Jump to content

WY Ottema

From Oera Linda Wiki

Deel II. Vervolg door Oera Lindas

W. Beden: Openingszinnen

Y. Onbekende Opsteller: Rika: Eretitels

Ottema 1876

[/227] Het geschrift van Beeden.

Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgana. Konereed mijn oom is nooit getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden...

[Hier ontbreken in het H.S. twintig bladzijden (misschien meer), waarin Beeden geschreven heeft over dien Koning Adel III. (Bij onze kroniekschrijvers Ubbo genoemd.)]

[229] daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.

Brief van Rika de Oudmaagd, voorgelezen te Staveren bij het juulfeest.

Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensch en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader) zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.

Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt van onze vijanden, en wanneer die gevolgd worden, zoo zult gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is, daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat een koning niet over den [231] wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda op een lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe laten noemen, [233] ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aan kleeft, en dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.

Einde van Rikas brief.

Navigeer

U3 Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ Z Ottema