Nl 08a Noordoostelijke Invasie

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    8a. Inval der Mágjaren

    [050/19] Dit staat geschreven in de Waraburg bij de Aldergamond.

    (De Waraburg is geen maagdenburg, maar daar worden alle uitheemse en overlandse dingen bewaard die meegebracht zijn door de zeevaarders. Ze is drie palen, dat is een half tij, ten zuiden van Medeasblik gelegen.)

    Het voorwoord luidt:

    Bergen, neigt uwe kruinen; Wolken en stromen, weent; Skeenland, bloost van schaamte! Slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya!

    Dit is de geschiedenis:

    Honderdeneen jaar nadat Aldland was verzonken, kwam er uit het [051] oosten een volk, dat verdreven was door een ander volk. Achter ons Twiskland raakten ze verdeeld en scheidden zich in twee groepen, die elk als een leger zijn eigen weg vervolgde. Van het ene deel hebben wij niets vernomen, maar het andere deel viel ons Skeenland van achteren binnen. Skeenland was dunbevolkt, vooral het achterland. Daarom konden ze het zonder strijd innemen en omdat ze verder geen kwaad deden, wilden we daarover geen oorlog hebben. Nu we hen hebben leren kennen, willen we eerst over hun zeden schrijven en daarna hoe het ons met hen is vergaan.
    Dit volk was niet zo wild als veel van Finda’s stammen, maar lijken op Egiptalanders; Ze hebben priesters net als hen en nu ze kerken hebben, ook beelden. De priesters hebben alle macht en noemen zich Mágjaren. De allerhoogste heet Mágí en is zowel hoofdpriester als koning. Al het overige volk telt niet mee, is geheel en al onderworpen en heeft zelfs geen naam. Door ons werden ze Finnen genoemd, want hoewel al hun feesten droef en bloedig zijn, zijn ze [052] daaraan zo toegewijd of ‘fijn’, dat ze ons daarmee te boven gaan. Maar verder zijn ze niet te benijden, want ze zijn slaven van de priesters en wat nog veel erger is, van hun overtuigingen. Ze geloven dat overal kwade geesten zijn, die bezit nemen van mens en dier. Van Wralda’s Geest weten ze echter niets. Hun wapens zijn van steen; die van de Mágjaren van koper. De Mágjaren beweren dat ze de boze geesten kunnen oproepen en bezweren. Daardoor is hun volk aanhoudend doodsbang en op hun gelaat is nooit blijdschap te zien.
    Toen ze zich goed hadden genesteld, zochten de Mágjaren onze vriendschap. Ze prezen onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapens, die ze graag wilden ruilen voor hun gouden en zilveren sieraden. Hun onderdanen hielden ze strikt binnen hun grenzen, waardoor onze waakzaamheid verslapte...
    Achtentachtig jaar later, zowaar tijdens het Joelfeest, kwamen ze onverwacht, als een sneeuwstorm over onze landen. Wie niet kon vluchten werd afgemaakt. Frya werd aangeroepen, maar de Skeenlanders hadden haar raad verwaarloosd. Toch werden krachten gebundeld en kon men ze drie palen voor Goda’s Burg weerstaan. Maar het bleef oorlog.
    Kaat [053] of Katerinne — zo heette de maagd die Burgmaagd was van Godaburg — was trots en verwaand. Daarom liet ze geen raad of manschappen vragen aan de Volksmoeder. Maar toen haar burgheren dat inzagen, zonden zij zelf bodes naar de Moeder op Texland. Minna — dat was haar naam — liet daarop alle zeevaarders waarschuwen, alsmede al het jongvolk van Oost-Vlieland en de Denemarken.

    Noten en andere vertalingen

    Overwijn 1951

    [/51] Dit staat op de Waraburcht bij Aldegamonde gegrift.

    De Waraburcht is geen maagdenburcht, maar daarin werden alle uitheemse en buitenlandse dingen bewaard, die meegebracht zijn door de zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uur gaans) ten Zuiden van de Maagdenburcht gelegen. Aldus luidt de zegswijze: „Bergen neigt uw kruinen, wolken en stromen weent. Ja, Schoonland bloost. Slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya!”.

    Zo is de geschiedenis.

    100 en 1 jaar nadat Aldland (Atlantis) verzonken was, kwam er uit het Oosten een volk. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Mosland (Twiskland), kregen zij twist; zij scheidden zich in twee groepen en elk ging zijns weegs. Van het ene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen, maar het andere deel viel achter in ons Schoonland. Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het dunst van al. Daarom konden zij het zonder strijd overwinnen, en daar zij anders geen kwaad deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben leren kennen, willen wij over hun zeden schrijven en daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten van Finda, maar het is zoals de Egyptenaren, zij hebben priesters, evenals deze, en daar zij kerken hebben, ook beelden. De priesters zijn de enige heren, zij noemen zich zelf Magianen, hun overste heet Magy, hij is [53] opperpriester en meteen koning, al het andere volk heeft geen van allen iets in te brengen en allen zijn in hun macht. Het volk heeft niet eens een naam. Door ons worden zij Finen genoemd, want ofschoon hun feesten allemaal treurig en bloedig zijn, gaat het daar toch zo fijn toe, dat wij daarbij ten achter staan. Voorts zijn zij niet te benijden, want zij zijn de slaven van hun priesters, maar nog veel meer van hun meningen. Zij menen, dat alles vol is van boze geesten, die in de mensen en dieren sluipen, maar van Wr.alda’s geest weten zij niets. Zij hebben stenen wapens, de Magianen koperen. De Magianen vertellen, dat zij de boze geesten kunnen bannen en uitbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees en op hun gelaat is nooit blijdschap te zien.

    Toen zij goed en wel gezeten waren, zochten de Magianen vriendschap met ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapens, die zij gaarne voor hun gouden en zilveren sieraden wilden ruilen en hun volk hielden zij altijd binnen de perken, maar dat verschalkte onze waakzaamheid.

    Tachtig jaar later, juist was het Jolfeest, kwamen zij onverwachts, als sneeuw door een stormwind opgedreven, over onze landen aanstormen, Die niet konden vluchten, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haar raad verwaarloosd. Toen werden krachten verzameld en drie palen van Godaburcht werden zij wederstaan. De oorlog duurde voort. Kaat, zo heette de vrouwe, die burchtvrouw op Godaburcht was; Kaat was trots en hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burchtheren dat inzagen, zonden zij zelf boodschappers naar Techel (Texel) tot de Moeder aldaar. Mina, zo was de naam van de Moeder, liet alle zeelieden oproepen en alle andere jonge mannen van Oost Vliedland en van de Denemarken (Danebrohe).

    Ottema 1876

    [/71] Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude gegrift.

    De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden [73] alle uitheemsche en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya.

    Zoo is de geschiedenis.

    100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam er uit het oosten een volk weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland, kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen, maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters, even als deze, en nu zij kerken hebben, ook beelden. De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk is nul in ’t sijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd; want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten [75] kunnen bannen en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.

    Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen, die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte onze waakzaamheid.

    Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt* werden zij wederstaan, de oorlog bleef. Kaat of Katerine, zoo heette de priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kaat was trotsch en hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland en van de Denemarken.

    Lees Verder

    Nl 07b Hoe Aldland Verzonk ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 08b Wodin en de Magy


    En 08a Magyars and Finns