Jump to content

Gerben Colmjon

From Oera Linda Wiki

Gerben Colmjon (1828-1884 beide Leeuwarden), bibliothecaris en archivaris voor de provincie Friesland (meer op biografie bij Tresoar of Friestalige wikipedia), was één van de eersten die publiekelijk beweerden dat het handschrift van Over de Linden niet authentiek kon zijn. Hij voelde zich hiertoe genoodzaakt naar aanleiding van een eerste publicatie door Hettema, een week eerder. Colmjon’s schrijven leidde tot het eerste publieke debat met Jan Ottema, die de echtheid verdedigde.

Dit vond plaats zeven maanden na Ottema’s verslag omtrent het handschrift bij het Friesch Genootschap (feb. 1871) en een jaar vóór uitgave van Ottema’s Thet Oera Linda bok (okt. 1872).

Publicaties m.b.t. OL

  • JJK 7 Colmjon, G. — Nog iets over het Oud Friesch handschrift — LC 12-9-1871.
  • JJK 11 Colmjon, G. — Over het boek van Adela; repliek op de door den Heer dr J.G. Ottema gemaakte aanmerkingen — uitg. Wester, Leeuwarden, 8 bl. gedat. 25-9-1871.

Zie ook:

  • JJK 12 Ottema, J.G. — Friesch handschrift (...) Wederlegging der bedenkingen van de Heer G. Colmjon tegen de echtheid — HC 27-9-1871.
  • JJK 57 Verslag van de lezing van G. Colmjon voor het Frysk Selskip — LC 19-6-1874 bl.2 kol. 1-2.
  • JJK 627 Kalma, J.J. — Gerben Colmjon, hoeder fan it erfskip — Assen, van Gorcum en Co. 1946, 95 bl. 8° [op bl. 61-64 over OL].
  • JJK 641 Colmjon (jr.), G. — De Nederlandse letteren in de 19de eeuw — Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1953 [op bl. 215-229 over OL en Verwijs].
  • S 17 G.W. — De wraak van Gerben Colmjon. “That Thusendigste Jar” een nieuw Oera Linda-Boek. Deventer Dagblad, 9-11-1957.

In brieven

E. Verwijs aan J.F. Jansen 28-6-1867:

De wetenschap zal, meen ik door zulk eene uitgave [eene afzonderlijke uitgave, zoo noodig met eene vertaling er naast, of ten minste met een Glossarium (en een) facsimilé van een blad van den text] zeer gebaat worden, al is ze dan ook maar in mijne handen, die volgens de verzekering der H.H. Dijkstra en Colmjon voor Friesche taal ten eenenmale een onbevoegd beoordeelaar ben.

COL aan JGO 23-8-1871:

Hebt UEd het Nieuws van den Dag van heden gelezen? Daar staat in, dat den heer G. Colmjon archivaris van Friesland het handschrift bepaald voor onecht erkend. Is dat waar?

JGO aan COL 25-8-1871:

De meening van den Hr. Colmjon ken ik; hij schermt met het komt mij voor en het lijkt mij toe, maar hij kan geen van de hierboven genoemde bewijzen leveren.

JGO aan COL 12-9-1871:

Bij de polemiek, die zich terzake van het HS ontsponnen heeft, kan ik niet langer mij buiten het spel houden. Vooral nu de Heer Colmjon in de Leeuwarder Courant een vreeselijk lang stuk bijeen gewauweld heeft.

COL aan JGO 13-9-1871:

Hede heeft men mij weêr een bijvoegsel van de Leeuwarder Krant gezonden, waarin Colmjon zijne geleerdheid, of spijt, laat luchten. Ik weet niet in hoeverre hij, met zijn aanmerkingen op de taal gelijk heeft, maar toen ik aan het slot las, dat hij het niet ouder dan van het jaar 1853 schatte,  zei ik onwillekeurig: “ben je bedonderd kerel!”

COL aan JGO 15-9-1871:

Mij dunkt de redenen die UEd den Heer de Haan Hettema hebt opgegeven om te bewijzen dat het handschrift niet later dan in 1256 geschreven kan zijn, zouden ook wel kunnen dienen om den Heer Colmjon te overtuigen. (Voetnoot: Wat zijn aanmerkingen op vreemde woorden aangaat, als de Friezen zulke stoute buitenvaarders waren, dan konden zij ook wel vreemde woorden binnen smokkelen.) Ten minste, als het ZEd daarom te doen is, en niet liever zijn naam in de kranten wil lezen, zoo als ZEd vandaag weder met betrekking tot het handschrift in het Nieuws van den Dag kan lezen, dat hij een kundigen Friesche archivaris is.

COL aan JGO 16-9-1871:

In Uw verslag zegt U, bl. 6. blijkens de lokaliteit de taal moet geweest zijn zooals die gesproken werd tusschen het Vlie en Kinhem, en Wester Flyland. De Heer Colmjon schermt met een taal die aan de andere zijde gesproken wordt, dus valt zijn betoog m.i. van zelf in het water. Jhr. de Haan Hettema kent geen onderscheid tusschen oud en nieuw friesch, en Colmjon verwonderd er zich over dat hij het H.S. zoo zonder omzettingen in het nieuwe friesch kan overzetten.

JGO aan COL 17-9-1871:

Dingsdag komt een stuk van mij in de Leeuwarder Courant, waarin ik de geleerdheid van den heer Colmjon ontleed en ontkleed, en omdat het ongeletterd publiek zoo veel gewicht hecht aan het gezag van dien man, houd ik met hem afrekening. (...) In de geleerde wereld denkt men gansch anders als die onbevoegde schreeuwers, en hier te Leeuwarden weet men wel hoe zwaar Colmjon en Johan Winkler wegen.

JGO aan COL 23-9-1871:

Omtrent mijn verweerschrift in de Leeuwarder Courant, dat hier veel indruk maakt, ontving ik onder anderen uit Bergum de nevensgaande briefkaart van den Heer van der Meulen, een speciale kennis van Colmjon. Daaruit kunt gij zien hoe men hier over C. en W. [Winkler] denkt.

COL aan onbekende (minuut) 26-10-1871:

Wat het geschil tusschen de Heren Ottema en Colmjon aangaat, ieder hunner kan van diens standpunt gelijk hebben, doch het verschil van meening wordt door het volgende geheel opgehelderd. Hebben onze voorouders destijds zoo veel op de Middellandsche Zee gevaren, dan kunnen zij niet alleen Latijnsche namen, zelfs al eenige Arabische en Afrikaansche woorden gebezigd hebben. Dat G. Japicks en de Friesche boeren die niet gebruiken, bewijst niets, daar men in de zeeplaatsen allerhande vreemde woorden bezigt, die men op het platte land en in binnenste steden niet hoort.

JGO aan COL 13-11-1871:

Over de Taal kan overigens Colmjon niet oordeelen.

COL aan JGO 8-7-1872:

Colmjon zeide dat het H.S. Hollandsch met enkele friesche woorden was. Maar om zoo iets te durven zeggen moet men de menschen voor de gek houden of zelf een gek zijn.

COL aan JGO 2-8-1872:

De inval van UEd, om de taal uit het oude friesche wetboek met die van het handschrift te vergelijken, vind ik onbetaalbaar en het komt mij voor, dat als u dit proefje achter in het boek zette, het praatje van den Heer Colmjon als zoude het handschrift slechts uit Hollandsch bestaan, dat met eenige Friesche woorden doorspekt is, zou dan voor goed ontzenuwd zijn.

JGO aan LFodL 20-1-1876:

Dit [schrijven van Ds. Leenderts in de Navorscher van December] is net zulk dom en verwaand gezeur als dat van Colmjon, maar daarbij zoo beleedigend, dat het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk man is er op te antwoorde.

Overig

M.b.t. OL heeft Tresoar een brief van Colmjon aan Ottema d.d. 7-8-1871 en diverse niet gespecificeerde in brievenverzameling Colmjon.

Zie ook onder hoofdstuk VI in Dossier Oera Linda van Luitse.