C Overwijn

    From Oera Linda Wiki

    Deel I. Het Boek der Adela-volgers

    C. Inleiding door Opstellers

    Gouwraad in Verwarring
    Betoog van Adela
    Namen der Opstellers

    Overwijn 1951

    [5] Het boek van Adela’s aanhangers.

    Dertig jaar na de dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, door de opperste Magy, was het er erg aan toe. Alle staten, die aan de andere zijde van de Weser liggen, waren van ons afgescheurd en onder de macht van de Magy gekomen en het stond te vrezen, dat hij macht zou krijgen over het hele land. Om dat ongeluk af te weren, had men een algemene volksvergadering belegd, alwaar vergaderd waren alle manspersonen, die in een goede roep stonden bij de burchtvrouwen. Doch nadat er meer dan drie etmalen verlopen waren, was de gehele gouwraad in de war en alles evenver als bij hun komst.

    Toen ten laatste vroeg Adela het woord en sprak: Gij allen weet, dat ik drie jaar burchtmaagd ben geweest, ook weet ge, dat ik gekozen ben tot volksmoeder en dat ik geen volksmoeder wilde wezen, omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, alsof ik in werkelijkheid volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weer gereisd, toeziende op wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veel zaken bekend geworden, die anderen niet weten. Ge hebt gisteren gezegd, dat onze stamverwanten aan de andere zijde van de Wezer tam en laf waren, maar ik kan u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen heeft door het geweld van zijn wapens, maar alleen door arglistige streken en nog meer door de hebzucht der Hertogen en Edelen. Frya heeft gezegd, dat wij geen onvrije lieden bij ons moesten toelaten, maar wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd, want inplaats van hun gevangenen te doden of vrij te laten, hebben zij Frya’s raad veracht en hen tot hun slaven gemaakt. Omdat zij zulks deden, had Frya geen lust meer langer over hen te waken. Zij hebben eens anders vrijheid genomen en dat is de oorzaak, dat zij hun eigen hebben verloren. Doch dat alles is Uzelf ook bekend. Ik wil U echter vertellen, hoe zij allengs zo ver verzeild zijn. De vrouwen van de Finnen kregen kinderen, deze groeiden op met onze vrije kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij gezamenlijk op het hiem, of zij waren met elkander bij de haard. Daar hoorden zij met welgevallen naar de losbandige sagen van de Finnen, omdat die dubbelzinnig en nieuw waren. Zo zijn zij ontfryast, ondanks het gezag van hun ouders. Toen de kinderen groot werden en zagen, dat de kinderen van de Finnen geen wapens mochten hanteren en alleen maar moesten werken, kregen zij van het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De bazen en hun stoerste zoons kropen bij de wulpse Finse meisjes en hun eigen dochters, door het slechte voorbeeld van de wijs gebracht, lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, tot spot van heur verdorven ouders. Toen de Magy dat in de gaten kreeg, nam hij de schoonste van zijn Finnen en Magjanen, die hij koeien met gouden horens beloofde, als zij zich door ons volk [7] lieten gevangen nemen, teneinde zijn leer te verbreiden. Maar zijn lieden deden meer. Kinderen werden zoek gemaakt, naar de Upsalanden weggevoerd en nadat zij opgevoed waren in zijn euvele leer, werden zij teruggezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, kwamen zij de hertogen en edelen aan boord en zeiden, dat zij de Magy onderhorig moesten worden, dan konden hun zoons hen opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om hun goede daden een vóórdeel bij hun huis hadden gekregen, beloofden zij namens hem ook nog een achterdeel er bij. Degenen, die een vóór- én achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe en die een ronddeel hadden een hele state. Waren de ouders te zeer Fryasgezind, dan wendden zij de steven en hielden aan op hun verbasterde zoons. Gisteren waren er onder U, die al het volk te hoop wilden roepen om de Oostelijke Staten weer tot hun plicht te dwingen. Doch naar mijn eenvoudige mening zou dat verkeerd uitkomen. Denk eens, dat er hier een hevige longziekte onder het vee was geweest en dat die daar nog erg woedde, zoudt ge het dan wel wagen om uw gezonde vee onder hun ziek vee testuren? Immers neen. Zo goed als nu iedereen moet beamen en toestemmen, dat het dan met de veestapel verkeerd zou aflopen, wie zou dan zo onvoorzichtig wezen om zijn kinderen te wagen onder een volk, dat helemaal verdorven is?

    Mocht ik U een raad geven, dan zou ik tot U zeggen: gij moest véér alles een nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel, dat ge daarmede aan de grond zit, omdat er van de dertien burchtvrouwen, die wij nog over hebben, wel acht zijn, die naar die eer dingen, maar daar zou ik geen acht op slaan. Tuuntje, die vrouwe is op de burcht Maagdenburcht, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand van wetenschap en helder inzicht en wel zo sterk op haar volk en onze gebruiken gesteld, als alle anderen tezamen, Voorts zou ik aanraden, dat gij naar de burchten moest gaan en daar opschrijven alle wetten van Frya’s tex (tekst), benevens alle geschiedenissen, ja alles wat er te vinden is op de wanden, opdat alles niet verloren ga, en tezamen met de burchten niet tevens zal ondergaan. Daar staat geschreven: De moeder en elke burchtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bij doen, dan zou ik schrijven: ,,èn evenvele eerzame dochters tot lering, als er op de burchten mogen zijn”. Want ik zeg het U in trouwe en de tijd zal het bevestigen, dat als gij echte Fryaskinderen wilt blijven, onoverwinnelijk, noch door list, noch door de wapens, dan behoort gij er voor te waken, dat uw dochters echte Fryavrouwen worden. De kinderen moet men leren, hoe groot ons land weleer geweest is, wat ’n grote mannen onze voorouders waren, hoe groot wij nóg zijn, als wij ons zelf bij anderen vergelijken. Men moet hun vertellen van de helden en van hun heldhaftige daden; ook van de verre zeetochten. Al deze verhalen behoren gedaan te worden bij de haard, op het hiem, en waar het zijn moge, [9] zowel in vreugde, als in leed. Maar zal het stand houden in het brein en in het hart, dan moeten alle leringen over de lippen Uwer vrouwen en dochters erin vloeien. Adela’s raad is opgevolgd.

    Deze zijn de namen van de grevetmannen, onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.

    Apol, Adela’s man. Driemaal is hij zeekoning geweest, nu is hij grevetman over Oost-Vlieland en over de Lindeoorden; de burchten Ljudgarda, Lindaheem en Stavia zijn onder zijn hoede. De Saxman Storo, Sytje’s man, grevetman over de Hogevennen en Wouden. Negenmaal is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen, de burchten Budda en Draviksorevoorde zijn onder zijn hoede. Abelo, Jaltje’s man, grevetman over de Zuidervlielanden. Viermaal is hij heerman geweest, de burchten Aken, Luik, Kadier en Keer zijn onder zijn hoede. Enoch, Dyweke’s man, grevetman over Westvlieland en Texland. Negenmaal is hij tot zeekoning gekozen, Waraburcht, Maagdenburcht, Forana en Fryaburcht zijn onder zijn hoede. Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, Vijfmaal is hij zeekoning geweest, de burcht Walhallagara is onder zijn hoede.

    Navigeer

    AB Overwijn ᐊ vorig/volgend ᐅ D Overwijn