Jump to content

L Ottema

From Oera Linda Wiki

Deel I. Het Boek der Adela-volgers

L. Tijdperk Minerva

1. Op Walhallagara
Kelta en Minerva
De Vloot van Jon
Kelta en de Golen
2. Op Fryasburg 1
Minerva en Jon
De Geertmannen

Ottema 1876

[/87] Nu willen wij schrijven over den oorlog der burgtmaagden Kælta en Minerva.

En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de Golen verloren hebben.

Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.

563 jaar nadat Atland verzonken is, zat hier eene wijze burgtmaagd, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw en helder boven alle andere.

Over de Schelde op de Flyburgt, zat Syrheed; deze burgtmaagd was vol ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare [89] tong; maar de raad die zij gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden Kælta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva het tweede en Syrheed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had daar geen weet van, maar Syrheed was er door geknakt. Even als eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van het Flymeer. Dat kwetste Syrheed, want zij wilde boven Minerva uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne hoogvaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten geworden. Als Kælta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van kwaad tot erger; in stilte liet zij Magyaren bij zich komen om tooverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun tonnen bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken [91] ken waren, ging zij boven op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatsten tijd veel schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons schrijfvilt te verkoopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij bijna de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het ons zoude laten. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht los. Doch Kælta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.

Hierbij komt de geschiedenis van Jon.

Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was zeekoning, geboren te Alderga, het [93] Flymeer uitgevaren met 127 schepen, uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin, koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch toen Jon hier kwam en zag, hoe Kælta onze roemrijke burgt verwoest had, toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden de lamp en de maagden gered; doch Syrheed of Kælta mochten zij niet vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren klepper, hun toeroepende: naar Kælta Minhis. Toen stroomde het andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij: wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende gesneuveld zijn.

Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda, Moeder; zij had veel in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landverdedigers uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer en terstond weder naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en het andere Schelde volk, die gevochten [95] hadden, werden naar Brittanje gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.

Kælta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee naar Kadix varen en geheel ons Zuiderland langs, en vielen op en over Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam Kælta en sprak: gij zijt vrij geboren, en om kleine gebreken heeft men u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de eilanden, en eer des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat Kælta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland een burgt bouwen. Kæltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen maar nu heet zij Kêrenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij niet meer burgten hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste als een stier bij de neus omgeleid.

Nu willen wij schrijven, hoe het Jon vergaan is. Dit staat te Texland geschreven.

Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen), en van hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.

Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hem overal vooruitgegaan, zoodat hij aan de kusten van het naastbijzijnde Krekaland (Italie) nergens veilig was. Hij stak dus met zijne vloot naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar naar hun begrip zeer lang was, hadden zij Teunis tot een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.

Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij Jon. [99] Jon nam de lamp van Kælta en hare maagden mede; Minerva behield hare eigene lamp en hare eigene maagden.

Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische eilanden genoemd.

Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honig. Zij waren met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.

In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij eene burgt anderhalve paal van de haven. Op raad van Minerva werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoordden: sommige hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen rooven, en gij zoudt [101] daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.

Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, die wij nu van steen maken.

Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.

Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin toegestemd had, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoordde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.

Dit is over de Geertmannen.

Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich alsof zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude, hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, dat er onder hare maagden geene zoude wezen, die zij zoo zouden kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.

Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij [103] Minerva niet als eene Godin wilden erkennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde, een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal strijdende waren.

Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders begon. Drie maanden daarna vertrok Geert met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met Geert. De zeekoning der [105] Thyriers bracht allen te zamen door de straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landden zij aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren met haar naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmannia genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.

Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen klaar en duidelijk zien kan.

Navigeer

K Ottema ᐊ vorig/volgend ᐅ MNO Ottema