Eeltje Molenaar
Biografisch
Eeltje Molenaar, geboren 15-3-1876 te Leeuwarden, overlijden onbekend, boekhouder en Statenlid te Franeker; in 1949 wonend te Hilversum, zoon van Jelle Molenaar en Tjietske van der Leest; gehuwd 7-11-1907 te Franeker met Rebecca Leydesdorff (1885-1973). Twee dochters: Sara (1908-2001, ongehuwd) en Tjietske (1912-?).
Publicaties m.b.t. Oera Linda
- begin 1924 in Friesch Volksblad: serie artikeltjes (volgens eigen verwijzing in onderstaand ingezonden stuk 1927; nog niet op Delpher)
- 21-6-1927 Franeker Courant - ingezonden stuk (zie onder)
- 5-7-1927 Franeker Courant - ingezonden stuk (zie onder)
- [September 1949 Het geheimzinnige handschrift van de Familie Over de Linden (uitg. Van Dishoeck, Bussum; 75 blz.)
Anderen over Molenaar
Jensma in De Gemaskerde God blz. 187:
Op initiatief van de vrijmetselaar en Fries statenlid E. Molenaar vormde zich toen bijvoorbeeld een studiegroep, die was samengesteld uit gelovigen én onderzoekers.190 Molenaar, die al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw over de materie had gepubliceerd en gediscussieerd,191 probeerde de schijn van echtheid op te houden. Het boek maakte in hem nog steeds Fries-Germaanse stamtrots los.192 In een brochure probeerde hij het herkomstverhaal van Over de Linden te staven.
- 190. TPBL OLB G3 (Aantekeningen en notulen studiegroep Oera Linda Boek).
- 191. Met De Jong bijvoorbeeld in: Molenaar, ‘Het Oera Linda Boek’(1927); met Wirth: Particulier bezit: Briefwisseling tussen de uitgever van het boekje Joh. Kuiken en E. Molenaar, brief van Molenaar aan Kuiken, 9 maart 1926.
- 192. Mededeling van H. Miedema, die evenals de Friese schrijver Sybe Sybesma korte tijd tot het ongelovige deel van deze groep hoorde.
N.B. het in voetnoot 190 genoemde dossier is in de online inventaris van Tresoar niet te vinden. (Maar zelfs dossiers die er wel in staan werden door het vriendelijke personeel tot nu toe twee maal niet gevonden toen ik deze gereserveerd had.)
Overwijn en Cornelis Over de Linden IV in briefwisseling (ten minste tussen 1951-1958; nog niet afgeschreven).
Vleer aan Van der Meij 16-9-1978:
Enige maanden later (eind 1949 of begin 1950) was ik bij een bespreking ten huize van De Goede. Daar waren ook aanwezig: Ir. Overwijn, een Zweedse professor, Molenaar en (zeker ben ik niet) een drs. 's Jacob, die een persoonlijke vriend van Prins Bernhard zou zijn [alsmede Kits Nieuwenkamp].
Ik vind jouw genealogische vondsten, de brievenpublicatie van Molenaar en de herordening van de OLB-delen door Los in overeenstemming met de datering van de Verzinking van Atlantis door Spanuth tesamen van doorslaggevende betekenis voor de nieuwe benadering van het OLB.
Luitse in Dossier OL (1990), o.a.:
Een onbevooroordeelde onderzoeker van na de Tweede Wereldoorlog, als E. Molenaar, acht evenmin als De Jong - doch om andere redenen - een onderzoek naar de ouderdom van het gebruikte papier van overwegend belang. De roep om een officieel onderzoek zou van tijd tot tijd gehoord worden. Wij maakten reeds melding van de brochure van E. Molenaar (K 631).
Ingezonden stukken Franeker Courant
-
21-6-1927
-
5-7-1927
21-6-1927
Geachte Redactie.
Beleefd verzoek ik eenige plaatsruimte voor een paar op- en aanmerkingen, die ik gaarne zou willen maken naar aanleiding van het in het vorig nummer van dit blad opgenomen artikeltje van den heer Dr. M. de Jong Hzn. te Amsterdam, eveneens met bovenstaanden titel.
Zooals aan de meesten hier wel bekend zal zijn, heb ik over ditzelfde onderwerp eenige jaren geleden (n.l. in begin 1924) een serie artikeltjes geschreven in het „Friesch Volksblad," waarin — aan de hand van de geschriften van wijlen Dr. J.G. Ottema over het Oera Linda Boek — door mij werd aangedrongen op een officieel onderzoek naar de echtheid van dit geheimzinnige document. In schreef die artikeltjes onder den indruk, dien het OLB en het door Dr. Ottema gevoerde pleidooi voor zijne echtheid op mij maakten en ik verkeer ook thans nog in de meening — dus ondanks het vrij krasse betoog van Dr. De Jong — dat een zoodanig onderzoek op den duur niet zal kunnen uitblijven, en dat Dr. Ottema's standpunt nog lang niet als overwonnen beschouwd behoeft te worden.
Dr. Ottema is de verdediger van de absolute echtheid van het OLB. Hij heeft het handschrift vertaald en in druk uitgegeven en het daarna ook onverdroten verdedigd tegen alle kritiek en tegen elke poging tot verdachtmaking. Hij staat beslist afwijzend tegenover de taalkundige kritiek, waarop Dr. De Jong thans zonder meer zich beroept, en met verontwaardiging keert hij zich tegen de beschuldiging — thans ook door dr. De Jong geuit en door hem nog te verdedigen — dat het handschrift niets anders is dan het werk van een bedrieger.
Zoodra indertijd die beschuldiging openlijk was gedaan, tartte hij (nl. Dr. Ottema) in een fel verweerschrift („De Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek”) degenen, die deze beschuldiging uitgesproken hadden, in eene vergadering van de Afdeeling Amsterdam van de Koninklijke Akademie bestemd voor de taal-, letter-, geschiedkundige en wijsgeerige wetenschappen, om nu ook het bewijs tot staving hunner bewering te leveren en aan te toonen hoe, waar en door wien dat geschied zoude zijn. „Doch — zoo laat hij hierop volgen — zulk een persoon bestaat niet, want hij zoude meer geleerdheid moeten bezitten als de heele Koninklijke Akademie met alle geleerde Genootschappen in ons vaderland te zamen genomen.”
De Akademie antwoordde zeer officieel, maar ook zeer duidelijk: „dat zij volstrekt niet aansprakelijk is voor het strenge oordeel, door een paar harer leden over de echtheid van het Oera Linda Boek geuit.”
Het ook door Dr, Ottema gewenschte onderzoek werd van de hand gewezen. Dit werk werd overgelaten aan wie zich daartoe gedrongen acht. Het handschrift werd „vogelvrij” verklaard en is dit m.i. thans nog. Het is een twistappel geworden, met als gevolgen veel haat en verbittering.
Vijftig jaren zijn nu al verstreken sinds Dr. Ottema openlijk als zijn overtuiging uitsprak, dat een officieel onderzoek naar de echtheid van het handschrift meer succes zou hebben dan het zoeken naar een persoon. Gedurende al dien tijd heeft men niet willen luisteren naar dezen raad en is de publieke meening in slaap gesust met de door den heer Beckering Vinckers gevonden „oplossing,” dat de man (de heer C. Over de Linden), die het handschrift aan het licht bracht, het vrij zeker ook ter wereld heeft gebracht.
Thans kondigt Dr. De Jong in ons plaatselijk orgaan aan: „dat, naar hij vertrouwt, voor ieder belangstellende binnenkort zal komen vast te staan, dat de schuldige was: een oudleeraar van het oude Franeker gymnasium, de schoonzoon van een gemeente-secretaris van Franeker.”
Te verwonderen is het dus zeker niet, dat de gegevens, waarover dr. De Jong blijkbaar beschikt, door velen en ook door mij met groote belangstelling en spanning worden tegemoet gezien. En het spreekt vanzelf dat, als Dr. De Jong op afdoende en overtuigende wijze kan aantoonen, dat dr. Eelco Verwijs — want dien heeft hij nu op het oog — het kunststuk heeft volbracht om het handschrift van het OLB te vervaardigen, dat alsdan ook de nu nog meest overtuigde voorstander van de echtheid van het handschrift het pleit (dus ook van Dr. Ottema) als verloren moet beschouwen en eere zal geven, wien eere toekomt.
Maar — het is niet te gelooven — zoover is het nog niet, want met deze verklaring blijkt dr. De Jong thans niet tevreden te zijn: hij eischt meer, meer dan waarop hij m.i. aanspraak kan maken en dat vind ik het bedenkelijke, waarop ik niet kan nalaten bijzonder de aandacht te vestigen.
Zijne stelling: „Slaag ik niet, dan blijft desalniettemin de onechtheid van het OLB door anderen (wie zijn dit?) vóór mij “aangetoond, onbetwijfelbaar,” verraadt m.i. dat dr. De Jong deze mogelijkheid niet geheel wenscht uit te schakelen. Dit geeft reeds te denken.
En waarom verzuimde dr. De Jong deze krasse bewering, die feitelijk ook de spil is waar zijn geheel betoog om draait, duidelijk en met overtuigende gegevens toe te lichten en te bevestigen?
De vergelijking van het Oera Linda Boek met de „Lachende Cavalier” gaat niet op. Voor het eerstgenoemde zal een officieel onderzoek door experts — mits daartoe aangewezen, wat nog nimmer is gebeurd — misschien juist het tegenovergestelde resultaat opleveren als bij onzen laatstgenoemden vriend. Was de door dr. De Jong gemaakte vergelijking juist, dan zou het OLB het onderzoek moeten vreezen. De vrees zit nu blijkbaar aan den anderen kant.
Dr. De Jong zegt: „In Nederland zal nu geen enkel filoloog (germanist) er aan denken, ook maar een oogenblik de echtheid (van het OLB) in overweging, laat staan in onderzoek te nemen.” Het komt me voor dat hier de nadruk gelegd moet worden op nu. Het wachten is nu inderdaad op dr. De Jong (en op Prof. Wirth).
Maar, als over eenige weken of maanden het boek met het resultaat van den door dr. De Jong gezochten en gevonden bewijslast tegen den bedrieger is verschenen en als het dan inderdaad eens mocht blijken, dat het onderzoek niet dat bevredigend resultaat heeft opgeleverd als nu algemeen wordt verwacht, zal het dan geen indruk maken, dat dit teleurstellende resultaat door dr. Ottema reeds voorspeld is? En zal de belangstelling voor deze zaak, die groeiende is, dan ook spoedig zulke vormen aannemen, dat een officieel onderzoek door deskundigen niet meer is te keeren?
We zullen zien.
Met dank voor de plaatsing,
E. MOLENAAR.
Franeker, 20 Juni 1927.
5-7-1927
Geachte Redactie.
Beleefd verzoek ik U weer eenige plaatsruimte, Ik zal n.l. gaarne gevolg geven aan een persoonlijk tot mij gericht verzoek om in Uw blad, zeer in ’t kort, eenige nadere mededeelingen te doen met betrekking tot het OLB, terwijl ik tevens ook enkele bedenkingen meen te moeten aanvoeren tegen het laatste stuk van dr. De Jong over ditzelfde onderwerp. Bij voorbaat dus gaarne mijn dank.
Het OLB is in zijn origineelen vorm een handschrift, bestaan hebbende uit ruim 100 bladen aan beide zijden beschreven, waarvan echter in den loop der tijden eenige verloren zijn gegaan, wat blijkt uit een vroegere pagineering. Ook het slot van het handschrift schijnt reeds voor dien tijd verloren te zijn geraakt, wat uit de wijze van pagineeren is op te maken, Het oorspronkelijke stuk is nog in het bezit van de familie Over de Linden (vanouds genaamd Oera Linda en nog vroeger Ovira Linda). Het wordt nog heden ten dage als een „familie-heiligdom” met zorg bewaard. Nadrukkelijk werd mij door de familieleden (die mij onlangs in de gelegenheid stelden het oude document eens in te zien) verklaard, dat, zoodra de onechtheid afdoende bewezen mocht worden, het stuk door hen geen dag langer meer bewaakt zou blijven.
Het handschrift is Oud-Friesch, geschreven met een letterschrift, waarover Prof. Wirth in zijn binnenkort verschijnend studiewerk stellig hoogst belangrijke mededeelingen zal doen.
Het boek bestaat uit ruim vijftig grootere en kleinere stukken, elk voorzien van een bovenschrift, aangevende waar het gevonden is (b.v. op de wanden van welke burchten het gegrift was, of het wetten zijn of rechten, en of het tot de oudste leer of vroegste geschiedenis behoorde), terwijl enkele stukken van de zes verschillende schrijvers, die aan deze familiekroniek gedeelten hebben toegevoegd, bovenschriften hebben van den volgenden inhoud: „Nu wil ik schrijven, eerst over mijn burcht en dan over hetgeen ik heb mogen zien.” Nu wil ik schrijven hoe de „gertmanna” en vele volgelingen van Hellenia terug kwamen.” „Nu wil ik over Friso schrijven.” „Nu wil ik schrijven over zijn zoon Adel,” enz.
Ik deel dit mede om een denkbeeld te geven van den rijken inhoud van het raadselachtige handschrift, dat bovendien nog uitvoerige beschrijvingen bevat van ontzettende natuurrampen: het verzinken van „Aldland” (Atlantis), aardbevingen, watervloeden (o.a. het ontstaan van de Middelzee) en van allerlei historische gebeurtenissen. Wij leeren er uit kennen een eeredienst van het eeuwige licht, benevens een zedeleer van grooten eenvoud en zuiverheid, terwijl deze familiekroniek ons tevens vertelt hoe groot Friesland weleer is geweest, welke heldhaftige daden verricht zijn geworden en welke verre zeetochten onze heidensche voorvaderen hebben volbracht.
Hoogst merkwaardig is vooral, dat ’t handschrift ook vermeldt, dat in dit gewest, een vroegere jaartelling heeft bestaan (aanvangende sedert het verzinken van „Aldland,” door de zeelieden Atland geheeten”), welke jaartelling tot in onze dagen bewaard en bekend is gebleven in de oude Friesche Almanakken als het Tijdperk na den Zondvloed, n.l. het jaar 2193 v.Chr, een jaartelling die echter niet overeenkomt met de Bijbelsche tijdrekening, terwijl een rekening bij jaren sedert den Bijbelschen Zondvloed — buiten Nederland, in dit geval Friesland — bij geen volk bekend is geweest.
Wat de taal Betreft is het misschien vermeldenswaard, dat de verschillende schrijvers zich in de gewone spreektaal en in hun eigen dialect hebben uitgedrukt.
Ik ben nu genaderd tot het gevaarlijke terrein der taalvergelijkende en taalhistorische studie, en van het tekstkritisch onderzoek, waar de waarschuwende stem van dr. De Jong mij toeroept: „Het oordeel hierover blijve aan de deskundigen. Zijn die het eens, dan zwijge de leek, zijn ze het niet eens, hij zwijge in zeven talen.” Ik zwijg daarover dus in zeven talen, omdat de deskundigen het in dezen niet met elkander eens zijn, wat zeker een gevolg is van de vrije concurrentie en het door dr. De Jong zoo hoog geprezen particulier initiatief.
Ik heb tot nu toe mij steeds beroepen op dr. Ottema. Deze wordt nu uitgeschakeld door dr. De Jong met een: „Ottema was geen autoriteit.”
Dit oordeel lijkt mij in zijn algemeenheid wel wat erg kort en krachtig. Ottema heeft toch het handschrift vertaald!
Ook is het opmerkelijk, dat er niemand is te noemen, die naar de eer streefde om zich er op te beroemen het afdoende directe bewijs van de onechtheid van het OLB te hebben aangetoond. De onlangs nog uitgesproken vrees, dat het OLB een „Germanenbijbel” zal worden, bewijst toch wel, dat de inhoud van meer beteekenis wordt geacht dan algemeen bekend is.
Ik heb mij als belangstellende leek een oordeel gevormd over deze merkwaardige zaak en ook het laatste artikel van dr. De Jong heeft daarin geen wijziging gebracht.
Met belangstelling zal ik zijn boek tegemoet zien om te hooren wat dr. Ottema op zijn kerfstok heeft, maar nog sterker gaat mijn verlangen uit naar het studiewerk van prof. Wirth, waarin deze — zooals bekend is — met geheel nieuwe gegevens en zijns inziens werkelijk afdoende argumenten een hervatting van het onderzoek zal eischen.
Deze ernstige poging van prof. Wirth versterkt mij in de gedachte, dat het dr. De Jong niet gemakkelijk zal vallen de noodige overtuigingsstukken bijeen te brengen. Eén van beiden kan slechts slagen.
Hoe grooter dus de algemeene belangstelling wordt, des te grogter is m.i. de kans dat ten slotte de waarheid zegeviert. En daar gaat het in deze om.
Franeker, 4 Juli 1927.
E. MOLENAAR.