MNO Overwijn
Deel I. Het Boek der Adela-volgers
M. Op Fryasburg 2
N. Op Alle Burgen 3
- 1. De Deense Gemeenschap
- 2. Frana en de Mágí
Overwijn 1951
[/75] In het jaar 1005 nadat Atland verzonken is, is dit binnenop de oosterwand van Fryasburcht gegrift.
Nadat wij in twaalf jaren tjd geen Krekalander te Almanaland (Ameland) hadden gezien, kwamen hier drie schepen zo sierlijk als wij er geen hadden, en tevoren nimmer hadden gezien. Op het grootste was een koning van de Ionische eilanden, zijn naam was Ulyssos en de roep van zijn wijsheid groot. Aan deze koning was door een priesteres voorspeld, dat hij koning zou worden over alle Krekalanden, als hij raad wist om een lamp te krijgen, die aangestoken was aan de lamp te (Techelland) te Fryasburch, (Pays de Vannes; Bretagne). Om die te krijgen, had hij vele schatten meegebracht, bovenal vrouwensieraden, zoals er in de wereld niet schoner gemaakt werden. Zij waren afkomstig van Troje, een stad, die de Krekalanders hadden ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan, maar de Moeder wilde nergens van weten. Toen hij te lange leste zag, dat zij niet te winnen was, ging hij naar Walhallagara (Ogygia). Daar was een burchtvrouw, wier naam Kalipso was. (Kaat was, maar in de wandeling werd zij Kalip genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak.), Bij deze heeft hij jaren vertoefd tot ergenis van allen, die het wisten, Naar het zeggen der maagden heeft hij van haar ten slotte een lamp gekregen; maar het heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, is zijn schip vergaan, en hij werd naakt opgenomen door de andere schepen.
Van deze koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en wat hier volgt, heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag besluiten, hoe waar de Moeder Hellenia gesproken heeft, toen zij zeide, dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de andere Krekalanders hebt ge zeker veel kwaad over Kekrops gehoord, want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, dat hij een verlicht man was, hogelijk geroemd, zowel bij de inwoners als bij ons, want hij was er niet voor om de mensen te onderdrukken, zoals de andere priesters, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid van buitenlanders naar waarde te schatten, Omdat hij dat wist, heeft hij ons toegestaan te leven naar ons eigen [77] algemeen wetboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij geboren zou zijn uit een Fryas meisje en een Egyptisch priester, daar hij blauwe ogen had en dat er vele meisjes bij ons geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Maar zelf heeft hij dit nooit bevestigd. Hoe het ook zij, zeker is, dat hij ons meer vriendschap bewees, dan alle andere priesters tezamen. Maar toen hij gestorven was, gingen zijn opvolgers spoedig aan onze wetten tornen en allengs zoveel ongeschikte kleuren maken, dat er ten langen leste van gelijkheid en van vrijheid niet anders dan de schijn en de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedogen, dat de leefregels op schrift werden gesteld, waardoor de kennis ervan voor ons verborgen werd. Tevoren werden alle zaken binnen Athene in onze taal bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden en ten laatste alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het mansvolk van Athene enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar de jeugd, opgegroeid met de meisjes der inheemsen, trouwde daar ook mee. De bastaardkinderen, die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste ter wereld, maar zij waren ook de slechtste. Hinkende op beiden zijden bekreunden zij zich noch om wet noch om gewoonte, tenzij het was voor hun eigen belang. Zolang er nog een straal van Frya’s geest doorbrak, werd alle bouwmateriaal tot algemene werken verwerkt en niemand mocht een huis bouwen, dat ruimer en rijker was dan dat van zijn buurman. Maar toen enige verbasterde stedelingen rijk waren geworden door onze zeevaart en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen zij buiten op de hellingen of in de dalen wonen. Achter hoge wallen van loof of van steen, bouwden zij daar herenhuizen met kostbaar huisraad en om bij de euvele priesters in een goede roep te staan, plaatsten zij daarin, op valse goden gelijkende, en ontuchtige beelden. Bij de slechte priesters en vorsten werden soms de knapen meer begeerd dan de dochters en vaak door rijke giften of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Doordat rijkdom bij het verwende en verbasterde geslacht ver boven eer en deugd gold, zag men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleren sierden, hun ouders en de burchtvrouwen tot schande en hun sekse ten spot. Kwamen onze eenvoudige ouders te Athene op de algemene volksvergadering en wilden zij zich daar beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar gaat een zeegedrocht spreken, Zo is Athene geworden als een moeras in de hete landen, vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, waarin geen mens van strenge zeden zijn voet kan wagen.
[79] Dit staat op al onze burchten.
Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland is verzonken.
Door Godis’ dwaze sprongen, was de Magy de baas geworden over het oostelijke deel van Schoonland. Over de bergen en over de zee durfde hij niet komen. De Moeder wilde het niet terug hebben. Zij zei uitdrukkelijk: Ik zie geen gevaar in zijn wapens, maar wel om de Schoonlanders weer op te nemen, omdat zij verbasterd en bedorven zijn. Op de algemene vergadering dacht men evenzo. Daarom is het aan hem gelaten. Ruim honderd jaar geleden begonnen de Denemarkers met hen handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapens en gereedschap, daarvoor ruilden zij gouden sieraden, benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boodschappers en raadde hun, de ruilhandel te laten varen. Er was gevaar, zeide zij, voor hun zeden en indien zij hun zeden verloren, dan zouden zij ook hun vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden nergens oren naar, zij wilden niet begrijpen, dat hun zeden verloren konden gaan, daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste brachten zij hun eigen wapens en leeftocht weg. Maar dit kwaad veroorzaakte hun straf. Hun lichamen werden overladen met glans en schijn, maar hun kisten, kasten en schuren werden leeg. Juist honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee was gestoken, kwam er armoede en gebrek door de vensters binnen, de honger spreidde zijn wieken uit en streek op het land neer, tweedracht heerste over de zeestraat en voorts in de huizen. Liefde kon niet langer steun vinden en eendracht vlood. Het kind wilde eten hebben van zijn moeder en die had geen eten, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen bij hun mannen, deze gingen naar de grietmannen, maar de grietmannen hadden zelf niets of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkopen, maar terwijl de zeelieden daarmee vertrokken waren, kwam er vorst en die legde een plank over de zeestraat. Toen de vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land uit en het verraad klom op haar zetel. In plaats van de oevers te bewaken, spanden zij hun paarden voor hun sleden en reden naar Schoonland. Maar de Schoonlanders, die begerig waren naar het land van hun voorvaderen, kwamen naar de Denemarken (Danebrohe). Op een heldere nacht kwamen zij allen. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land van hun voorvaderen en terwijl men daarover streed, kwamen de Finen in de verlaten dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en omdat zij geen goede wapens hadden, verloren zij de strijd en daardoor [81] de vrijheid, want de Magy werd de baas. Dat kwam, omdat zij Frya’s leer niet lazen en heur raadgevingen hadden verwaarloosd. Er zijn sommigen, die menen, dat zij door de graven verraden zijn en dat de burchtvrouwen dat al lang bespeurd hadden. Maar zodra iemand daarover wilde spreken, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketenen. Wij kunnen daarover geen oordeel vellen, maar wij willen U toeroepen: Verlaat U niet te zeer op de wijsheid en deugd van uw vorsten noch van uw maagden, want wilt gij stand houden, dan moet iedereen waken over zijn eigen hartstochten en voor het algemeen welzijn.
Twee jaar daarna kwam de Magy zelf met een vloot van lichte boten om de Moeder van Techel en de lamp te roven. Deze slechte daad bestond hij bij nacht in de winter bij stormweer, terwijl de wind gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijn toorts. Zodra het licht van de toren op het ronddeel viel, zag hij dat reeds vele gewapende mannen over de burchtwal waren. Nu ging hij de klok luiden, maar het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren er reeds twee duizend in de weer om de poort te rammeien. De strijd duurde daarom kort, want omdat de afweer niet goed wacht had gehouden, kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een euvele Fine het slaapvertrek van de Moeder binnengeslopen en wilde haar aanranden. De Moeder weerde hem af, zodat hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weer op de been was, stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wil je mijn roede niet, dan zul je mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een schipper van de Denemarken, Deze nam zijn zwaard en kloofde de Fine de kop. (Daaruit stroomde zwart bloed en daarboven zweefde een blauwe vlam).
De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen, Toen zij zover hersteld en beter was, dat zij duidelijk kon spreken, zeide de Magy, dat zij met hem moest meevaren, maar dat zij haar lamp en haar maagden zou behouden en dat zij een staat zou voeren zo hoog als zij nooit tevoren had gekend. Voorts zeide hij, dat hij haar zou vrazen in tegenwoordigheid van zijn vooraanstaanden, of hij meester zou worden over alle landen en volkeren van Frya. Hij zeide, dat zij dit moest bevestigen en verzekeren, anders zou hij haar onder veel smarten laten sterven. Toen hij daarna al zijn voornaamsten om haar legerstede vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, vermits gij helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester zal worden over alle landen en volken van Frya? Frana deed alsof zij geen acht op hem sloeg. Tenslotte opende zij haar lippen en sprak: Mijn ogen worden verduisterd, maar het andere licht daagt op in [83] mijn ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha en wees blij met mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak van het jol in top. Daarna is zij gedaald en daarmee onze vrijheid. Als het twee spaken of twee duizend jaren naar omlaag heeft gewenteld, zullen de zoons opstaan, die de vorsten en priesters in ontucht bij het volk hebben verwekt en tegen hun vaders getuigen. Die allen zullen door moord bezwijken, maar wat zij hebben verkondigd, zal duurzaam blijven en vruchtbaar worden in de boezem van krachtige naturen, zoals goede zaden, die neergelegd worden in uw schoot. Nog duizend jaren zal de spaak dalen en al maar neerzijgen in de duisternis en in het bloed, dat over U werd uitgestort door de lagen der vorsten en priesters. Daarna zal het morgenrood weer beginnen te gloren. Dit ziende zullen de valse vorsten en priesters allen tezamen tegen de vrijheid vechten en worstelen, maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in haar hoede nemen en met het jol uit de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen maar gloorde, zal dan van lieverlee een vlam worden. Het bloed der bozen zal over uw lichaam stromen, maar gij moogt het niet tot U nemen. Ten laatste zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle boze geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesters te roemen, zullen aan de vlam worden geofferd. Voortaan zullen al uw kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij neer. Maar de Magy, die haar niet goed verstaan had, schreeuwde: ik heb U gevraagd of ik meester zou worden over alle landen en volken van Frya, en nu hebt ge tot een ander gesproken! Frana richtte zich nogmaals op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn, zal Uw ziel met de nachtvogels bij de graven rondwaren en Uw lijk zal liggen op de bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij aan één zijner gerechtsdienaars: gooi dat wijf overboord. Zo was het einde van de laatste Moeder. Wij willen daarover geen wraak roepen, die zal de tijd wel nemen, maar duizendwerf, duizendmaal willen wij Frya naroepen: waak! waak! waak!
Hoe het de Magy verder is vergaan
Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn schip brengen, benevens alle inboedel, die hem leek. Vervolgens ging hij het Flemmeer op, want hij wilde de burchtvrouw van Maalstede (Medérez Brik) of van Staviar (Afsluiting) roven, en die tot Moeder aanstellen. Maar daar waren zij op hun hoede. De zeelieden van de Afsluiting (Staviar) en de inheemsen zouden hem gaarne tegemoet zijn getrokken, maar de grote vloot was op een verre tocht uit. Nu voeren zij met hun kleine vloot naar Maalstede (Medèrez Brik) en hielden zich schuil in de schaduw van de bomen. De Magy naderde Maalstede (Medérez Brik) bij heldere dag en [85] schijnende zon. Toch gingen zijn manschappen boudweg op de burcht losstormen. Maar toen al het volk met de boten was geland, kwamen onze zeelieden uit de kreek weg en schoten hun pijlen met brandende terpentijnballen in zijn vloot. Zij waren zo goed gericht, dat vele van zijn schepen terstond in brand vlogen. Die op de schepen de wacht hielden, schoten ook naar ons, maar zij raakten niets. Toen tenslotte een schip al brandende naar het schip van de Magy dreef, beval hij zijn stuurman af te houden, maar die stuurman was de Deen, die de Fine [sic] had geveld. Deze zeide: je hebt onze Eremoeder naar de bodem van de zee gezonden om te melden, dat je zou komen, dat zou je door de drukte wel eens kunnen vergeten. Nu zal ik zorgen, dat jij je woord houdt. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman, een echte Frya en sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem overboord de deinende golven in. Vervolgens hees hij zijn bruine schild in top en voer recht toe, recht aan, naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan en niemand wist, hoe het was gekomen. Toen men op de onvernielde schepen hoorde, dat de Magy was verdronken, trok men weg, want de zeelieden waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, keerden onze zeelieden en schoten hun brandpijlen op de Finen af. Toen de Finen dat zagen en hoe zij waren verraden, liep alles door elkander en er was gehoorzaamheid noch bevel meer. Op dat tijdstip dreef de bezetting de Finen uit de burcht. Wie niet vluchtte, werd afgemaakt en wie vluchtte vond zijn einde in de poelen van ’t Kralwoud.
(NASCHRIFT.)
(Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren onder hen, die zei: Medea mag wel lachen, als wij haar uit haar burcht redden. Daarom hebben de maagden die Kreek ‘Medeameilakja’ genoemd.
De gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, zullen iedereen heugen. De maagden behoren die op haar wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onze arbeid volbracht. Heil).
Einde van het boek.
L Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ PR1 Overwijn