PR1 Ottema

    From Oera Linda Wiki

    Deel II. Vervolg door Oera Lindas

    P. Adelbrost

    R. Apollania

    1. Na Adela’s Dood
    2. Geschriften Brunno
    Verraad door Burgfaam
    Gifpijl Treft Adela
    3. Lofspraak voor Adela

    Ottema 1876

    [123] De schriften van Adelborst en Apollonia.

    Mijn naam is Adelborst, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek vervolgen, op zoodanige wijze als moeder gesproken heeft.

    Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksanamarken paalt. Mijne moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen, nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen.

    Liudgert de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; [125] want iedereen was bevreesd, dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten voordeele van haar eigen staat. Door. dusdanige ranken brachten zij tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden ons al het land afgewonnen hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen, en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.

    Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweemaal dertig dagen na moeders dood, heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf, zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om vandaar ons leed te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik [127] en mijn broeder roem aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons ook een afschrift gegeven van het boek van Adela’s aanhangers. Daarmede ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.

    Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest is op deze burgt.

    Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; [129] doch is zij daarom wijzer en beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.

    De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden geëindigd: de messen uit de scheede gehaald, en er werd geene Moeder gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne Burgtmaagd verlof hem buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf beleden.

    Het tweede geschrift.

    Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan [131] lustige vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak te vermeerderen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag verwaarloosd worden. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood weg, en de waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren weggeloopen, en op de toepaden was niemand te zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende met de meidoorn, en deze vervulde de lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen in vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk alle boozen waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.

    Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders hunne wapenen gegrepen en trokken onbezorgd hun tegemoet. De roovers zouden hen spoedig gevangen [133] genomen hebben, maar Adela kwam, op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.

    Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan is zij gestorven.

    De lofspraak der Burgtmaagd.

    Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere zijn op weg.

    Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.

    Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.

    O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare schoonheid verhoogen? Niet met paarlen, want hare tanden zijn witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons dierbaar wezen.

    Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.

    Zie daar, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept zij, tracht hulp te [135] verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te maken; nu helpen ook de anderen en de kinderen zijn gered.

    Jaarlijks kwamen de kinderen hier bloemen neêrleggen.

    Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hun volk opeischen; toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.

    Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.

    Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden gegrift.

    Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.

    Navigeer

    MNO Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ R4 Ottema