Jump to content

WY Overwijn

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

W. Beden: Openingszinnen

Y. Onbekende Opsteller: Rika: Eretitels

Overwijn 1951

[157] (Het geschrift van Beden.)

Mijn naam is Beden, zoon van Haachgana. Koenraad (Konereed) mijn oom is nooit getrouwd geweest en dus kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijn plaats gekozen, Adel, de derde koning van deze naam, heeft die keuze goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het volledige erf van mijn oom, heeft hij mij een hele plek grond gegeven, die aan mijn erf grensde, onder voorwaarde, dat ik daarop mensen zou zetten, die zijn lieden nimmer zouden....

[Hier ontbreken de blz. 169 tot en 188 aan het handschrift (20 blz), waarin Beden over koning Adel III schrijft, zoals uit de aanhef blijkt. Adel III wordt door de kroniekschrijvers Ubbo genoemd. Vermoedelijk zijn deze blz. vernietigd, omdat men vreesde, dat enige zakelijke gegevens van belang in verkeerde handen zouden komen.]

daarom wil ik dit hier een plaats gunnen.

Brief van Rika de Oudmaagd, voorgelezen te Staveren bij het jolfeest.

Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijn eerbiedig welkom! Zoals ge meent, zijt ge niet schuldig aan afgoderij. Daar wil ik vandaag niet over spreken, maar heden wil ik U op een gebrek wijzen, dat weinig beter is. Ge weet het of ge weet het niet, dat Wr.alda duizend huldigingsnamen heeft. Doch dat weet ge allen, dat Hij Alvoeder wordt genoemd, omdat alles uit Hem wordt en wast tot voeding van zijn schepselen. Het is waar, dat Irtha soms ook Alvoedster wordt genoemd, omdat zij alle vruchten en noten voortbrengt, waarmee mens en dier zich voeden. Maar zij zou geen vruchten en noten voortbrengen, indien Wr.alda haar geen krachten gaf. Ook vrouwen, die heur kinderen aan heur borsten zogen, worden voedsters genoemd. Echter gaf Wr.alda daarin geen melk, dan zouden de kinderen daar geen baat bij vinden. Zodat bij slot van rekening Wr.alda alleen de voeder blijft. Dat Irtha soms Alvoedster genoemd wordt en een zoogster „voedster”, kan nog door woordwending, maar dat een man zich „voeder” laat noemen, omdat hij vader is, strijdt tegen alle rede,

Doch weet ik, waar deze dwaasheid vandaan komt. Hoort maar, zij komt van onze vijanden en wanneer die gevolgd worden, dan zult ge daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uw hoogmoed. Ik zal U eens zeggen, hoe het bij de slavenvolken is toegegaan, daaruit kunt ge leren. De vreemde koningen, die naar willekeur leven, steken Wr.alda naar de kroon. Uit nijd, dat Wr.alda Alvader heet, wilden zij ook de vaders van de volkeren worden genoemd. Nu weet iedereen, dat een koning niet over de wasdom heerst en dat hem zijn voeding door het volk wordt gebracht, maar toch wilden zij volharden bij hun vermetelheid. Opdat zij tot hun [159] doel konden geraken, zijn zij in ’t eerst niet voldaan geweest met de vrije giften maar hebben het volk een cijns opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij buitenlandse ongeregelde troepen, die zij rondom hun hoven legerden. Vervolgens namen zij zoveel vrouwen, als hun lustte en de kleine vorsten en heren deden eender. Toen naderhand twist en tweespalt in de huishouding sloop en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd: Ieder man is de voeder van zijn huisgezin, daarom zal hij ook meester en rechter daarover zijn. Toen kwam de willekeur en evenals die met de mannen over het huisgezin heerste, ging zij dat ook met de koningen over hun staat en volkeren doen. Toen de koningen het zo ver gebracht hadden, dat zij vader des volks heetten, gingen zij tewerk en lieten beelden naar hun gelijkenis maken. Deze beelden lieten zij in de kerken zetten naast de beelden der afgoden en degene, die daar niet voor wilde buigen, werd omgebracht of in ketenen geslagen. Uw voorvaderen en de Heidelanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen, dat sommigen van U mannen, zich schuldig maken aan roof van erenamen (titels), ook moet ik mij over velen van jullie vrouwen beklagen. Worden bij U mannen gevonden, die zich met Wr.alda op één lijn willen stellen, er worden bij U ook vrouwen gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij zich „moeder” noemen. Doch zij vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben zij Frya en de Eremoeders van heur eervolle namen willen beroven, waarmee zij zich toch niet gelijk kunnen stellen, zij doen het evenzo met de erenamen van haar naasten. Er zijn huisvrouwen, die zich ‘vrouwe’ laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook laten zij haar dochters ‘maagden’ noemen, hoewel zij weten, dat geen jonge dochter zo mag heten, tenzij zij tot een burcht behoort. Gij allen waant, dat ze door dat naamstelen beter wordt, doch ge vergeet, dat er afgunst aan kleeft en dat elk kwaad zijn tuchtroede uitzaait. Verbetert ge U niet, dan zal de tijd de zaak erger maken, zo erg, dat men er het eind niet van kan zien. Uw nakomelingen zullen daarmee gegeeseld worden, zij zullen niet begrijpen, waar die slagen vandaan komen. Maar ofschoon ge voor de maagden geen burchten bouwt en hen aan haar lot overlaat, toch zullen er overblijven. Zij zullen uit woud en holen komen, zij zullen Uw nakomelingen bewijzen, dat ze daaraan moedwillig schuldig zijt. Dan zal men U verdoemen, Uw schimmen zullen vervaard uit hun graven oprijzen, zij zullen Wr.alda, zij zullen Frya en heur maagden aanroepen, maar niemand zal er iets aan kunnen verbeteren alvorens het Jol in een andere baan loopt, maar dat zal eerst gebeuren als er drie duizend jaar verlopen zjn na deze eeuw.

Einde van Rika’s brief.

[In het handschrift ontbreken twee blz. volgens de nummering. Er kunnen er meer ontbreken. De schrijver (schrijfster) van wat volgt, moet zijn geweest een afstammeling van Beden. De nu volgende brief heeft geen aanhef.]

Navigeer

U3 Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ Z Overwijn