L Overwijn

    From Oera Linda Wiki

    Deel I. Het Boek der Adela-volgers

    L. Tijdperk Minerva

    1. Op Walhallagara
    Kelta en Minerva
    De Vloot van Jon
    Kelta en de Golen
    2. Op Fryasburg 1
    Minerva en Jon
    De Geertmannen

    Overwijn 1951

    [63] Nu willen wij schrijven over de oorlog der burchtmaagden Kaelta en Minerva en hoe wij daardoor al onze zuidelijke landen en Brittanië aan de Golen hebben verloren.

    Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd naar Frya's zeven waakmeisjes van de week. Midden op het éne eiland is de burcht Walhallagara, en van de wanden dier burcht is de volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.

    563 jaar nadat Altand was verzonken, zat hier een wijze burchtmaagd, Minerva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nehellenia, Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw en helder boven alle andere.

    Over de Schelde op de Vliedburcht, zat Syra (De Syrische). Deze burchtmaagd zat vol streken. Schoon was haar gelaat en rad haar tong, maar de raad die zij gaf, was altijd in duistere woorden vervat. De landzaten meenden, dat het een erenaam was. In de uiterste wil der overleden Moeder stond Rosamonde als eerste, Minerva als tweede en Syra als derde opvolgster beschreven. Minerva had daar geen weet van, maar Syra was erdoor geraakt. Evenals een buitenlandse vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en aanbeden worden; Minerva alleen bemind zijn. Ten laatste kwamen alle zeelieden haar hulde bieden, zelfs van de Lage Landen (Danebrohe) en van het Vliedmeer. Dat kwetste Syra, want zij wilde boven Minerva uitmunten. Opdat men een grote dunk van haar waakzaamheid zou hebben, maakte zij een haan op haar banier. Toen ging Minerva heen en maakte een herdershond en een nachtuil op heur banier. De hond, zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde en de nachtuil waakt over de velden, opdat zij niet door de muizen verwoest worden, maar de haan heeft voor niemand vriendschap en door zijn ontucht en zijn hoogvaardigheid is hij vaak de moordenaar van zijn naaste bloedverwanten geworden. Toen Kälta zag, dat haar werk verkeerd uitkwam, kwam zij van kwaad tot erger. In stilte liet zij Magianen bij zich komen om toverij te leren. Toen zij daarin pleizier kreeg, wierp zij zich in de armen der Golen, maar van al die misdaden werd zij niet beter. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar vervreemdden, wilde zij hen door vrees winnen. Was het volle maan en de zee onstuimig, dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepend, dat zij allen zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts verblindde zij hun ogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden. Daardoor is menig schip met man en muis vergaan. Op het eerste krijgsfeest, toen al haar landgenoten gewapend waren, liet zij hun tonnen bier schenken. In dat bier had zij een toverdrank gedaan. Toen nu heel het volk dronken was, ging zij boven op haar strijdros staan met het hoofd tegen haar speer [65] geleund. Het morgenrood kon niet schoner zijn. Toen zij zag, dat aller ogen op haar gevestigd waren, opende zij haar lippen en sprak uitdrukkelijk: Zoons en dochters van Frya, gij weet wel, dat wij in de laatste tijd veel schade en gebrek hebben geleden, omdat de zeelieden niet langer komen om ons schrijfvilt te verkopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is. Lang heb ik mij ingehouden, maar nu kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat ge weten moogt, waarnaar ge moet toeslaan. Aan de overzijde van de Schelde, waar men bijna de vaart van alle zeeën heeft, daar maakt men heden ten dage schrijfvilt van pompeblaren, daarmede spaart men vlas uit en kan men ons missen. Omdat het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste bedrijf is geweest, heeft de Moeder gewild, dat men het ons zou laten. Maar Minerva heeft heel het volk behekst, ja behekst, vrienden, evenals al ons vee, dat laatst gestorven is. Eruit moet het, ik wil het U vertellen. Was ik niet burchtvrouw, ik zou het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste woord had geuit, spoedde zij zich naar haar burcht, maar het beschonken volk was zo opgewonden, dat het zijn zinnen niet meester was. In dolle overmoed ging het over de Sandfal en nadat des nacht middelerwijl gedaald was, ging men even driest op de burcht los. Doch Kälta miste al weer haar doel, want Minerva en haar Maagden en de lamp werden allen door de rappe zeelieden gered.

    Hierbij komt de geschiedenis van (Jon) Ioniër.

    Jon, (Joon, Jhon en Jaan, betekent: ‘gegeven’ (jeven), maar) dat ligt aan de uitspraak van de zeelieden, die uit gewoonte alles verkorten, om het verweg en luid te kunnen roepen. Jon, (dat is 'gegeven'), was zeekoning, (geboren te Alderga), bij ’t Vliedmeer uitgevaren met 127 schepen, uitgerust voor een grote reis en rijk beladen met barnsteen, tin, koper, ijzer, laken, vlasvilt en vrouwenvilt van otter-, bever- en konijnenhaar. Nu zou hij van hier nog schrijfvilt meenemen, maar toen de Ioniër hier kwam en zag, hoe Kälta onze roemrijke burcht verwoest had, werd hij zo uitermate boos, dat hij met al zijn manschappen op de Vliedburcht afging en daar ter vergelding de rode haan opstak. Maar door zijn schout-bij-nacht en sommigen van zijn manschappen werden de lamp en de maagden gered, maar Syra of Kälta konden zij niet vatten. Deze klom op de uiterste tinne, iedereen dacht, dat zij in de vlammen zou omkomen, maar wat gebeurde? Terwijl al haar lieden stokstijf van schrik stonden, kwam zij schoner dan ooit tevoren op haar ros aanrijden, hun toeroepende: „naar Kälta, mijnes.” Toen liep het [67] andere Scheldevolk te hoop. Zodra de zeelieden dat zagen, riepen zij: „wij voor Minerva”, Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizenden gevallen zijn.

    In die tijd was Rosamon (dat is Rosamuda), Moeder; zij had veel in der minne geschikt om de vrede te bewaren, doch nu het zo erg werd, maakte zij korte metten. Terstond zond zij boden langs de landpalen en liet een algemene noodban uitroepen, toen kwamen de landverdedigers uit alle oorden vandaan. Het strijdende landvolk werd opgepakt, maar Jon borg zich met zijn manschappen op zijn vloot, de beide lampen meenemende, benevens Minerva en de maagden van de beide burchten. Helprik, de veldheer, eiste hem op, maar terwijl alle troepen nog aan de overzijde van de Schelde waren, voer de Ioniër terug naar ’t Vliedmeer en terstond weer naar onze eilanden. Zijn mensen en velen van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en toen de Ioniër nu zag, dat men hem en zijn volk als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk. Daar deed hij wel aan, want al onze eilanders en het andere Scheldevolk, dat gevochten had, werd naar Brittannië gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.

    Kälta, die, zo men zegt, even gemakkelijk op het water als op het land kon lopen, ging naar de vaste wal en voorts op de Iles d'Hyères af. Toen kwamen de Golen met hun schepen uit de Middellandse Zee naar Kattenburg varen en geheel ons Zuiderland langs en vielen op Brittannië aan, maar daar konden zij geen vaste voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de bannelingen nog Fryas waren. Maar nu kwam Kälta en sprak: gij zijt vrij geboren, en om kleine gebreken heeft men U tot verworpenen gemaakt, niet om U te verbeteren, maar om tin te winnen door Uw handen. Wilt gij weer vrij zijn en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit, wapens zullen U worden gegeven en ik zal over U waken. Als bliksemvuur ging het over de eilanden en eer er één sterrenbeeld was verlopen, was zij meesteres over allen en over de Etrusken en Katten (Thyriërs) van al onze zuiderstaten tot aan de Seine. Omdat Kälta zich niet te zeer vertrouwde, liet zij in het noordelijke bergland een burcht bouwen. Kältasburcht werd hij geheten, hij is nog aanwezig, maar nu heet hij Kerenak. Van deze burcht uit heerste zij als een echte moeder, doch niet ter wille vàn, maar óver haar volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heersten allengs over heel Brittannië, dat kwam eensdeels, omdat haar volk niet meer burchten had, anderdeels omdat men daar geen burchtvrouwen had en in de derde plaats, omdat men geen echte lamp had. Door al deze oorzaken kon haar volk niets leren. Het werd dom en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijn ijzeren [69] wapens beroofd en tenslotte als een stier bij de neus rondgeleid.

    Nu willen wij schrijven, hoe het de Ioniër is vergaan.

    Dit staat in Techelland beschreven.

    Tien jaar nadat de Ioniër was vertrokken, kwamen hier drie schepen in het Vliedmeer binnenvallen, het volk riep: ”ons eigen” en van hun verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.

    Toen de Ioniër in de Middellandse Zee kwam, was de mare vanwege de Golen hem overal vooruitgegaan, zodat hij aan de kusten van het dichtstbije Krekaland (Italië) nergens veilig was. Hij stak dus met zijn vloot naar Lydia over, dat is Lyda's land (Afrika). Daar wilden de zwarte mensen hen grijpen en opeten. Ten slotte kwamen zij (te Thyrrus) bij de Etrusken, maar Minerva zei, houdt af, want hier is de lucht al lang verpest door de priesters. De koning was een afstammeling van onze Etrusk (Tunis), gelijk wij later hoorden. Maar, omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar naar hun begrip zeer lang was, hadden zij (Tunis) de Etrusk tot een god verheven, tot ergenis van zijn volgelingen. Toen zij nu de Tyrrheense streek achter de rug hadden, kwamen de Etrusken (Tyrrheense zeerovers) een schip uit de achterhoede roven. Omdat dat schip te ver achteraan voer, konden wij het niet terugwinnen. Maar onze Ioniër zwoer daarover wraak, Toen de nacht kwam, wendde hij zich naar de verre Krekalanden. Tenslotte kwamen zij bij een land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar een havenmond.

    Hier, zei Minerva, zal misschien geen vrees voor vorsten of priesters nodig zijn, omdat die allemaal van vette klei houden. Maar toen zij de haven binnenliepen, vonden zij die niet ruim genoeg, om alle schepen te bevatten en toch waren bijna allen te laf om terug te gaan. Dus ging de Ioniër, die weg wilde, met zijn speer en vaan, het jonge volk toeroepen, wie zich vrijwillig bij hem wilde scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed dat ook. Het grootste deel voegde zich bij Minerva, maar de jongste zeelieden gingen naar de Ioniër over. Hij nam de lamp van Kälta en haar maagden mee; Minerva hield haar eïgen lamp en haar eigen maagden.

    Tussen de verre en naderbij gelegen Krekalanden vond de Ioniër enige eilanden, die hem goed leken. Op het grootste ging hij tussen het gebergte in het woud een burcht bouwen, Van uit de kleine eilanden ging hij uit wraak de Tyrrheense schepen en landen plunderen, daarom zijn die eilanden zowel de Roverseilanden, als de Ionische eilanden genoemd.

    Toen Minerva het land had gezien, dat door de inwoners Attikka is genoemd, zag zij, dat het volk uit geïtenhoeders bestond, zij voedden [71] zich met vlees, kruiden, wilde wortels en honig. Zij waren met vellen bekleed en hadden hun verblijfplaatsen op de (hellingen der) bergen, (Daardoor) werden zij door ons Hillénkr: gemakkelijk volk genoemd.

    In het eerst gingen zij op de loop, maar toen zij zagen, dat wij niet taalden naar hun bezittingen, kwamen zij terug en lieten grote vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden helpen strijden tegen hun buren, die gedurig hun kinderen kwamen schaken en hun goed roven. Toen bouwden wij een burcht anderhalve paal van de haven, (Op raad van Minerva werd zij) Athene genaamd, (want, zeide zij, de nakomelingen behoren te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als vrienden ontvangen). Terwijl wij nu aan die burcht werkten, kwamen de voornaamste ingezetenen. Toen zij zagen, dat wij geen slaven hadden, beviel hun zulks niet en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij dachten, dat deze een vorstin was. Maar Minerva vroeg: hoe zijt gij wel aan uw slaven gekomen? Zij antwoordden: sommige hebben wij gekocht, anderen in de strijd gewonnen, Minerva zei: als nu eens niemand mensen wou kopen, zou niemand uw kinderen roven en gij zoudt daarover geen oorlog hebben. Wilt gij dus onze bondgenoten blijven, dat moet gij uw slaven vrijlaten.

    Dat nu willen de vorsten niet, zij willen ons verdrijven. Maar de kloeksten van hun mensen komen onze burcht helpen bouwen, die wij nu van steen maken.

    Dit is de geschiedenis van de Ioniër en van Minerva.

    Toen zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren burchtwapens, want zeiden zij, onze belagers zijn machtig, maar als wij echte wapens hebben, zullen wij hun wel weerstaan. Toen zij daarin toegestemd had, vroegen zij of Frya's zeden te Athene en in de anders Krekalanden zouden bloeien. De Moeder antwoordde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behoren, dan zullen zij daar bloeien, maar behoren zij daartoe niet, dan zal er lang over moeten worden gestreden; want het krogen zal nog vijfduizend jaren met zijn Jol (zonnewiel) omlopen vóórdat Finda's volk rijp is voor de vrijheid.

    Dit is over de Geermanoren.

    Toen Hellenia of Minerva gestorven was, deden de priesters, alsof zij met ons waren en opdat zulks duidelijk zou blijken, hebben zij Hellenia tot godin uitgeroepen, Ook wilden zij geen andere Moeder [73] laten kiezen, zeggende, dat zij vreesden, dat er onder haar maagden geen zou wezen, die zij zo zouden kunnen vertrouwen als Minerva, die Nehellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden Minerva niet als een godin erkennen, omdat zij zelf ons gezegd had, dat niemand God kon zijn of volmaakt, dan alleen Wr.alda’s geest. Daarom kozen wij Geer, Pire’s dochter tot Moeder.

    Toen de priesters zagen, dat zij hun haring niet op ons vuur konden bakken, gingen zij uit Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als godin wilden erkennen uit nijd, omdat zij de ingezetenen zoveel liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeltenissen van haar, voorgevende, dat men daaraan alles kon vragen, zolang men gehoorzaam bleef. Door al deze verhalen werd het domme volk van ons afkerig gemaakt en ten slotte ging het ons te lijf. Maar wij hadden onze stenen burchtwal met twee horens omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Maar wat gebeurde? Een Egyptenaar, die opperpriester was, helder van ogen, klaar van brein en verlicht van geest, zijn naam was Kékrops, kwam raad geven. Toen Kékrops nu zag, dat hij met zijn lieden onze wal niet kon bestormen, zond hij boden naar Etrurië. Daarop kwamen driehonderd schepen vol ongeregelde troepen van de wilde bergvolken onverwachts onze haven binnenvaren, terwijl wij met al onze mannen op de wal aan het strijden waren.

    Zodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste troepen het dorp en onze schepen plunderen. Een krijger had reeds een meisje geschonden, maar Kékrops wilde dat niet gedogen en de Tyrrheense zeelieden, die nog Frya’s bloed in de aderen hadden, zeiden: als ge dat doet, zullen wij de rode haan op onze schepen zetten en gij zult uw bergen nooit weerzien. Kékrops, die niet hield van moorden noch van verminken, zond boden naar Geer om de burcht op te eisen. Zij mocht vrije uittocht hebben met al haar drijvende en draagbare have en haar volgelingen insgelijks. De wijsten van de burchtheren heel goed inziende, dat zij de burcht niet konden houden, raadden Geer aan, dat zij gauw moest toebijten, voordat Kékrops woedend werd en anders begon. Drie maanden daarna vertrok Geer met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij een eind buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van de Etrusken met vrouwen en kinderen, Zij wilden naar Athene gaan, maar toen zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met Geer mee. De vlootvoogd der Tyrrhenen (Etrusken) bracht allen tezamen door de straat, die in deze tijden op de Rode Zee uitliep, Ten slotte landden zij aan de Pangab, dat is in onze taal „vijf weteringen”, omdat daar vijf rivieren tezamen naar de zee toestromen. Hier zetten zij zich neer. Het land hebben zij Geermania genoemd. De koning der Etrusken later ziende, dat zijn allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijn schepen met zijn ongeregelde troepen om hen dood of levend te vatten. [75] Maar toen zij bij de straat kwamen, beefden de aarde en de zee. Daarop hief de aarde haar lijf daar zo omhoog, dat al het water de straat uitliep en alle wadden en schorren als een burchtwal voor hen oprezen.

    (Dit geschiedde wegens de deugden der Geermannen, gelijk iedereen klaar en duidelijk kan zien.)

    Navigeer

    K Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ MNO Overwijn