R4 Ottema
Deel II. Vervolg door Oera Lindas
R. Apollania
- 4. Op de Burgtoren
- 5. Help je Naasten
Ottema 1876
[/135] De oude leer, die gegrift is buiten op de wand des burgttorens, is niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
Oudste leer.
Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor [137] zal het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde, alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene, en er zijn geen goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid en domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien, maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen goed, en er zijn geen goeden buiten hem. Met het Juul verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; [139] en omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
Het tweede deel van de oudste leer.
Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken door hulp van hun brein.
Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben zij van ons gestolen.
Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid hebben hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die gij naderhand aanbidt. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf gods dienaren of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in waarheid, [141] alleen opdat zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van buiten leeren, wat hier zal volgen.
Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen; doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats, van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap was. Even zoo de ouden van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt: ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
In plaats dus van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas, ja door ons alleen mag hij denken, [143] zoo willen wij verkondigen overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot: doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest, hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden nog reddelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe en door vloed.
Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en antwoord aan andere Maagden tot een voorbeeld.
Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan, zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide: toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het gevolg was, dat zij nat werd. Doch zij had gezien, [145] hoe het water bij de hellende bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en overlegden te zamen. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens al de andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fæsta heeft ons geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fæsta, behoed dan uwe naasten, onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
PR1 Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ R6 Ottema