Nl 18 Naamroof

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    18. Inflatie van eretitels

    [189] (...) Daarom wil dat hieraan toevoegen.

    Betoog van de gewezen maagd Rika, voorgedragen te Staveren, ter gelegenheid van het Joelfeest.

    Aan u allen, wier voorouders met Friso hier aankwamen, met mijn eerbied.
    Jullie menen onschuldig te zijn aan afgoderij. Daar zal ik vandaag niets over zeggen. Vandaag wil ik jullie wijzen op een dwaling die niet veel beter is.
    Sommigen van jullie weten misschien dat Wralda duizend eretitels heeft. Wat jullie allemaal weten is dat hij 'Alvoeder' wordt genoemd, omdat alles uit hem voortkomt en groeit om zijn schepselen te voeden. Het is waar dat Aarde soms ook 'Alvoedster' genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en noten baart, waarmee mens en dier zich voedt. Maar zij zou geen vrucht of noot baren, als Wralda haar de kracht niet gaf. Ook wijven die kinderen zogen aan de borst worden 'voedster' genoemd,[1] maar zonder Wralda zou er geen melk in zitten en hadden de kinderen niets te drinken. Per slot van rekening blijft dus alleen Wralda voeder. Dat Aarde soms Alvoedster wordt genoemd en een mem voedster is nog te rechtvaardigen, maar dat een man die taat is zich 'vader' (afgeleid van voeder) laat noemen, is in strijd met alle [190] redelijkheid. Maar ik weet wel waar deze dwaasheid vandaankomt. Luister goed!
    Ze komt van onze vijanden en als die nagevolgd worden zullen jullie daardoor slaven worden, tot verdriet van Frya en tot straf van jullie zelfoverschatting. Ik zal uitleggen hoe het bij de Slavenvolkeren is gegaan, zodat je daarvan kunt leren.
    De zelfzuchtige marionettenkoningen steken Wralda naar de kroon, jaloers als ze zijn dat hij Alvoeder wordt genoemd. Zo wilden zij vader van hun volk heten. Iedereen weet dat een koning geen invloed heeft op de groei van gewassen en dat hem zijn voeding door het volk wordt gebracht. Maar toch wilden zij hun opschepperij doorzetten. Om hun doel te bereiken, zijn ze in de eerste plaats niet tevreden geweest met vrijwillige giften, maar hebben ze het volk belasting opgelegd. Met het vermogen dat ze daarmee vergaarden huurden ze buitenlandse huurlingen, die ze in en om hun paleizen opstelden.
    Ook namen ze zoveel wijven als ze wilden en de mindere prinsen volgen hun voorbeeld. Toen vervolgens twist en tweespalt in de huishoudens slopen en daarover klachten kwamen, zeiden ze: "Elke man is voeder van zijn huishouden. Daarom moet hij er ook baas en rechter [191] over zijn." Daarop verscheen zelfzucht en zoals hij met de mannen over de huishoudens regeerde, ging hij met de koningen over hun landen en volken doen. En toen de koningen het zover geschopt hadden dat ze 'vader van het volk' werden genoemd, gingen ze een stap verder en lieten ze beelden van zichzelf maken. Deze beelden lieten ze in tempels zetten, naast de beelden van afgoden, en wie daar niet voor buigen wilde werd omgebracht of in boeien geslagen.
    Jullie voorouders en de Twisklanders zijn met de marionettenkoningen omgegaan en van hen hebben ze deze dwaasheid geleerd. Maar het zijn niet alleen sommige van jullie mannen die zich schuldig maken aan roof van eretitels. Ook moet ik mijn ongenoegen uiten over vele van jullie wijven. Zoals er bij jullie mannen worden gevonden die zich willen vergelijken met Wralda, zo worden er wijven gevonden die dat met Frya willen. Omdat ze kinderen hebben gebaard laten ze zich 'moeder' noemen. Maar ze vergeten dat Frya kinderen kreeg zonder tussenkomst van een man. Ja, ze willen niet alleen de eretitels roven van Frya en de eremoeder, die ver boven hen verheven zijn; ze doen hetzelfde met de eretitels van hun naasten. Er [192] zijn wijven die zich 'vrouwe' laten noemen, hoewel ze weten dat deze titel is voorbehouden aan de wijven van vorsten. Ook laten ze hun dochters famen of 'maagden' noemen, ondanks dat ze weten dat alleen meisjes die tot een burcht zijn toegetreden zo mogen worden genoemd.
    Jullie verbeelden je dat jullie door die inflatie van titels beter worden, maar jullie beseffen niet dat daar jaloezie aan kleeft en dat elk kwaad zijn tuchtroede zaait.[2] Als jullie zo doorgaan zal tijd die laten groeien, zo sterk dat de gevolgen niet te overzien zijn. Jullie nakomelingen zullen daarmee worden afgeranseld. Ze zullen niet begrijpen waar de slagen vandaan komen. Maar hoewel jullie voor de maagden geen burchten bouwen en hen aan hun lot overlaten, toch zullen er enige blijven voortbestaan. Die zullen uit bossen en andere schuilplaatsen komen. Ze zullen jullie nazaten uitleggen dat jullie hun leed hebben veroorzaakt, terwijl jullie gewaarschuwd waren. Dan zal men jullie vervloeken. Jullie geesten zullen angstig uit de graven opstijgen. Zij zullen Wralda, Frya en haar waaksters aanroepen, maar niemand zal er iets aan kunnen doen voordat het Joel een volgende rondgang begint. En dat zal pas gebeuren wanneer er drieduizend jaar zijn verstreken, na deze eeuw.

    Einde van Rika's betoog.

    [de twee hierop volgende bladzijden ontbreken]

    Noten

    1. WIVA (vrouwen, echtgenotes) is hier vertaald als wijven, omwille van de context. Dat geldt verderop in de tekst ook voor MÀM (mem: moeder), TÁT (taat: vader) en FÁMNA (famen: wijze maagden).
    2. Dat wil zeggen: elk kwaad wordt uiteindelijk bestraft.

    Overwijn 1951

    [/157] daarom wil ik dit hier een plaats gunnen.

    Brief van Rika de Oudmaagd, voorgelezen te Staveren bij het jolfeest.

    Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijn eerbiedig welkom! Zoals ge meent, zijt ge niet schuldig aan afgoderij. Daar wil ik vandaag niet over spreken, maar heden wil ik U op een gebrek wijzen, dat weinig beter is. Ge weet het of ge weet het niet, dat Wr.alda duizend huldigingsnamen heeft. Doch dat weet ge allen, dat Hij Alvoeder wordt genoemd, omdat alles uit Hem wordt en wast tot voeding van zijn schepselen. Het is waar, dat Irtha soms ook Alvoedster wordt genoemd, omdat zij alle vruchten en noten voortbrengt, waarmee mens en dier zich voeden. Maar zij zou geen vruchten en noten voortbrengen, indien Wr.alda haar geen krachten gaf. Ook vrouwen, die heur kinderen aan heur borsten zogen, worden voedsters genoemd. Echter gaf Wr.alda daarin geen melk, dan zouden de kinderen daar geen baat bij vinden. Zodat bij slot van rekening Wr.alda alleen de voeder blijft. Dat Irtha soms Alvoedster genoemd wordt en een zoogster „voedster”, kan nog door woordwending, maar dat een man zich „voeder” laat noemen, omdat hij vader is, strijdt tegen alle rede,

    Doch weet ik, waar deze dwaasheid vandaan komt. Hoort maar, zij komt van onze vijanden en wanneer die gevolgd worden, dan zult ge daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uw hoogmoed. Ik zal U eens zeggen, hoe het bij de slavenvolken is toegegaan, daaruit kunt ge leren. De vreemde koningen, die naar willekeur leven, steken Wr.alda naar de kroon. Uit nijd, dat Wr.alda Alvader heet, wilden zij ook de vaders van de volkeren worden genoemd. Nu weet iedereen, dat een koning niet over de wasdom heerst en dat hem zijn voeding door het volk wordt gebracht, maar toch wilden zij volharden bij hun vermetelheid. Opdat zij tot hun [159] doel konden geraken, zijn zij in ’t eerst niet voldaan geweest met de vrije giften maar hebben het volk een cijns opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij buitenlandse ongeregelde troepen, die zij rondom hun hoven legerden. Vervolgens namen zij zoveel vrouwen, als hun lustte en de kleine vorsten en heren deden eender. Toen naderhand twist en tweespalt in de huishouding sloop en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd: Ieder man is de voeder van zijn huisgezin, daarom zal hij ook meester en rechter daarover zijn. Toen kwam de willekeur en evenals die met de mannen over het huisgezin heerste, ging zij dat ook met de koningen over hun staat en volkeren doen. Toen de koningen het zo ver gebracht hadden, dat zij vader des volks heetten, gingen zij tewerk en lieten beelden naar hun gelijkenis maken. Deze beelden lieten zij in de kerken zetten naast de beelden der afgoden en degene, die daar niet voor wilde buigen, werd omgebracht of in ketenen geslagen. Uw voorvaderen en de Heidelanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen, dat sommigen van U mannen, zich schuldig maken aan roof van erenamen (titels), ook moet ik mij over velen van jullie vrouwen beklagen. Worden bij U mannen gevonden, die zich met Wr.alda op één lijn willen stellen, er worden bij U ook vrouwen gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij zich „moeder” noemen. Doch zij vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben zij Frya en de Eremoeders van heur eervolle namen willen beroven, waarmee zij zich toch niet gelijk kunnen stellen, zij doen het evenzo met de erenamen van haar naasten. Er zijn huisvrouwen, die zich ‘vrouwe’ laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook laten zij haar dochters 'maagden’ noemen, hoewel zij weten, dat geen jonge dochter zo mag heten, tenzij zij tot een burcht behoort. Gij allen waant, dat ze door dat naamstelen beter wordt, doch ge vergeet, dat er afgunst aan kleeft en dat elk kwaad zijn tuchtroede uitzaait. Verbetert ge U niet, dan zal de tijd de zaak erger maken, zo erg, dat men er het eind niet van kan zien. Uw nakomelingen zullen daarmee gegeeseld worden, zij zullen niet begrijpen, waar die slagen vandaan komen. Maar ofschoon ge voor de maagden geen burchten bouwt en hen aan haar lot overlaat, toch zullen er overblijven. Zij zullen uit woud en holen komen, zij zullen Uw nakomelingen bewijzen, dat ze daaraan moedwillig schuldig zijt. Dan zal men U verdoemen, Uw schimmen zullen vervaard uit hun graven oprijzen, zij zullen Wr.alda, zij zullen Frya en heur maagden aanroepen, maar niemand zal er iets aan kunnen verbeteren alvorens het Jol in een andere baan loopt, maar dat zal eerst gebeuren als er drie duizend jaar verlopen zjn na deze eeuw.

    Einde van Rika’s brief.

    [In het handschrift ontbreken twee blz. volgens de nummering. Er kunnen er meer ontbreken. De schrijver (schrijfster) van wat volgt, moet zijn geweest een afstammeling van Beden. De nu volgende brief heeft geen aanhef.]

    Ottema 1876

    [229] daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.

    Brief van Rika de Oudmaagd, voorgelezen te Staveren bij het juulfeest.

    Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensch en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader) zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.

    Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt van onze vijanden, en wanneer die gevolgd worden, zoo zult gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is, daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat een koning niet over den [231] wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda op een lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe laten noemen, [233] ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aan kleeft, en dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.

    Einde van Rikas brief.

    Lees Verder

    Nl 17 Koenraad's Opvolger ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19a Oorlogsvoorbereiding

    Aangepaste volgorde:

    Nl 14g De Broekmannen ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 13e Oudste Leer 1