1958-1960 Hellinga-onderzoek
- 1958 (12-9 LC, uitvoerig bericht met foto) Prof. Hellinga gaat met 18 studenten het Oera Linda Bok-mysterie te lijf.
- 1958 (13-12 LC, kort bericht) Prof. Hellinga zal spreken over het Oera Linda-boek.
- 1959 (8-1 LC, twee uitvoerige berichten met foto’s) Oera Linda boek heeft voorbeeld gehad, geschreven in merkwaardig OLB-schrift (blz. 5) en Prof. Hellinga ontrafelt Oera Linda boek (blz. 7).
- 1960 (14-1 Winschoter Crt, uitvoerig bericht met verwijzing naar onderzoek Hellinga en staf) Nadert het Oera-Linda-boek mysterie de ontknoping?
Prof. Hellinga gaat met 18 studenten het Oera Linda Bok-mysterie te lijf — LC 12-9-1958 bl.7.
Prof. Hellinga gaat met 18 studenten het Ora Linda Bok-mysterie te lijf
Studiemaand in Friesland / Steentje voor een oplossing
(Van een onzer redacteuren)

Er zijn in de ongeveer negentig jaar sinds het veelbesproken Ora Linda Bok als voorhistorisch stenen wapen in de rustige vijver van zekere Leeuwarder kringen werd geworpen, waarin het diepe rimpels trok — die nog altijd niet zijn uitgevloeid — vele honderdtallen beschouwingen, artikels en geschriften over dit raadselachtige fenomeen gepubliceerd. Tientallen malen is het manuscript van het geslacht Over de Linden in het studieveld van filoloog en cultuurhistoricus getrokken, maar nog nooit is iemand dit intrigerende werk met zoveel „gebalde kracht” tegemoet getreden als prof.dr. W.Gs Hellinga, hoogleraar in de Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, die in deze septembermaand met veertien candidaten, twee gaststudenten uit Australië en twee afgestudeerden uit Zuid-Afrika naar Friesland is getrokken om boek en milieu te bestuderen in de stad, waar de rijkste bronnen vloeien en namen en huizen nog herinneren aan hen, die destijds in de gebeurtenissen rondom het O.L.B. een actieve of zwijgende rol hebben gespeeld, namelijk Leeuwarden.
Terwijl de hoogleraar en zijn studenten logeren in Eernewoude — waar de studie op zijn tijd wordt afgewisseid met zeilen — pluizen zij, met prof. Hellinga voorop, alles na op Prov. Biblotheek, Rijksarchief, archief en bibliotheek van Fries Genootschap, Stedelijk archief en zesde afdeling van de Provinciale Griffie wat maar enig licht kan werpen op het boek en het milieu, waarin het destijds werd geplaatst. Ook ds. J.J. Kalma en mr. P.C.J.A. Boeles verlenen hun medewerking, al even geestdriftig en gul als alle instanties hier in Friesland, zo verklaarde prof. Hellinga ons, toen hij ons tussen het doornemen van een stapel archivalia door graag een onderhoud toestond.
„U zult dus eindelijk het raadsel van het Ora Linda Bok oplossen, professor?”, vroegen wij. Waarop de hoogleraar antwoordde: „Dat is te veel gezegd. Maar ik zal wel een steentje bijdragen tot de oplossing van het geheim. Terwijl wij nu nog maar tien dagen bezig zijn, kan ik al meedelen, dat de beroemde voorrede van het handschrift, „Ocke myn soan”, aan het manuscript is toegevoegd, toen het al bijna voltooid was. Dat hebben we er dus al uit. En verder kunt u gerust berichten, dat er absoluut geen aanwijzingen zijn, dat Murk de Jong gelijk had met zijn extreme beschuldigingen tegen Eelco Verwijs, dat deze geleerde de bedenker en maker van het O.L.B. zou zijn. Hij ging hierin beslist veel te ver”.
Op onze vraag, waarom prof. Hellinga deze zaak tot onderwerp van studie maakt, vertelde de hoogleraar, dat hij als elke filoloog van Friese afkomst („ik haw as Fries om utens Frysk leard doe ’t ik tweintich wie”) zich al lang met het O.L.B. had beziggehouden. Maar een duidelijke registratie van de feiten sinds 1867 ontbrak tot nu toe. Thans zijn er twee dingen, die een onderzoek aantrekkelijk maken: de toegankelijkheid van handschrift en correspondentie alsmede de uitvoerige bibliografie, die ds. Kalma heeft samengesteld. Nadat drs. Miedema in de Prov. Bibliotheek een onderzoek had ingesteld naar het handschrift is prof. Hellinga dit voorjaar met zijn staf naar Leeuwarden getrokken en heeft daar een veldverkenning uitgevoerd, die nu uitmondt in een onderzoek van een duur en een omvang, zoals de hoogleraar nog niet eerder heeft georganiseerd. Wel ging men met groepjes vaak naar Vlaanderen, maar Friesland heeft de primeur van een onderzoek door in het geheel negentien personen.
Detective-story

Prof. Hellinga zeide, dat het O.L.B. — spannend als een detective-story — voor aanstaande filologen een ideaal object van studie is. De studenten vinden het prachtig eens in een zowel taalkundig als cultureel zeer interessant milieu te verkeren. „Zij genieten!” verklaarde prof. Hellinga, die een streng werkschema heeft opgesteld. Alle stukken, die in Leeuwarden aanwezig zijn, worden doorgenomen. Elk artikel, dat men kan opsporen, wordt geanalyseerd volgens feiten en veronderstellingen. De hele „rounte” van het Fries Genootschap in de jaren 1867-1879 wordt bestudeerd en de studenten hebben evenzeer tot taak figuren als Ottema, Eekhoff, Dirks en Winkler te bestuderen als Verwijs en Haverschmidt. Het is van betekenis wat iemand als Ottema verklaart, maar het is evenzeer van belang, dat mr. Dirks heeft gezwegen. Hier komen geen theorieën aan de orde, maar wordt het gedrag onder de loupe genomen. Zo wordt een bio-bibliografische kroniek opgebouwd, waarbij werkelijk niets vergeten wordt. De beide Australische studenten bijvoorbeeld bekijken de hele Nazi-periode met Wirth cs. en gaan na, welke bronnen daarbij gebruikt zijn. Maar de heer Dekker uit Potchefstroom werkt de Engelse verbindingen uit. Alle studenten hebben van te voren het O.L.B. duchtig moeten lezen, verklaarde prof. Hellinga, die uiteindelijk — mede door een nog niet eerder verrichte moderne analyse van het handschrift — hoopt te zullen weten hoe het O.L.B. gecomponeerd is.
Prof. Hellinga keerde zich in ons vraaggesprek tegen de populaire opvatting, dat de mannen van het Genootschap er in 1867 zouden zijn ingelopen. Veeleer zaten de leidende figuren klem, omdat een gezaghebbend man als dr. Ottema zich had uitgesproken en men in een dergelijke kleine gemeenschap hem toch moeilijk kon aanvallen. „De heren van het Genootschap waren allerminst een groepje provincialen, maar beslist knappe mensen”, aldus prof. Helinga, die voorts zeide: „Het wetenschappelijk milieu van het Fries Genootschap mocht er wezen. Murk de Jong heeft het stellig onderschat. De vraag is nu alleen maar: hoe kon in dit milieu zoiets als het O.L.B. terechtkomen?”
Daarover gaat nu deze „oefening”, die telkens weer nieuw materiaal oplevert en dat voor de deelnemenden enorm vormend is, zoals de hoogleraar het formuleerde. Hoewel het team slechts twee geboren Friezen telt (Hermien Terpstra uit Drachten en P. Obbema uit Sneek) krijgen allen toch met de Friese taal en letterkunde te maken. „Daar moeten zij zich maar doorheen bijten”, zei de hoogleraar lachend.
In 1959 publicatie
„En het resultaat?” vroegen wij tenslotte. „Wel, ik heb al toegezegd in januari 1959 voor de Fryske Akademy over de uitkomsten te zullen spreken. Ik hoop dan meteen ook de bijlagen te publiceren. Ik zal verder met ds. Kalma overleggen, of wij in 1959 niet eveneens een reeks bibliografische notities kunnen publiceren. Zelf zal ik de beschrijving van het handschrift openbaar maken, terwijl het materiaal, dat zich niet laat publiceren, aan de Prov. Bibliotheek zal worden overgedragen. Zodoende zal het volgend jaar al het materiaal voor derden toegankelijk worden gemaakt”.
Prof. Hellinga — dat is te zien — is ten volle bij deze onderneming geïnteresseerd. In elk opzicht, vindt hij, is deze Friese studiemaand een succes. Geestdriftig is de toon van zijn woorden. Het is duidelijk, dat deze hoogleraar zich deze weken voelt als een filologische Sherlock Holmes, die verleidelijk dicht bij de oplossing is van een mysterie, dat spannender is dan de beste detective of de meest schokkende Paul Vlaanderen. Geen wonder, dat zijn studenten al evenzeer in de ban zijn van de problemen, die zij hier gezamenlijk te lijf gaan!
Prof. Hellinga zal spreken over het Oera Linda-boek — LC 13-12-1958, bl. 9.
Prof. Hellinga zal spreken over het Oera Linda-boek
Prof.dr. W.Gs. Hellinga uit Amsterdam heeft, zoals bekend, het afgelopen jaar een diepgaand onderzoek ingesteld naar de herkomst van en het milieu waarin het befaamde, mysterieuze Oera Linda-boek is ontstaan. Men ziet in wetenschappelijke kringen met grote belangstelling de resultaten tegemoet.
Er mag dan ook veel worden verwacht van een bijeenkomst, die het literair-hystoarysk wurkforbân fan de Fryske Akademy woensdag 7 januari ’s middags om twee uur te Leeuwarden zal beleggen en waarin prof. Hellinga mededelingen zal doen over de resultaten van zijn onderzoek.
Des avonds vindt eveneens in het Kunstcentrum een bijeenkomst van het taelkundich wurkforbân plaats waarin dr. P. Sipma zal spreken over “In nije skôging fan de Fryske rune-ynskripsjes”, toegelicht met lichtbeelden. Beide voordrachten zijn vrij toegankelijk, Reeds nu blijkt voor deze lezingen grote belangstelling te bestaan.
Oera Linda boek heeft voorbeeld gehad, geschreven in merkwaardig OLB-schrift. (en vervolg:) Prof. Hellinga ontrafelt Oera Linda boek, LC 8-1-1959, bl. 5 en bl. 7.
Prof. Hellinga ontrafelt Oera Linda boek

[bl. 5] Prof.dr. W.Gs. Hellinga voor Fryske Akademy:
Oera Linda boek heeft voorbeeld gehad, geschreven in merkwaardig OLB-schrift.
Proloog „Ocke myn soan” is een evident falsum
Het Oera Linda Boek, zoals het in handschrift in de Prov. Bibliotheek te Leeuwarden aanwezig is, heeft een voorbeeld gehad, dat al grotendeels geschreven was in het merkwaardige OLB-schrift. In toenemende mate wijzen de resultaten van het codicologisch onderzoek er op, dat er een geïnterpoleerd OLB-„voorbeeld” (Vorlage) is geweest, dat de planning van de omissies (ontbrekende gedeelten) al had. Het OLB is geschreven met een wisselende hand en soms ongelooflijk slordig, alsof de overschrijver dan weinig zin aan zijn werk had. De hand, die de slotgedeelten schreef, is ook verantwoordelijk voor de beroemde proloog „Ocke myn soan”, welke geschreven is op een bij het laatste katern behorend blad, dat de schrijver blijkbaar niet nodig had. Deze proloog is achteraf en aan het einde gemaakt en een evident falsum. Als men de ideeën bestudeert, die in het OLB de esotherische wijsheid vertegenwoordigen, lijkt het, alsof het handschrift komt uit een geest, die gevormd is uit gepopulariseerde Duitse vakliteratuur van het begin der 19de eeuw en even daarvoor en wiens kennis verder is aangevuld met Nederlandse publicaties tot het midden van de 19de eeuw. De schrijver was geen taalkundige, geen vakhistoricus.
Spanning!

Dit zijn wel de belangrijkste conclusies waartoe gistermiddag prof.dr. W.Gs. Hellinga is gekomen in zijn met grote spanning verbeide en met niet minder grote spanning gevolgde voordracht over het door de hoogleraar met talloze studenten ingestelde onderzoek naar het Oera Linda Boek, waarvoor prof. Hellinga met zijn team, zoals destijds bericht, in september 1958 een maand in Friesland (Leeuwarden en Eernewoude) heeft verbleven. Meer dan drie uren heeft prof. Hellinga zijn talrijk gehoor in de ban gehouden en het was bijwijlen alsof men een verslag hoorde van een uitermate scherpzinnige speurder, die een opzienbarend crimineel geval onder het mes heeft. Alleen de criminele inslag was (en is) goeddeels afwezig in het OLB-probleem.
De door dr. IJ. Poortinga ingeleide spreker begon met te zeggen, dat hij niet over het „geheim” van het OLB zou spreken — Het gaat mij, aldus de spreker, er alleen maar om de weg te vinden in filologisch veld. Maar het zou onmenselijk zijn zich niet af te vragen, wie de maker kan zijn. Dit is zelfs de aanleiding van dit onderzoek geweest. En om nu een stap te doen naar een verre toekomst, ik denk al lang niet meer, dat Cornelis over de Linden het boek geschreven heeft en dat Eelco Verwijs het overgenomen heeft. Sinds het in september begonnen onderzoek ben ik zover, te vragen of Ernst Stadermann in Den Helder (een Duitse politieke emigrant, boekbinder en intellectueel) in samenwerking met Cornelis over de Linden en met een toevallig contact naar Friesland niet verantwoordelijk zijn. Eelco Verwijs heeft niets met de tekst te maken.
Na deze inleidende woorden zei prof. Hellinga ter zake te zullen komen.
Waarom?
Op de vraag, waarom met inschakeling van een groot filologisch apparaat en achttien candidaten in de letteren een onderzoek is ingesteld op een toch veel-onderzocht gebied, luidde het antwoord: belangrijker dan de heimelijke hoop de schrijver(s) te zullen vinden, is het feit, dat het OLB een ideaal oefenveld vormt voor adspirant-filologen. Bovendien trekt het een filoloog aan het vele materiaal vrijwel op één plaats bij elkaar te vinden. Verder is er in filologisch-wetenschappelijk opzicht iets belangrijks gebeurd. Drs. Miedema, nu te Leeuwarden, heeft een proefonderzoek naar het handschrift ingesteld met zulke interessante resultaten, dat het plicht is voor de vakman zich verder met deze codex bezig te houden. De bibliografie — beter catalogus — van ds. Kalma, heeft de weg naar het materiaal in hoge mate gebaand, terwijl tenslotte de combinatie van filologische oefening met detectivewerk voor sprekers team ideaal bleek, om nog maar te zwijgen van de combinatie: studie in Leeuwarden — zeilen in „Earnewâld”!
Het materiaal
Spreker stond hierna stil bij de vraag: wat is nu het materiaal? Het bestaat uit het oorspronkelijke handschrift, enkele andere manuscripten, twee copieën van dr. Ottema, een afschrift, vertalingen van het OLB, handschriftelijke studies, een stuk OLB-filologie uit de Ottema-periode, ’n uitermate belangrijke verzameling brieven, het archief van het Fries Genootschap (dat nooit systematisch geraadpleegd is), vele andere archieven (bijvoorbeeld van het Selskip van 1844), het uitermate belangrijke archief van Ged. Staten (dat toelaat Eelco Verwijs op de voet te volgen), het Rijksarchief in Leeuwarden (waarin ook het archief van het Godgeleerd gezelschap) ’t kostelijke Stedelijk archief, archieven van de Kon. Akademie van Wetenschappen, het Historisch Genootschap, de Maatschappij van Letterkunde en zelfs de Staten-Generaal. Dat materiaal staat nog niet allemaal ter beschikking, maar het is onze taak om voort te gaan op de prachtige grondslag van het door Kalma ontworpen systeem. Er blijkt zoveel te zijn, aldus de spreker, dat wij een jaar nodig hebben om opnieuw zinvol bronnenonderzoek te kunnen doen. Dat komt, omdat wij eerst de situatie willen leren kennen, waarbinnen het OLB terecht kwam, toen in de zomer van 1867 het document in Leeuwarden arriveerde. We moeten weten welke plaats de affaire OLB (die eerst helemaal geen affaire was) in Leeuwarden, Friesland, Nederland, het buitenland inneemt, zullen we weten wat er eigenlijk gebeurd is.
Niemand kent de kroniek van de affaire, maar wèl is bijna elk met zeer weinig materiaal een theorie binnengestapt. Ook heeft men verzuimd de ledige plekken in het materiaal te onderzoeken: men loopt altijd af op een OLB-lekkernij en waar niet over het OLB gesproken wordt, legt men het materiaal op zij. Maar zo kan men geen oordeel hebben over het zwijgen, behalve dan in enkele evidente gevallen. Wanneer zwijgt bijvoerbeeld Dirks? Wanneer Eekhoff? Wanneer Ottema? Die negatieve factor kan er pas uitkomen, als men voor het Leeuwarden van 1867-1880 het materiaal zo volledig mogelijk nagaat. Naar dat materiaal nu zijn wij op weg, aldus prof. Hellinga, die in dit verband meedeelde, dat voor de periode van de eerste tien jaren het door Kalma vermelde materiaal waarschijnlijk verdubbeld is. Er komt heel wat nieuw materiaal naar voren en het ordent zichzelf als gevolg van de door de spreker gevolgde methode, waarbij men niet uitgaat van de mogelijkheden, maar van de gegevens. Dat betekent een reorganisatie zonder theorie, waarbij een zo groot mogelijke volledigheid van het materiaal voorkomt, dat men door het verzamelen te staken toch weer een onverantwoorde factor binnensmokkelt. Natuurlijk is dit alleen mogelijk met een groot aantal reeds geoefende aanstaande vakgenoten.
Na enige publicaties over het OLB te hebben genoemd en de daarin soms aan de dag tredende vragen en verwarringen — bijvoorbeeld in een belangrijk geschrift van de Hilversumer Molenaar (1949) — typisch te hebben genoemd voor de eigenaardige sfeer rondom het OLB, die de spreker als „behekst” karakteriseerde, omschreef prof. Hellinga de taak van de filoloog aldus: spreek het materiaal aan en vraag het, waar het zijn plaats heeft tussen de andere gegevens.
Boksumer falsum
Het volmaakte voorbeeld van ordenen nu is wel het werk van de Britse antikwaren Carter en Pollard, die als het ware het materiaal zelf lieten zeggen, dat de vereerde Thomas Wise, de voorzitter van het Brits bibliografisch genootschap nog wel, de grootste vervalser van de 19de eeuw was. Deze conclusie lieten zij echter aan de lezer over. Ze was evenwel vernietigend voor de man, die allerlei vervalste zeldzame drukken op boekverkopingen liet opduiken.
Dichterbij is er het falsum van Boksum: in 1869 werd door Wopke Eekhoff in de kring van het Fries Genootschap een stukje perkament getoond, dat in de terp van Boksum zou zijn gevonden en dat, in oud-Hollandse taal, de mededeling bevatte, dat Thomas Obbema op januari 1586 bij het naderen van de Spaanse „viant” (slag bij Boksum!) zijn „goed” had begraven. Dat „goed” (de schat dus) is echter nooit gevonden. In 1870 zegt het verslag van het Fries [bl. 7] Genootschap, dat de echtheid van de vondst door velen ten stelligste wordt ontkend. Het stuk bestaat uit gothisch schrift, maar heeft jongere elementen: de aanhef L.S. (!) en in romeinse cijfers het jaartal 1586. De deskundige paleograaf dr. Lieftinck in Leiden antwoordde onlangs desgevraagd: perkament laat zich niet dateren, gothisch schrift is zo lang geschreven, dat datering moeilijkheden biedt en de inwendige gronden, die twijfel rechtvaardigen, zouden moeten zijn, dat iemand op 8 januari niet in paniek kan raken, als er op 17 januari pas een slag is.
Prof. Hellinga heeft het perkament ook onderzocht en is tot deze vaststelling gekomen: het perkament was al eerder beschreven, de letters zijn getekend met een nieuwe stalen pen en wel nagetekend van de gedrukte gothische letter uit de 17de eeuw, zoals men die bijvoorbeeld kan vinden in Winsemius’ beschrijving van de slag bij... Boksum (kroniek van 1622)! De conclusie is dus: het stuk is vals. Maar onbeantwoord blijft de vraag, wie het risico durfde nemen met figuren als Wopke „profeet” en jonkheer Van Eysinga een spel te spelen, waarbij ongetwijfeld tegen geld ook terpgravers een rol hebben vervuld. Dit is voor mij nog een ingewikkeid raadsel, aldus de spreker.
Niet belangrijk
Overgaande op het OLB trok prof. Hellinga uit het materiaal de conclusie, dat dit handschrift helemaal niet zo sterk domineerde in de kring van het Genootschap als wel gemeend is. Daar maakte men zich veel meer druk over een sedert verdwenen handschrift van Worp van Thabor, dat toen in handen was van Cornelis over de Linden. Er kwam pas een OLB-affaire toen de pers er zich mee bemoeide en wel de landelijke pers; dat was pas in 1871. Dit was het gevolg van het feit, dat Gedeputeerde Staten — die de zaak cultureel en historisch zeer belangrijk vonden overdrukken naar de regering in Den Haag zonden. Op het niveau van intellectueel Nederland vormde de Nederlandse Spectator, die er al gauw met een grapje instapte, de Nederlandse opinie. In eigen kring beginnen zich dan ook kernen van opinie te vormen, terwijl er veel weerklank was in Duitsland. Maar deze belangstelling blijkt toch bijna geheel terug te gaan tot één kleine kring in Oostfriesland, terwijl de Engelse interesse slechts bestond uit het belang van één uitgever. Het is dan ook niet zo, dat iedereen naar het OLB heeft gekeken. In Leeuwarden bijvoorbeeld gaat de grote strijd in het Genootschap niet over het OLB, maar over het boekwerk Frieslands Oudheden.
In 1873 concentreert ds. Reitsma, die zich hevig interesseerde, een stuk affaire om zich heen, waarbij de predikant tenslotte, al propagerend, in de gaten krijgt, dat er iets met het OLB aan de hand is en zich dan terugtrekt. En daarna speelt de Akademie van Wetenschappen een rol, welk lichaam de affaire wordt opgedrongen. Zij vindt, dat het OLB teveel buiten de wetenschap staat. Pas in 1875 wordt het anders. Dan wordt in Maastricht op het 14de Nederlandse filologencongres het comparatisme als nieuwe ontwikkeling van de taalwetenschap tegen het OLB in het geweer gebracht. Dan eerst wordt het een filologische zaak en een gevecht over de vraag: wie vervalste het OLB? In beginsel werd die strijd in 1878 afgesloten, toen prof. Gallée er zich in De Gids over uitliet.
In 1877 komt in het Fries Genootschap de voorbereiding van de historische tentoonstelling van dat jaar naar voren. In Leeuwarden is dat de achtergrond van de affaire. Toen al hield men het OLB vrijwel onbetwist voor onecht en ging het alleen nog maar om de vraag: Wie is die falsaris? Die vraag is alleen doorgegaan omdat Winkler, Boeles, M. de Jong en J.J. Hof en Burger het nog niet eens waren over de maker(s).
Daarnaast duikt telkens het andere aspect op: dat van de Wirth-groep (van de Friezen-bijbel dus, alsook de stelling, dat er in het OLB toch een kern van oeroude wijsheid schuilt).
Falsum of mystificatie?
In dit verband vroeg spreker: wat wil zeggen, dat het OLB vals is? Om een antwoord te vinden moet de filoloog zich afvragen, of het boek een falsum dan wel een mystificatie is. Een falsum wil echt zijn en moet bedrog camoufleren. Een mystificatie wil bedriegen en moet suggereren, dat ze echt is. Er zit een subtiel verschil tussen.
Zich wendend tot de codex zelf boeide prof. Hellinga hierna zijn gehoor met een vernuftige „ontleding” van het handschrift op grond van indeling in katernen, oorspronkelijke potlood- en latere inktpaginering, verdeling van het aantal leestekens over de bladen en kwam daarbij onder meer tot de slotsom, dat er sprake is van een planning, dat bij die planning echter een vergissing is gemaakt, dat de paginering op pagina 172 te laag begint, terwijl pagina 171 dicht beschreven blijkt — wat doet denken aan de „petia”-methode van de middeleeuwen, waarbij tien copiïsten elk een katern overschreven — en dat de schrijvende hand van het OLB af en toe uit de planning raakt, waarbinnen hij had moeten blijven. Ook verschrijft hij zich typisch als iemand, die een ander handschrift naschrijft. Maar hij maakt ook fouten, die verklaard kunen worden doordat de onbekende blijkbaar voor het eerst de merkwaardige OLB-letters schreef.
Het handschrift in de Prov. Bibliotheek heeft dus een voorbeeld gehad, grotendeels geschreven in OLB-schrift. Trachten we nu de man „uit te tellen”, dan moeten wij op grond van de tegenwoordige stand van ons codicologisch onderzoek zeggen: een en ander wijst in toenemende mate op een geïnterpoleerde OLB-Vorlage, die de planning van de omissies al had. Het later toegevoegde voorwoord Ocka myn soan is daarbij alleen te begrijpen uit het voorbeeld van Ocka Scharlensis.
Vrijdenkerij
Het OLB is wel een grap genoemd. Maar het bevat ook in grote delen wat de spreker noemde een demonstratie van de vrije gedachte. Opmerkelijk is in dit verband een brief van Over de Linden aan Ottema (27 october 1871). Ottema had hem geschreven een uitgever te hebben gevonden. Maar nu het ernst wordt, waarschuwt Over de Linden, dat hij bang is, op grond van bepaalde passages in het handschrift, dat hij „wel eens de zondebok van de katholieken, de fijnen en de aristocraten kan worden, terwijl de uitgever er wel bij zou varen”. Het gaat hier om ideeën, in het OLB, die leefden in de wereld der vrijdenkers van omstreeks 1860.
Vanwaar?
Wat de esotherische bronnen betreft, die in het OLB verwerkt zijn, vroeg prof. Hellinga: hoe komt de maker aan zijn feitelijke bronnen? Dit is het moeilijkste deel van het onderzoek: de genese van de tekst. Daartoe moet men de literatuur van voor 1870 en van de 18de eeuw kennen en wel geesteswetenschap, politiek, geschiedenis, archeologie. Wij komen, aldus de spreker, altijd bij bronnen terecht, die niet jonger zijn dan het midden van de 19de eeuw en als men de ideeën aanpakt, komt men bij literatuur uit Duitsland, begin 19de eeuw en een beetje er voor. Het lijkt dan ook, dat het OLB komt uit een geest met vorming uit Duitse gepopulariseerde vakliteratuur, wiens kennis tot het midden der 19de eeuw aangevuld is met Nederlandse publikaties. Het betreft iemand, die niet critisch staat tegenover Ocko van Scharl en de populaire woordverklaringen. Prof. Hellinga bestreed in dit verband, dat de etymologieën (Neptunus — Neef Teunis) als humor zouden zijn bedoeld. Ze waren bloedige ernst en de neerslag van taalkundige opvattingen van omstreeks 1800. Wel tonen zij aan, dat de maker geen taalkundige en geen vakhistoricus was. Maar — zo beëindigde prof. Hellinga zijn spannend en intelligent relaas — zolang het bronnenonderzoek niet afgestoten is, zeg ik tegenover elke theorie (ook de mijne): dat kunt gij nooit waarmaken.
Dat op deze interessante lezing het nodige „neipetear” volgde, laat zich denken.
Nadert het Oera-Linda-boek mysterie de ontknoping? — Winschoter Courant 14-1-1960, bl. 11.
Nadert het Oera-Linda-boek mysterie de ontknoping?
In 1867 werd de oudste kroniek ter wereld ontdekt
Auteur van het werk nog niet gevonden
Over geen kroniek in Nederland is zoveel geschreven als over het geheimzinnige Oera-Linda-Boek, de familiekzoniek van het geslacht Over de Linden uit Enkhuizen. Nimmer werd zo fel pro- en contra over de echtheid vah een kroniek strijd geleverd. Het schijnt dat het handschrift omgeven is met een geheimzinnig waas, dat het onmogelijk maakt het geheim te doorgronden. Geleerden van naam hebben er over geschreven, hebben het echt verklaard, hebben de Leeuwarder bibliothecaris Eelco Verwijs als auteur aangewezen, hebben de Helderse scheepstimmerman Cornelis Over de Linden als de falsaris gedoodverfd en hebben conclusies opgebouwd op vaak losse gronden.
Het vreemde van dit alles was echter, dat er vóór 1950 nimmer een serieus wetenschappelijk onderzoek naar het zich in de Prov. Bibliotheek te Leeuwarden bevindende handschrift zelf werd ingesteld. Het papier werd niet onderzocht, de inkt niet beoordeeld, de inhoud niet aan een critisch onderzoek onderworpen, taalkundig en grafologisch het handschrift niet beoordeeld, genealogisch geen onderzoek naar de familie Over de Linden ingesteld.
Dit is thans wel geschied of wordt momenteel verricht en daardoor zijn verrassingen niet uitgebleven. Er is zelfs een goede kans dat het Oera-Linda-mysterie na 92 jaar eindelijk de ontknoping tegemoet gaat. Er is een kans... maar het is ook mogelijk dat nimmer bewezen zal worden wie dit gigantische handschrift van meer dan 200 pagina’s schreef...
Het geheimzinnige handschrift
In 1867 werd het berucht geworden „Oera Lindaboek” ontdekt. Het was in bezit van de Helderse scheepstimmerman Cornelis Over de Linden, die Eelco Verwijs, archivaris en bibliothecaris van Friesland in de gelegenheid stelde er kennis van te nemen.
Volgens het handschrift, dat zich op de Prov. Bibliotheek van Friesland bevindt, was Atlantis een gebied dat ten noorden van Texel gelegen was en ten onder ging in het jaar 2193 voor Christus. De Friezen, ofwel de Fria’s, gekomen van Atlantis, zouden het oudste beschaafde volk ter wereld zijn en de voorouders van Germanen en Kelten. Zij stichtten reeds 3500 jaar geleden een kolonie in India. Ook Athene werd door hen gesticht. De inhoud is vol van verering voor de moedercultus. Een wodan-dienst zouden deze voorouders nooit gekend hebben. Het centrum van het Rijk der Fria’s was Den Burg op Texel, dat de naam te danken heeft aan „Tekst-land”, de plaats waar de wetten werden afgekondigd...
Maar te midden van deze fantasie komt men soms dingen tegen, die waarheid zijn en dan is er nog de kwestie van de Zwitserse paalwoningen, waarvan niemand wist vóór 1845. In het Oera-Lindaboek werden deze reeds beschreven! Het handschrift is geschreven in een taal die ouder zou zijn dan het oudste Fries en in onbekende lettertekens.
Tegenover afwijzingen van mannen van naam stond de mening van prof. Weiss, hoogleraar in het Sanskrit te Berlijn, die het boek voor echt verklaarde...
De pennestrijd om het Oera Lindaboek
Eelco Verwijs heeft het gehele, meer dan 200 pagina’s tellende handschrift niet kunnen vertalen. De taalkundige Johan Winkler begon er daarna aan, doch menende dat het een grap was, hield hij er mee op en rapporteerde aan het Fries genootschap om er maar geen werk meer van te maken. Dr. J.G. Ottema, conrector aan het Sted. Gymnastum te Leeuwarden, bleek in staat te zijn het handschrift te vertalen en kwam tot de conclusie, dat het wel echt was, zijnde een meer dan 2000 jaar oude familiekroniek van het adellijke geslacht Oera-Linda, dat eens regeerde over de voormalige Linda-oorden... Nadat Ottema het handschrift had uitgegeven is het boek bestreden en verdedigd geworden door tal van geïnteresseerden als: Beckering Vinckers, dr. M. de Jong, Fruin, Burger, Herman Wirth, J.J. Hof, dr. Wumkes, mr. Boeles, Molenaar en Overwijn. Het zijn — naast vele andere — bekende namen in de Oera-Linda strijd.
Beckering Vinckers uit Kampen heeft in 1876 op grond van zekere bewijsstukken gemeend te kunnen aantonen, dat Cornelis Over de Linden, de scheepstimmerman, de auteur was en de officiële wetenschapsmensen hebben de voetsporen van Beckering Vinckers gevolgd, zodat voor de meeste hoogleraren het Oera-Linda-mysterie reeds als in 1876 opgelost zijnde wordt beschouwd. Het leek er ook inderdaad op dat het Oera-Linda leven een natuurlijke dood zou sterven, zonder een officieel onderzoek naar de echtheid en de auteur.
De strijd ontbrandt opnieuw
Na de tweede wereldoorlog kwam het Oera-Linda mysterie plotseling in een nieuw stadium. Het was de heer Molenaar te Hilversum die daar de stoot toe gaf door het schrijven van een brochure: „Het geheimzinnige handschrift van de famille Over de Linden”. Leest men dit werk, dan kan men niet aan de indruk ontkomen dat het handschrift reeds bestaan moet hebben in 1848, toen Cornelis Over de Linden het in bezit kreeg van zijn tante Aafje.
In 1952 werd door de heer W.Tsj. Vleer, toen nog te De Kaag, later in Hardegarijp, een genealogisch onderzoek naar de afstamming van de familie Over de Linden ingesteld. Verder dan Jan Andries Over de Linden, die zich na 1746 in Enkhuizen vestigde, kon de stamboom niet worden opgevoerd.
Het bleef een raadsel waar deze Jan Andries vandaan kwam, alsmede hoe hij aan de naam Over de Linden was gekomen. De heer Vleer kwam toen echter tot enkele belangrijke conclusies, nl., dat op grond van het testament van stamvader Jan Andries het Oera Linda-boek In 1776 nog niet in het bezit van de familie was en dat in de stamboom een figuur naar voren kwam die wellicht meer van het mysterie geweten heeft, nl. de Enkhuizer boekverkoper Johannes Jans Over de Linden (1752-1809), zoon van Jan Andries, een man die vele relaties had met Amsterdam en beschikte over een uitstekend handschrift.
Het was de oud-president van het Haagse gerechtshof mr. J.C. Huyser, die het onderzoek van de heer Vleer dusdanig van belang vond, dat hij een brochure schreef, waarbij het ging om de vraag of de inhoud, de geestesrichting in de kroniek, paste in de tijd dat Johannes Jans Over de Linden te Enkhuizen leefde. Mr. Huyser kwam tot de conclusie, dat dit inderdaad het geval was en de geestesrichting van de kroniek annex was met bepaalde stromingen uit de laatste tien jaren van de 18e eeuw, de Franse revolutietijd.
Daarna was het ds. J.J. Kalma te Lekkum die een volledige bibliografie over het Oera Linda boek samenstelde, zodat een officieel onderzoek beter mogelijk werd dan voorheen. Daarbij kwam nog dat drs. T. Miedema te Leeuwarden een proefonderzoek naar het schrift instelde en wel met zulke verrassende resultaten, dat de vakmensen zich wel met het handschrift zouden moeten bezig gaan houden...
Prof. Hellinga en zijn staf
In september 1958 is prof. W.Gs. Hellinga te Amsterdam, met een aantal studenten, aan een serieus onderzoek naar het handschrift begonnen. Niet alleen het schrift zelf werd vakkundig bestudeerd, maar ook de stukken uit de zeventiger jaren zijn onder de loep genomen. Op 4 januari 1958 bracht prof. Hellinga voor de Fryske Akademy verslag uit over zijn bevindingen.
Drie uren had de professor nodig om alle facetten van het onderzoek te belichten. De conclusie van prof. Hellinga was verrassend voor de wetenschap en vooral voor allen die zeker waren dat de eenvoudige Helderse scheepstimmerman Cornelis Over de Linden de auteur was. Prof. Hellinga deelde mede, dat het Oera-Linda handschrift was overgeschreven van een voorloper, eveneens geschreven in het merkwaardige schrift. Aangaande de inhoud van het handschrift meende de professor te moeten constateren dat deze ontleend was aan de Duitse literatuur uit het begin van de 19e eeuw of juist daarvoor. De professor kon zich niet uitspreken betreffende de vraag wie dan wel de auteur was, maar meende dat de Duitse emigrant-boekbinder-intellectueel Ernst Stadermaan in Den Helder wel eens meer geweten kon hebben.
Nieuw onderzoek
Prof. Hellinga zal nu met zijn staf een nieuw onderzoek doen inzake het geheimzinnige handschrift en wellicht zal de oplossing van het mysterie dan naderbij komen. In spanning wordt door de geïnteresseerden afgewacht wat het volgende resultaat zal zijn.
Inmiddels wordt door de heer Stadermann, archivaris te Goes, kleinzoon van de Helderse emigrant ten stelligste ontkend, dat deze betrokken zou kunnen geweest zijn bij de samensteling van het boek. De heer Stadermann meent daar alle reden voor te hebben.
De heer Vleer heeft na het vastgelopen genealogisch onderzoek In 1952 ook nieuwe ontdekkingen gedaan. Hij vond het huwelijk van stamvader Jan Andries in Harlingen en een zuster van deze stamvader, Elisabeth Andries, in Lemmer. Zij kwam in 1745 uit Steggerda naar Lemmer...
Steggerda ligt vanuit Friesland gerekend... over de Linde en hiermede is de naam Over de Linden verklaard. Waarschijnlijk is de vader van beiden een Andries Wybes in Steggerda geweest, een arme man, die in 1744 als „insolvent” te boek staat. Doordat er geen doop- en trouwboeken in Steggerda van vóór 1728 bewaard zijn, is het onderzoek hier opnieuw vastgelopen.
Boekverkopers
Over de herkomst van de naam behoeft nu geen twijfel meer te bestaan. Doch wie bracht die naam in het geheimzinnige handschrift? Wie schreef dit boek als een familiekroniek van het geslacht Over de Linden? De auteur zal in die familie gezocht moeten worden in het laatst van de 18e of het begin van de 19e eeuw. Daar zijn maar twee personen die bekwaam genoeg geweest zijn om een dergelijk werk in elkaar te zetten, daar zij de beschikking konden hebben over de literatuur waaruit het boek werd opgebouwd.
Bovendien leefden zij in de tijd dat de geesten, die in het Oera Linda boek zijn opgeroepen, elders de ronde deden. Deze mannen waren Johannes Jans Over de Linde en zijn zoon Jan, beiden boekverkopers van beroep.
Het lijkt er dan ook naar, dat de ontknoping bij deze boekverkopers zal plaats vinden, maar... het wetenschappelijke onderzoek is nog in volle gang!
[in kader, tussen hoofdtekst:]
De ondergang van Atlantis...
Op pag. 49 van het handschrift Oera Linda wordt door ''Adela'' (die geleefd zou hebben ong. 600 j.v.Chr.) de ondergang van Atantis beschreven.
(Hêl thene sümer was svenne àftere wolkum skolen as wilde hja irtha navt ne sja. wind reston sina bûdar werthrvch rêk ând stom lik sêla boppa hus ànd polon stand, etc.)
Ottema vertaalde dit aldus:
Heel de zomer had de zon zich achter de wolken schuil gehouden, als wilde zij de aarde niet zien. Het was windstil, mist en dampen hingen boven de huizen en poelen. De lucht werd betrokken en donker en in de harten der mensen was blijdschap noch vreugde. Te midden van deze stilte beefde de aarde alsof zij stervende was. De bergen spleten en begonnen vuur te spuwen. Anderen verdwenen en waar velden waren hieven zich de bergen omhoog. Aldland, door zeelieden Atland geheten, zonk neder en de woeste golven trokken over de bergen en dalen, die bedolven werden. Vele mensen werden in de aarde begraven en velen, die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda (Zweden) spuwden de hergen vuur maar ook in Twiskland (tussennland). Wouden brandden achter elkaar en de wind daar vandaan komende waaide onze landen vol as. Rivieren werden verlegd en bij hun monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend veen, Drie jaren was de aarde lijdende maar toen werd zij weer beter en kon men haar wonden zien. Vele landen waren verzonken of uit de zee opgerezen en het Twiskland voor de helft ontbost. Benden Finda’s kwamen de lege ruimten bezetten. Onze uitgewekenen werden verdelgd of zij werden hun vrienden. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden en de tijd leert ons dat eendracht onze sterkste burcht is.
Volgens Adela stond dit in de Waraburcht te Aldega-muda gegrift... Het is wel heel opvallend dat het taaltje van Adela in zoveel opzichten lijkt op het hedendaagse Nederlands, Engels en Fries, maar daarvoor komt het ook uit de oudste kroniek ter wereld...