frethorik en Wiljo)

    Mijn naam is Frethorik bijgenaamd „Oera Linda”, dat wil zeggen „Over de Linden”. Te Ljudwarda ben ik tot Asega gekozen. Ljudwardja is een nieuw dorp, binnen de ringdijk van de burcht Liudgarda, waarvan de naam in oneer is gekomen. In mijn tijd is er veel gebeurd. Veel had ik daarover geschreven, maar naderhand is mij nog veel gemeld. Van een en ander wil ik een geschiedenis achter in dit boek schrijven, de goede mensen tot eer, de slechte tot oneer.

    In mijn jeugd hoorde ik alom klachten: Er zou een boze tijd komen, er was een kwade tijd gekomen, Frya had ons verlaten, zij bad haar waakmeisjes achterwege gehouden, want er waren afgodische beelden binnen onze landspalen gevonden. Ik brandde van nieuwsgierigheid om die beelden te bekijken. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, dat altijd riep over de boze tijd. Ik trok haar opzij. Zij streek mij om de kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de boze tijd en de beelden eens wilde laten zien. Zij lachte goedaardig en bracht mij op de burcht. Een grijsaard vroeg mij of ik al kon lezen en schrijven. Nee, zei ik. Dan moet je eerst eens gaan leren, zei hij, anders mag het je niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij de schrijver leren. Acht jaar later hoorde ik, dat onze burchtvrouw ontucht had bedreven en dat sommige burchtheren verraad hadden gepleegd met de Magy. En veel mensen waren op hun kant. Overal kwam tweedracht. Er waren kinderen, die opstonden tegen hun ouders. In het geheim werden de oppassende mensen vermoord. Het oude vrouwtje, dat alles bekend maakte, werd dood gevonden in een greppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. ’s Nachts werd hij in zijn huis vermoord. Drie jaar later was de Magy meester zonder strijd. De Saksen waren betrouwbaar en oppassend gebleven. Naar hen vluchtten alle goede mensen. Mijn moeder bestierf het. Toen deed ik als de anderen. De Magy boogde op zijn slimheid. Maar Irtha zou hem tonen, dat zij geen Magy noch afgoden kon toelaten tot de heilige schoot, waaruit zij Frya baarde, Evenals het wilde ros zijn manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras heeft geworpen, zo schudde Irtha haar wouden en bergen. Rivieren werden over de velden verspreid. De zee kookte. Bergen spuwden hun vuur hemelhoog en wat zij gespuwd hadden, slingerden de wolken weer op aarde. In het begin van Arnemaand (Oogstmaand) neigde de aarde naar het Noorden en zeeg al lager en lager neer. In de Wolvenmaand (Wintermaand) lagen de lage marken van Fryaland onder de zee bedolven. De wouden, waarin beelden waren, werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam er vorst in de Hardemaand (Louwmaand) en legde het oude Fryaland onder een ijskorst. In Sellemaand (Sprokkelmaand) kwam er stormwind [113] uit het Noorden en voerde bergen van ijs en stenen mee. Toen de lente kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Er kwam ebbe en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne- of Minnemaand (Bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met een maagd op de burcht Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit! De wouden van de Lindaoorden waren meest weg. Waar de Ljudgaarde geweest was, was zee. De golfslag zweepte de ringdijk. Het ijs had de toren vernield en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van de dijk vond ik een steen, Onze schrijver had daarin zijn naam gegrift, dat was mij een baken. Gelijk het met onze burcht gegaan was, zo was het ook met de andere gegaan. In de hoge landen waren zij door de aarde, in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryaburcht op Techelland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat ten Noorden had gelegen, was onder zee, nóg is het niet boven gebracht. Aan deze kant van het Vliedmeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al waren weggedreven. Te West-Vliedland vijftig. De gracht, die van het Aldega (Hensbroek) dwars door het land gelopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander varensvolk, die thuis waren, hadden zich op hun schepen gered met magen en bloedverwanten. Maar het zwarte volk van Lydaburcht en het Alkmaar had hetzelfde gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts afdreven, hadden zij vele meisjes gered en doordat niemand kwam, om ze op te eisen, hielden zij ze als hun vrouwen. De mensen, die terugkwamen, ginzen allen binnen de ringdijken van de burchten wonen, omdat het daarbuiten louter slib en moerasland was. De oude huizen werden op een hoop gegooid. Van de bovenlanden kocht men koeien en schapen en in de grote huizen, waar tevoren de maagden gevestigd waren, werd nu laken en vilt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland was verzonken.

    Ottema 1876

    [157] De geschriften van Frêthorik en Wiljow.

    Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgarda, waarvan de naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.

    In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze landpalen gevonden.

    Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In 't verborgen [159] werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren, werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank (ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam en de wouden met de beelden dreeven naar zee. In de Winne of Minnemaand (bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was, was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield, en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik een steen; [161] onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen kant van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die terug kwamen, gingen allen binnen de ringdijken der burgten wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland gezonken was.

    Lees Verder

    Nl 13i Langs de Rijn ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14b De Zwarte Mannen

    Aangepaste volgorde:

    Nl 15c Jesus van Kasjmir ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14b De Zwarte Mannen