Jump to content

NL118.32 Vloot

From Oera Linda Wiki

Ontwerp 2026 Ott

S. Frethorik

2. Friso’s Vloot Legt Aan

118.32 Nu zal ik beschrijven hoe de Geertmannen en vele Helenia-Volgers[1] terugkwamen.

[119] Twee jaar nadat Gosa volksmoeder was geworden, voer een vloot het Fliemeer in. Het scheepsvolk riep: “Hoe’n zegen (Hoezee)!” Ze voeren door naar Staveren, waar zij het nog eens riepen. De vlaggen waren gehesen en des nachts schoten zij vuurpijlen in de lucht. In het ochtendgloren roeiden er enkelen met een schuit de haven in. Zij riepen weer: “Hoe’n zegen!”

Toen zij landden, sprong een jongkerel de wal op. In zijn handen had hij een schild waarop brood en zout lag. Na hem kwam een oudere man. Hij zei: “Wij komen van de verre Kreeklanden, om onze zeden te kunnen behouden. Nu wensen wij, dat u zo mild wilt wezen, om ons zoveel land te geven dat wij daarop kunnen wonen.” Hij vertelde een hele geschiedenis, die ik hierna zal schrijven.

De graven wisten niet wat te doen. Ze zonden overal boden heen, ook naar mij (Frethorik Oera Linda). Ik ging erheen en zei: “Nu wij een volksmoeder hebben, zouden wij haar raad moeten vragen.” Ikzelf ging mee. De Moeder, die alles al wist, zei: “Laat ze komen, dan kunnen zij ons land helpen behouden. Maar laat hen niet allemaal op één plek blijven, opdat zij ons niet overmeesteren.” Wij deden zoals zij gezegd had. Dat was geheel naar hun wens.

Friso bleef met zijn lieden te Staveren, dat zij weer tot een zeestad maakten, zo goed zij konden. Wichhirte ging met zijn lieden oostwaarts naar de Eemsmond. Sommige Joniërs, die meenden af te stammen van het volk van Alderga, gingen daarheen. Een klein deel, dat meende dat hun voorouders van de Zeven Eilanden kwamen, vestigden zich binnen de ringdijk van de burg Walhallagara.

Noten en andere vertalingen

Overwijn 1951

[/115] Nu wil ik schrijven hoe de Geermanen en vele volgelingen van Hellenia terugkwamen.

Twee jaren nadat Goza Moeder werd, kwam er een vloot het Vliedmeer binnenvallen. Het volk riep: „Ons Eigen”. Zij voeren naar Staveren, daar riepen zij het nog eens. De banieren waren in top en ’s nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was, roeiden er enkelen met een snik de haven in, zij riepen weer: „Ons Eigen”. Toen zij landden, wipte een jonge kerel de wal op. In zijn handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd, Na hem kwam een oudere man, hij zei: Wij komen van de verre Krekalanden, om onze zeden te bewaren. Nu zouden wij willen, dat gij zo vriendelijk zoudt zijn, om ons zoveel land te geven, dat wij daarop kunnen wonen. Hij vertelde een hele geschiedenis, die ik hierna beter kan beschrijven. De ouderen wisten niet wat te doen, zij zonden overal boden heen, ook naar mij. Ik ging heen en zei: nu wij een Moeder hebben, behoren wij haar raad te vragen. Ikzelf ging mee. De Moeder, die alles reeds wist, zei: laat hen komen, dan kunnen zij ons land helpen behouden, maar laat hen niet op één plek blijven, opdat zij ons niet de baas worden. Wij deden zoals zij gezegd had. Dat was best naar hun zin. Friso bleef met zijn lieden te Staveren, dat zij weer tot een zeestad maakten, zo goed zij konden. Wichhirte ging met zijn lieden Oostwaarts naar de Eemsmond (Embden). Sommigen der Ioniërs, die meenden dat zij van het Aldegavolk waren gesproten, gingen daarheen (Hensbroek). Een klein deel, dat meende, dat hun voorvaders van de Zeven Eilanden (Bretagne) kwamen, gingen zich nederzetten binnen de ringdijk van de burcht Walhallagara.

Ottema 1876

[/163] Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele volgelingen van Helenia terug kwamen.

Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was, roeiden sommigen met eene snik de haven in, zij riepen weder hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem kwam een grijze; hij zeide wij komen van [165] de verre Krekalanden weg, om onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren, dat zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen den ringdijk van de burgt Walhallagara.

Navigeer

NL117.20 Eremoeder ᐊ vorig/volgend ᐅ NL120.10 Alexander

Aangepaste volgorde:

NL130.21 Noordland ᐊ vorig/volgend ᐅ NL143.01 Sloten

En 14c A Fleet Arrives


  1. ‘Helenia’ (HÉLÉNJA) — elders: (NY.)HEL.LÉNJA: (Ny-)Hellenia.