Jump to content

NL120.10 Alexander: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
wederwoord
 
(12 intermediate revisions by the same user not shown)
Line 5: Line 5:
'''3. Dagboek Ljudgeert'''
'''3. Dagboek Ljudgeert'''


'''Koning Alexander'''
'''a. Koning Alexander'''


'''[[120|120.10]]''' Ljudgeert, de schout-bij-nacht van Wichhirte, werd mijn bondgenoot en later mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de hierna volgende geschiedenis.
'''[[120|120.10]]''' Ljudgeert, de schout-bij-nacht van Wichhirte, werd mijn bondgenoot en later mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de hierna volgende geschiedenis.


Nadat wij twaalfmaal honderd en tweemaal twaalf (dus: 1224) jaar bij de Vijf Wateren hadden gezeten en onze zeevaarders alle daar vindbare zeeën hadden bevaren, kwam Alexander de Koning met een machtig leger van boven langs de rivier op onze dorpen af. Niemand kon hem weerstaan. Maar wij stuurlieden die aan de kust zaten, scheepten ons in met al ons tilbaar bezit en gingen ervandoor.  
Nadat wij twaalfmaal honderd en tweemaal twaalf jaar bij de Vijf Wateren hadden gezeten en onze zeevaarders alle daar vindbare zeeën hadden bevaren, kwam Alexander de Koning met een machtig leger van boven langs de rivier op onze dorpen af. Niemand vermocht hem wederwoord geven. Maar wij stuurlieden die aan de kust zaten, scheepten ons in met al ons tilbaar bezit en gingen ervandoor.  


Toen Alexander vernam dat hem zo’n grote vloot ontkomen was, werd hij woedend en bezwoer alle dorpen aan vlammen te offeren, als we niet terug zouden komen. Wichhirte lag ziek op bed. Toen Alexander dat had gehoord, wachtte hij tot Wichhirte beter was. Daarna bezocht hij hem en sprak heel vriendelijk, '''[[121|[121]]]''' maar nam zijn dreigement niet terug. Wichhirte antwoordde daarop: “O, allergrootste der koningen! Wij zeevaarders komen overal en hebben van uw grootse daden gehoord. Daarom hebben we veel eerbied voor uw wapenen, maar nog meer voor uw inzicht. Maar wij zijn anders. Wij zijn vrij geboren Fryaskinderen. Wij kunnen geen slaven worden. Ook al wilde ik dat, de anderen zouden liever willen sterven. Want zo is het in onze eeuwige wetten bevolen.”
Toen Alexander vernam dat hem zo’n grote vloot ontkomen was, werd hij woedend en bezwoer alle dorpen aan vlammen te offeren, als we niet terug zouden komen. Wichhirte lag ziek op bed. Toen Alexander dat had gehoord, wachtte hij tot Wichhirte beter was. Daarna bezocht hij hem en sprak heel vriendelijk, '''[[121|[121]]]''' maar nam zijn dreigement niet terug. Wichhirte antwoordde daarop: “O, allergrootste der koningen! Wij zeevaarders komen overal en hebben van uw grootse daden gehoord. Daarom hebben we veel eerbied voor uw wapenen, maar nog meer voor uw inzicht. Maar wij zijn anders. Wij zijn vrij geboren Frijaskinderen. Wij kunnen geen slaven worden. Ook al wilde ik dat, de anderen zouden liever willen sterven. Want zo is het in onze eeuwige wetten bevolen.”


Alexander antwoordde: “Ik wil uw land niet tot mijn buit maken, noch uw volk tot slaven. Mijn enige wens is dat u mij dient tegen beloning. Ik zweer bij ons beider goden dat niemand zich over mij zal beklagen.” Toen Alexander daarna brood en zout met hem deelde, koos Wichhirte het meest wijze deel. Hij liet de schepen door zijn zoon terughalen.
Alexander antwoordde: “Ik wil uw land niet tot mijn buit maken, noch uw volk tot slaven. Mijn enige wens is dat u mij dient tegen beloning. Ik zweer bij ons beider goden dat niemand zich over mij zal beklagen.” Toen Alexander daarna brood en zout met hem deelde, koos Wichhirte het meest wijze deel. Hij liet de schepen door zijn zoon terughalen.
Line 29: Line 29:
Toen Alexander vernam hoe goed zijn plan geslaagd was, werd hij zo roekeloos dat hij de drooggevallen zeestraat wilde uitdiepen, Aarde ten spot. Maar Wralda liet zijn ziel los, waarna hij verdronk in wijn en overmoed, nog voor hij kon beginnen.
Toen Alexander vernam hoe goed zijn plan geslaagd was, werd hij zo roekeloos dat hij de drooggevallen zeestraat wilde uitdiepen, Aarde ten spot. Maar Wralda liet zijn ziel los, waarna hij verdronk in wijn en overmoed, nog voor hij kon beginnen.


Na zijn dood werd het rijk verdeeld door zijn generaals.<ref>Zie ook de [https://nl.wikipedia.org/wiki/Rijksdeling_van_Triparadisus Rijksdeling van Triparadisus].</ref> Ze hadden elk een deel voor zijn zoons moeten beheren, maar dat waren ze niet voornemens. Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vergroten. Daar kwam oorlog van en we konden niet meer terug.
Na zijn dood werd het rijk verdeeld door zijn generaals.<ref>Zie ook de [https://nl.wikipedia.org/wiki/Rijksdeling_van_Triparadisus Rijksdeling van Triparadisus]. <span class="fryas">FORSTA</span> is hier vertaald als ''generaals'', de gebruikelijke vertaling (naast ''diadochen'') in dit verband.</ref> Zij zouden elk een deel voor zijn zoons bewaren, maar ze waren verdeeld.<ref>‘verdeeld’ (<span class="fryas">VNMÉNIS</span>) — ‘niet-gemeenschappelijk’. De betekenis van het éénmaal in Oud Friese teksten (ambtseed schepenen Sneek) voorkomende ‘onmeens’ is onduidelijk.</ref> Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vergroten. Daar kwam oorlog van en we konden niet meer terug.


Nu wilde Nearchos dat wij ons zouden vestigen aan de Phoenicische kust, maar daar voelde niemand iets voor. We zeiden dat wij liever een poging wilden wagen om '''[[125|[125]]]''' Fryasland te bereiken. Daarop bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athenia, waarheen vroeger alle echte Fryaskinderen getogen waren. Van daaruit gingen wij huurlingen, levensmiddelen en wapens vervoeren.
Nu wilde Nearchos dat wij ons zouden vestigen aan de Phoenicische kust, maar daar voelde niemand iets voor. We zeiden dat wij liever een poging wilden wagen om '''[[125|[125]]]''' Frijasland te bereiken. Daarop bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athenia, waarheen vroeger alle echte Frijaskinderen getogen waren. Van daaruit gingen wij huurlingen, levensmiddelen en wapens vervoeren.
 
=={{Titel_noten_vertalingen}}==
<div class="toccolours mw-collapsible mw-collapsed">


===Noten===
===Noten===
<references />
<references />
{{Hoofdstuk Navigatie|normal=NL125.05 Demetrius|back=NL118.32 Vloot|alternative=NL125.05 Demetrius|altback=NL163.10 Panjab}}
=={{Titel andere talen}}==
<span>
:<div class="emoji flag de"></div> '''[[DE120.10 Alexander]]'''
:<div class="emoji flag uk"></div> '''[[EN120.10 Alexander]]'''
:<div class="emoji flag es"></div> '''[[ES120.10 Alejandro]]'''
:<div class="emoji flag fs"></div> '''[[FS120.10 ALEXANDRE|FS120.10 <span class="fryas">ALEXANDRE</span>]]'''
:<div class="emoji flag no"></div> '''[[NO120.10 Alexander]]'''</span>


==={{Versie_Own}}===
=={{Ander NL}}==
'''[/115]''' Ljudgeert, de schout-bij-nacht van Wichhirte, werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis, die hierna zal volgen.
Hoofdstuk S3: [[S3 Ottema|Ottema 1876]] | [[S3 Overwijn|Overwijn 1951]]
 
'''[117]''' Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren hadden gezeten, terwijl onze Sikambren of Kimbren alle zeeën bevoeren, die daar te vinden waren, kwam Alexander de koning, met een geweldig leger van boven langs de stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem weerstaan. Maar wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze roerende have in en vertrokken. Toen Alexander vernam, dat zulk een grote vloot hem ontvaren was, werd hij woedend, zwerende, dat hij alle dorpen aan de vlam zou offeren, als wij niet wilden terugkomen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, totdat hij beter was. Daarna kwam hij bij hem, met een minzaam praatje; maar hij dreigde, zoals hij vroeger had gedaan. Wichhirte antwoordde: o, allergrootste der koningen, wij zeelieden komen overal, wij hebben van Uw grote daden gehoord, daarom zijn wij vol eerbied voor Uw wapens, maar nog meer voor Uw wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryakinderen, wij mogen Uw slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zo is het door onze wetten bevolen. Alexander zei: ik wil Uw land niet maken tot mijn buit, noch Uw volk tot mijn slaven. Ik wil alleen, dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoons. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar de heilige Ganges voeren, die hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij te werk en koos al degenen uit zijn volk en zijn ongeregelde troepen, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weer ziek geworden, daarom ging ik alleen mee en Nearchos van ’s koningswege. De tocht liep op niets uit, omdat de Ioniërs altijd in onmin leefden met de Phoinikiërs, zodat Nearchos er zelf geen baas over kon blijven. Intussen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijn troepen bomen laten kappen en tot planken maken. Met behulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden en met zijn hele leger de Ganges opvaren. Maar de losse troepen, die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij mee moesten, staken zij de timmerloodsen in brand. Daardoor werd ons hele dorp in de as gelegd. Eerst dachten wij, dat Alexander het bevolen had en iedereen stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend, hij wilde de ongeregelde troepen door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Nearchos, die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem aan anders te doen. Toen hield hij zich alsof hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet te hervatten. Nu wilde hij wel terugkeren, maar eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken, wie er schuldig waren. Zodra '''[119]''' hij dat wist, liet hij die allen zonder wapens blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden achter, om de anderen te temmen en om een burcht te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen meenemen. Toen wij aan de mond van de Euphraat kwamen, mochten wij daar een plaats kiezen, of terugkeren, ons loon zou ons evengoed toebedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die de brand ontkomen waren, liet hij Ioniërs en gemengde Grieken gaan. Hijzelf ging met zijn andere volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha uit de zee had opgeheven, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zodra zij in de Rode Zee kwamen.
 
Toen wij te Nieuw Geermania kwamen, (Nieuw Geermania is een haven, die wij zelf hadden gemaakt, om daar water in te nemen,) ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchos ging de wal op en vertoefde daar drie dagen. Vervolgens ging het weer verder. Toen wij bij de Euphraat kwamen, ging Nearchos met de soldaten en velen van zijn volk de wal op. Maar hij kwam spoedig terug. Hij zei, de koning laat U verzoeken, of gij nog een kleine tocht voor hem zoudt willen doen, tot aan het einde van de Rode Zee. Daarna zal ieder zoveel goud krijgen, als hij kan tillen. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger was geweest. Daarna vertoefde hij daar een en dertig dagen, aldoor uitziende naar de woestijn. Ten langen leste kwam er een troep mensen, medevoerende 200 olifanten en 1000 kamelen met houten balken, reep en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandse Zee te slepen. Dat verbaasde ons en leek ons mal toe, maar Nearchos vertelde ons, dat zijn koning aan de andere koningen wilde tonen, dat hij machtiger was, dan de koningen van Thyris (Tunis) vroeger waren geweest. Wij moesten maar meehelpen, dat zou ons zeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten en Nearchos wist alles zo netjes te regelen, dat wij in de Middellandse Zee lagen, eer drie maanden waren verlopen. Toen Alexander vernam, hoe het met zijn ontwerp was afgelopen, werd hij zo vermetel, dat hij de droge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wr.alda liet zijn ziel los, daarom verdronk hij in de wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmee kon beginnen. Na zijn dood, werd het rijk verdeeld door zijn vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijn zoons bewaren, maar zij werden het oneens. Elk wilde zijn deel behouden en hetzelve vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terugkeren. Nearchos wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phoinikië, maar dat wilde niemand doen, Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryaland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryakinderen vroeger heengetogen waren. Voorts gingen wij ongeregelde troepen, leeftocht en wapens vervoeren.
 
===Ottema 1876===
'''[/165]''' Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
 
Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende; doch hij bedroog gelijk '''[167]''' hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren met de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij mede moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Nearchus, '''[169]''' die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
 
Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven, die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen, ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen, medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen (touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek '''[171]''' ons raar toe; maar Nearchus verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.
</div>
 
{{Hoofdstuk Navigatie|normal=NL125.05 Demetrius|back=NL118.32 Vloot|alternative=NL125.05 Demetrius|altback=NL163.10 Panjab}}
<span><div class="emoji flag uk"></div> '''[[En 14d Alexander]]'''</span>
[[Category:Nederlandse Vertalingen]]
[[Category:Nederlandse Vertalingen]]
__FORCETOC__
{{DEFAULTSORT:^S. Frethorik^}}
{{DEFAULTSORT:^S. Frethorik^}}

Latest revision as of 09:13, 15 May 2025

Ontwerp 2026 Ott

S. Frethorik

3. Dagboek Ljudgeert

a. Koning Alexander

120.10 Ljudgeert, de schout-bij-nacht van Wichhirte, werd mijn bondgenoot en later mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de hierna volgende geschiedenis.

Nadat wij twaalfmaal honderd en tweemaal twaalf jaar bij de Vijf Wateren hadden gezeten en onze zeevaarders alle daar vindbare zeeën hadden bevaren, kwam Alexander de Koning met een machtig leger van boven langs de rivier op onze dorpen af. Niemand vermocht hem wederwoord geven. Maar wij stuurlieden die aan de kust zaten, scheepten ons in met al ons tilbaar bezit en gingen ervandoor.

Toen Alexander vernam dat hem zo’n grote vloot ontkomen was, werd hij woedend en bezwoer alle dorpen aan vlammen te offeren, als we niet terug zouden komen. Wichhirte lag ziek op bed. Toen Alexander dat had gehoord, wachtte hij tot Wichhirte beter was. Daarna bezocht hij hem en sprak heel vriendelijk, [121] maar nam zijn dreigement niet terug. Wichhirte antwoordde daarop: “O, allergrootste der koningen! Wij zeevaarders komen overal en hebben van uw grootse daden gehoord. Daarom hebben we veel eerbied voor uw wapenen, maar nog meer voor uw inzicht. Maar wij zijn anders. Wij zijn vrij geboren Frijaskinderen. Wij kunnen geen slaven worden. Ook al wilde ik dat, de anderen zouden liever willen sterven. Want zo is het in onze eeuwige wetten bevolen.”

Alexander antwoordde: “Ik wil uw land niet tot mijn buit maken, noch uw volk tot slaven. Mijn enige wens is dat u mij dient tegen beloning. Ik zweer bij ons beider goden dat niemand zich over mij zal beklagen.” Toen Alexander daarna brood en zout met hem deelde, koos Wichhirte het meest wijze deel. Hij liet de schepen door zijn zoon terughalen.

Toen die terugwaren, heeft Alexander ze allemaal ingehuurd, om daarmee zijn volk te vervoeren naar de Heilige Gongga, die hij over land niet had kunnen bereiken. Daarop koos hij uit zijn volk en huurlingen degenen die gewend waren om op zee te varen. Wichhirte was weer ziek geworden, zodat van ons alleen ik meeging en Nearchos namens de koning. Deze expeditie leverde niets op, als gevolg van [122] de constante rivaliteit tussen de Joniërs en de Phoeniciërs, die het gezag van Nearchos ondermijnde.

Intussen had de koning niet stilgezeten. Hij had zijn huurlingen bomen laten kappen en tot planken zagen. Met hulp van onze timmerlieden liet hij daarvan schepen bouwen. Nu wilde hij zelf zeekoning worden en met heel zijn leger de Gongga opvaren. Maar de huurlingen uit het bergland waren bang voor de zee en toen ze hoorden dat ze mee moesten, staken ze de timmerwerf in brand, waardoor ons hele dorp in de as werd gelegd. Eerst dachten we dat Alexander dat had bevolen en iedereen stond klaar om uit te varen. Maar Alexander was woedend en wilde de huurlingen door zijn eigen volk laten ombrengen. Nearchos echter, die niet alleen zijn hoogste bevelhebber maar ook zijn vertrouweling was, raadde hem aan om het anders aan te pakken. Nu deed hij alsof hij geloofde dat het een ongelijk was geweest, maar hij durfde zijn onderneming niet te hervatten.

Nu wilde hij terugkeren, maar eerst liet hij uitzoeken wie de schuldigen waren. Zodra hij dat wist liet hij hen allen ongewapend blijven om een nieuw dorp te bouwen. Van zijn eigen volk liet hij er een paar gewapend achter om toezicht te [123] houden en een burg te bouwen. Wij moesten onze vrouwen en kinderen meenemen en als we aan de monding van de Eufraat aan zouden komen, konden we daar een plek uitkiezen of omkeren. In beide gevallen zouden we ons loon toebedeeld worden. Hij liet de Joniërs en Kreeklanders gaan in de nieuwe schepen die aan de brand ontkomen waren. Zelf zou hij met zijn overige volk langs de kust gaan en door de dorre woestijn, dat is het land dat Aarde had opgeheven uit de zee, toen ze de straat achter onze voorouders sloot, nadat zij in de Rode Zee waren aangekomen.

Toen we bij Nieuw Geertmania aankwamen (dat is een haven die wij zelf hadden aangelegd om schepen van drinkwater te voorzien), troffen we Alexander met zijn leger. Nearchos ging aan wal en bleef drie dagen, waarna we verdergingen.

Na aankomst bij de Eufraat ging Nearchos met de huurlingen en velen van zijn volk aan wal. Maar hij kwam snel terug en zei: “De koning laat u dringend vragen om in zijn dienst nog een korte reis te ondernemen tot aan het einde van de Rode Zee. Daarna zal iedereen zoveel goud krijgen als hij kan dragen.”

Toen we daar aankwamen liet hij ons wijzen waar de zeestraat ooit geweest was, waarna hij eenendertig dagen afwachtte, steeds maar uitkijkend over de woestijn. Tenslotte dook daar een menigte mensen op, meevoerdende [124] tweehonderd olifanten, duizend kamelen, beladen met houten balken, touw en allerlei gereedschap, om onze vloot naar de Middenzee te slepen. Dat verbaasde ons en leek ons een slecht plan. Maar Nearchos legde ons uit dat zijn koning de andere koningen wilde bewijzen dat hij machtiger was dan de koningen van Tyrus ooit waren geweest. Wij hoefden slechts mee te helpen. Dat zou ons toch zeker niet schaden? We moesten wel toegeven en Nearchos wist alles zo doeltreffend in te schatten dat we binnen drie maanden in de Middenzee lagen.

Toen Alexander vernam hoe goed zijn plan geslaagd was, werd hij zo roekeloos dat hij de drooggevallen zeestraat wilde uitdiepen, Aarde ten spot. Maar Wralda liet zijn ziel los, waarna hij verdronk in wijn en overmoed, nog voor hij kon beginnen.

Na zijn dood werd het rijk verdeeld door zijn generaals.[1] Zij zouden elk een deel voor zijn zoons bewaren, maar ze waren verdeeld.[2] Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vergroten. Daar kwam oorlog van en we konden niet meer terug.

Nu wilde Nearchos dat wij ons zouden vestigen aan de Phoenicische kust, maar daar voelde niemand iets voor. We zeiden dat wij liever een poging wilden wagen om [125] Frijasland te bereiken. Daarop bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athenia, waarheen vroeger alle echte Frijaskinderen getogen waren. Van daaruit gingen wij huurlingen, levensmiddelen en wapens vervoeren.

Noten

  1. Zie ook de Rijksdeling van Triparadisus. FORSTA is hier vertaald als generaals, de gebruikelijke vertaling (naast diadochen) in dit verband.
  2. ‘verdeeld’ (VNMÉNIS) — ‘niet-gemeenschappelijk’. De betekenis van het éénmaal in Oud Friese teksten (ambtseed schepenen Sneek) voorkomende ‘onmeens’ is onduidelijk.

Navigeer

NL118.32 Vloot ᐊ vorig/volgend ᐅ NL125.05 Demetrius

Aangepaste volgorde:

NL163.10 Panjab ᐊ vorig/volgend ᐅ NL125.05 Demetrius

In andere talen

DE120.10 Alexander
EN120.10 Alexander
ES120.10 Alejandro
FS120.10 ALEXANDRE
NO120.10 Alexander

Andere Nederlandse vertalingen

Hoofdstuk S3: Ottema 1876 | Overwijn 1951