Jump to content

1832-1902 Alewijn Ott: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
1869: o.a. afb. Nut en Genoegen 1869
aanvulling
Line 70: Line 70:


<blockquote>Het eenige belangrijke in de quaestie blijft alleen, wie de grappenmaker kan geweest zijn, die, hoogstens een paar honderd jaar geleden, zich kan beziggehouden hebben met de vervaardiging van dit boek?</blockquote>
<blockquote>Het eenige belangrijke in de quaestie blijft alleen, wie de grappenmaker kan geweest zijn, die, hoogstens een paar honderd jaar geleden, zich kan beziggehouden hebben met de vervaardiging van dit boek?</blockquote>
<u>Maandag 7 augustus</u> deelde archivaris [[Gerben Colmjon|Colmjon]] schriftelijk met Ottema zijn overtuiging dat de inhoud van het handschrift vanwege de taal niet oud kon zijn, zoals zou blijken uit een bericht in de ''Leeuwarder'' van dinsdag 12 september.


<u>Woensdag 23 augustus</u> in ''Het Nieuws van den Dag'' en een dag later overgenomen in ''Het Vaderland'', dat tevens gewag maakt van “al de zotheden, die in dat H.S. voorkomen” (daar na ook in de ''Bildtsche'', ''Heldersche'' en ''Leeuwarder Courant''):
<u>Woensdag 23 augustus</u> in ''Het Nieuws van den Dag'' en een dag later overgenomen in ''Het Vaderland'', dat tevens gewag maakt van “al de zotheden, die in dat H.S. voorkomen” (daar na ook in de ''Bildtsche'', ''Heldersche'' en ''Leeuwarder Courant''):


De archivaris van Friesland, [[Gerben Colmjon|Colmjon]], houdt het oud-Friesch handschrift voor onecht “op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is”. Ottema zou “door te veel voorliefde worden geleid”. Colmjon, “een warm voorstander van Frieslands taal en geschiedenis, die zeker gaarne zoude wenschen dat het handschrift waarheid bevatte, mag men in deze wel voor onpartijdig houden.”
De archivaris van Friesland, Colmjon, houdt het oud-Friesch handschrift voor onecht “op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is”. Ottema zou “door te veel voorliefde worden geleid”. Colmjon, “een warm voorstander van Frieslands taal en geschiedenis, die zeker gaarne zoude wenschen dat het handschrift waarheid bevatte, mag men in deze wel voor onpartijdig houden.”


<u>Dinsdag 29 augustus</u> een stuk in de ''Leeuwarder Courant'' met bevindingen van '''doctor Ottema''' over “<u>het boek van Adela</u>” (later in het verslag: ''het boek van Adela’s helpers''). Ottema is leraar aan een Latijnse school en lid van het ''Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde'' te Leeuwarden. Mijn aantekeningen:
<u>Dinsdag 29 augustus</u> een stuk in de ''Leeuwarder Courant'' met bevindingen van '''doctor Ottema''' over “<u>het boek van Adela</u>” (later in het verslag: ''het boek van Adela’s helpers''). Ottema is leraar aan een Latijnse school en lid van het ''Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde'' te Leeuwarden. Mijn aantekeningen:
Line 79: Line 81:
*Het is Ottema gelukt ''om het schrift geheel te ontcijferen en den tekst te verklaren''.
*Het is Ottema gelukt ''om het schrift geheel te ontcijferen en den tekst te verklaren''.
*''Als antiquiteit van taal en schrift is het werk dus eenig in zijne soort.''
*''Als antiquiteit van taal en schrift is het werk dus eenig in zijne soort.''
*Men spreekt van ''15 ½ eeuwen voor Chr.'' alsof bekend is wanneer dat Kerstentijdperk begon. Oom Alewijn, die nog les heeft gehad van grootvader Ott, sprak er vaak over: Die oude jaartallen van de Bijbel en de Latijnse school kloppen niet.
*Men spreekt van ''15 ½ eeuwen voor Chr.'' alsof bekend is wanneer dat Kerstentijdperk begon. Oom Alewijn, die nog les heeft gehad van [[1758-1810 Jan Ott|grootvader Ott]], sprak er vaak over: Die oude jaartallen van de Bijbel en de Latijnse school kloppen niet.
*Ottema noemt de Atheense Moeder Geert een ''priesteres''!
*Ottema noemt de [[NL072.05 Geertmannen|Atheense Moeder Geert]] een ''priesteres''!
*''Die godsdienst is hoogst eenvoudig en een zuiver Monotheisme of eenheid van het goddelijk wezen.'''
*''Die godsdienst is hoogst eenvoudig en een zuiver Monotheisme of eenheid van het goddelijk wezen.''
*''... de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen'' (!)'', maagden''.
*''... de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen'' (!)'', maagden''.
*(volgt meer)
*Het stuk besluit met:
<blockquote>Ziehier slechts eenige weinige punten uit dit belangrijk verslag. Zij mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom van dit merkwaardige handschrift. Want al loopen er sagen onder, ook als sagen moeten zij waarde hebben voor ons, dewijl alle historie begint met overlevering en er van den sagenschat onzes voorgeslachts zoo goed als niets was overgebleven.
 
Hartelijk wenschen wij, dat de Heer Ottema weldra in de gelegenheid gesteld moge worden dit stuk in het geheel met eene vertaling en historische toelichtingen in het licht te geven, ten einde de door zijn verslag opgewekte belangstelling te bevredigen, en onze letterkunde met een gewigtige historische bron te verrijken.</blockquote><u>Dinsdag 5 september</u> plaatste de Leeuwarder een bijdrage van meester [[Montanus Hettema|De Haan Hettema]]. Als weerwoord op Colmjon, die het handschrift voor onecht houdt omdat ''<u>dat de stijl veel te nieuwerwetsch</u>'' zou zijn, stelt hij'':''<blockquote>Het stuk is in de ''Friesche Taal'' geschreven; eene onderscheiding tusschen oud-Friesch en Land- of Boere Friesch ken ik niet. Ik kan alleen eene oudere en nieuwere spelling van die taal, want de uitspraak van het Friesch is nagenoeg nog dezelfde als voor eenige eeuwen (...)
 
Wat nu de spelling in dit stuk voorkomende betreft, deze is, in mijn oog, veel meer overeenkomstig de oudere en zeer regelmatig, en veel beter en regelmatiger, dan van hen, die thans de taal schrijven; zoodat het te wenschen ware, dat men in de hoofdzaak die spelling overnam, dan zoude er meer eenheid in die spelling komen en het oorspronkelijke van de taal, beter dan nu, bewaard blijven. (...)
 
Bovendien vinden wij reeds in onze photografiën eenige thans niet algemeen meer bekende woorden, die in het overige van dit geschrift wel zullen voorkomen en daardoor onze ''Friesche Woordenschat'' zouden kunnen aanvullen.
 
Ik beschouw het dus in de eerste plaats van belang om dit stuk in den Frieschen tekst door den druk bekend te maken; maar ook in de tweede plaats, — als men volgens het verslag den inhoud aanneemt, die zoo wel uit een Godsdienstig, als uit een Geschiedkundig oogpunt niet van belang ontbloot schijnt te zijn, — dat er dan ook eene Hollandsche vertaling bijgevoegd worde, om ook niet-Friezen met diens inhoud bekend te maken. (...)
 
Dat [de schrijver van het handschrift] meer dan een dagelijksch mensch was, een geleerde en zeer goed met het Friesch bekend, zal wel niemand betwijfelen.</blockquote><u>Zondag 10 september</u> is door Ottema in de Leeuwarder een heel stuk uit het handschrift geplaatst, de Fryas woorden in ons schrift overgezet, over paalwoningen in Zwitserse meren, zoals vermeld door [[NL108.28 Rijn|Apollena]], dienende als bewijs voor de echtheid. Resten van die woningen zijn namelijk pas een kleine 20 jaar geleden ontdekt. Niemand zal ernstig durven beweren dat het handschrift minder dan 20 jaar oud is, tenzij Cornelis een later afschrift ervan heeft ingezonden.
 
<u>Dinsdag 12 september</u> weer een lang stuk in de Leeuwarder. Colmjon blijkt al begin juni te zijn begonnen met rondbazuinen dat het handschrift een modern maaksel zou zijn. In augustus heeft hij deze overtuiging per brief ook met Ottema gedeeld.<blockquote>... ik moet mij van de onechtheid van het ''Boek van Adela'' overtuigd houden. (...) dat ik dit schrijven ... als nul en van geene waarde moet verklaren (...) sommige taalfouten, die een Fries nooit zou kunnen begaan.</blockquote>Ottema’s paalwoningen zijn voor Colmjon bewijs,<blockquote>dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist.</blockquote><u>Donderdag 14 september</u>, een naamloze, grimmige commentator hoopt dat met het stuk van Colmjon<blockquote>een einde zal gemaakt zijn aan de liefhebberij, die sommigen schijnen te hebben om hun critische blindheid tegenover dit Handschrift aan de groote klok te hangen.</blockquote>Hij spreekt over het werk van Ottema (en Hettema?) als ''quasi-geleerdheid'', over de inhoud van het handschrift als ''zottenpraat'', met als voorbeeld:<blockquote>dat Neptunus een Vi-king of zeekoning geweest is, die door zijn onderdanen gewoonlijk [[NÉF-TÜNIS|Neef-Teunis]] genoemd werd!</blockquote>


==1875==
==1875==

Revision as of 11:22, 26 June 2026

Alewijn Ott (1832-1902) te Twisk was de jongste zoon van Pieter Ott (1786-1837) te Abbekerk.

[samenvatting volgt]

Afkortingen

  • d.v./z.v. = dochter/zoon van
  • BS = Burgerlijke Stand

1832

Maandag 20 februari om 4 uur is geboren Alewijn, z.v. Pieter Ott (40), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 21 feb. door vader, Jan Reuzenaar (39) en Simon de Jong (30), beide gebuur en landman [BS 1832g/2].

1834

Zaterdag 13 december om 22 uur is geboren Marijtje, d.v. Pieter Ott (48), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 14 dec. door vader, Pieter Koelemey sr. (64) en Pieter Koelemey jr. (28), beide gebuur en landman [BS 1834g/9].

1835

Donderdag 4 juni zijn te Zwaag getrouwd oom Teunis Louw (33, kleermaker) met Aafje Dop (27); getuigen vader Pieter Ott (49, veldwachter, zwager brg.), Klaas Louw (35, arbeider, broeder brg.), voor de bruid Jacob Dop (29, tuinman) en Arend Kessel (37, dienstknecht) [BS 21827/6].

1836

Zondag 3 juli om 13 uur is overleden Marijtje, d.v. Pieter Ott, veldwachter en Aafje Louw, aangifte 4 juli door Pieter Koelemey sr. (64) en Pieter Koelemey jr. (29), beide landman en gebuur [BS 31836/8].

Zondag 13 november om 20 uur is geboren Marijtje, d.v. Pieter Ott (50), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 14 nov. door vader, Simon Koning (34), vrachtschipper en Dirk Enigenburg (28), broodbakker, beide gebuur [BS 1836g/5].

1837

Zaterdag 30 september om 23 uur is overleden Pieter Ott (51), veldwachter, geb. te Wognum, z.v. Jan Ott en Maartje Klomp, beide te Wognum overleden. Weduwnaar van Aaltje Wegman, thans gehuwd met Aafje Louw. Aangifte 2 okt. door Klaas Slootemaaker (41) en Klaas Holler (43), beide arbeider en goede bekenden [BS 31837/12].

familie en aanverwanten rondom Pieter Ott aan zijn levenseinde, herfst 1837

(1838-1856 toevoegen)

1857

Zondag 26 april trouwde Alewijn Ott (25) te Twisk met Dirkje Peetoom (18). Getuigen: Dirk Ott slagter 38 jr. te Abbekerk en Evert Bruijn timmerman 46 jr. te Twisk, broer, resp. bekende v/d bruidegom; Dirk Bruijn veldwagter 49 jr. te Abbekerk en Steven Huinink kuiper 30 jr. te Twisk, bekenden v/d bruid.

1863

1865

Donderdag 28 mei om 22 uur is in het huis A-72 te Abbekerk overleden moeder Aafje Louw (68 jaar oud, geboren te Westerblokker, d.v. Elias Louw en Aafje Preker), de tweede vrouw van vader Pieter Ott (1786-1837) en in 1844 gehuwd met Dirk Bruijn, bode te Abbekerk. Aangifte door Reinder Schenk (timmerman, 22 jr.) en Cornelis Nierop (landbouwer, 42 jr.), beiden goede bekenden, wonende te Lambertschaag.

1869

Maandag 22 februari

is bij J. Vroom in de Ooijevaar aan de Zuiderweg onder Opperdoes eene vereeniging opgericht zich noemende vereeniging tot Nut en Genoegen door 10 leden welke daartoe ware uitgenodigt door J. Vroom. De 10 leden bestande uit C. Zee, A. Zee, K. Bennemeer, Jb. Duin, F. Zee, A. Ott, M. Leeuw, Jn Vroom, A. Mos en C. Roggeveen [bron].

De oudste (37 jaar) mede-oprichter, Alewijn Ott, hield als eerste een voordracht, getiteld “aan den Duivel”.

1871

Dinsdag 11 juli is om 2:00 uur geboren te Twisk: Alewijn Ott, zoon van Alewijn Ott (slagter, 39 jaar) en Dirkje Peetoom (33), broertje van Pieter (13), Jantje (12), Aafje (10), Dirk (7), Jan (5) en Elias (bijna 2). Aangifte BS met veldwachter Johannis Scheer (79 jaar) en Pieter Donker Pz (44) [akte].

Woensdag 12 juli, in Het Nieuws van den Dag een bericht over het handschrift van de familie Over de Linden. Kennelijk de timmerman Cornelis te Helder, van Jan Andriesz. Niet ingewijd... Een “overoud handschrift, sedert eeuwen onder zijne familie bewaard”. Eeuwen! Ja, honderdveertig jaar is lang.

Wat blijkt? Eergisteren, maandag 10 juli is op een vergadering van de Gedeputeerde Staten Friesland het Verslag omtrent een overoud handschrift ingebracht, opgesteld door ene doctor Ottema van het Friesch Genootschap.

De krant spreekt van een dagtekening “558 jaren vóór Christus”. Dat is licht mis te verstaan, zoals alle overoude, overschatte dateringen van de nu klassieke leerboeken.

Het is geschreven in zeer oud Friesch, doch voor kenners dezer taal gemakkelijk te lezen, en het bevat vele, tot dusver onbekende bijzonderheden omtrent de geschiedenis en godsdienst der oudste bewoners van Nederland. Indien dit stuk echt is, waaraan tot nog toe bijna niet getwijfeld wordt, is het voor geschiedenis en oudheidkunde eene aanwinst van onschatbare waarde. Er is sprake van dat dit handschrift, waarvan het Friesch Genootschap afschrift heeft bekomen, zal worden uitgegeven met eene vertaling in het Hollandsch en in het hedendaagsch Friesch.

Het Nieuws van den Dag-bericht verscheen de volgende vrijdag 14 en zaterdag 15 juli in respectievelijk de Leeuwarder en de Heldersche Courant.

Vrijdag 21 juli, in het Algemeen Handelsblad:

Ja, ongetwijfeld zal dit belangrijk geschrift veel licht verspreiden over verschillende duistere gebeurtenissen, personen en jaartallen uit de oude geschiedenis.

Maandag 24 juli: Het Vaderland:

Wat thans in het Handelsblad wordt meegedeeld, is al zeer weinig geschikt om vertrouwen te wekken in de echtheid van het boek.

Schrijver twijfelt of de geleerde doctor Ottema...

wel sceptisch genoeg gezind is tegenover een zoo exorbitante verschijning als dit boek, wanneer het echt was, zijn zou. (...) speculaties van een of ander dilettant uit de 17e of 18e eeuw (...) men moet bijzonder naïef zijn (...) wij schamen ons bijna het zotte jaartal te moeten opschrijven (...) Twijfel aan de onechtheid is onmogelijk.

Het stukje eindigt met:

Het eenige belangrijke in de quaestie blijft alleen, wie de grappenmaker kan geweest zijn, die, hoogstens een paar honderd jaar geleden, zich kan beziggehouden hebben met de vervaardiging van dit boek?

Maandag 7 augustus deelde archivaris Colmjon schriftelijk met Ottema zijn overtuiging dat de inhoud van het handschrift vanwege de taal niet oud kon zijn, zoals zou blijken uit een bericht in de Leeuwarder van dinsdag 12 september.

Woensdag 23 augustus in Het Nieuws van den Dag en een dag later overgenomen in Het Vaderland, dat tevens gewag maakt van “al de zotheden, die in dat H.S. voorkomen” (daar na ook in de Bildtsche, Heldersche en Leeuwarder Courant):

De archivaris van Friesland, Colmjon, houdt het oud-Friesch handschrift voor onecht “op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is”. Ottema zou “door te veel voorliefde worden geleid”. Colmjon, “een warm voorstander van Frieslands taal en geschiedenis, die zeker gaarne zoude wenschen dat het handschrift waarheid bevatte, mag men in deze wel voor onpartijdig houden.”

Dinsdag 29 augustus een stuk in de Leeuwarder Courant met bevindingen van doctor Ottema over “het boek van Adela” (later in het verslag: het boek van Adela’s helpers). Ottema is leraar aan een Latijnse school en lid van het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde te Leeuwarden. Mijn aantekeningen:

  • Dat Handschrift wordt sinds onheugelijke jaren bewaard in de familie van den Heer C. over de Linden te Helder, zonder dat iemand de herkomst daarvan wist of den inhoud er van kende wegens de onbekendheid van schrift en taal.
  • Het is Ottema gelukt om het schrift geheel te ontcijferen en den tekst te verklaren.
  • Als antiquiteit van taal en schrift is het werk dus eenig in zijne soort.
  • Men spreekt van 15 ½ eeuwen voor Chr. alsof bekend is wanneer dat Kerstentijdperk begon. Oom Alewijn, die nog les heeft gehad van grootvader Ott, sprak er vaak over: Die oude jaartallen van de Bijbel en de Latijnse school kloppen niet.
  • Ottema noemt de Atheense Moeder Geert een priesteres!
  • Die godsdienst is hoogst eenvoudig en een zuiver Monotheisme of eenheid van het goddelijk wezen.
  • ... de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen (!), maagden.
  • Het stuk besluit met:

Ziehier slechts eenige weinige punten uit dit belangrijk verslag. Zij mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom van dit merkwaardige handschrift. Want al loopen er sagen onder, ook als sagen moeten zij waarde hebben voor ons, dewijl alle historie begint met overlevering en er van den sagenschat onzes voorgeslachts zoo goed als niets was overgebleven. Hartelijk wenschen wij, dat de Heer Ottema weldra in de gelegenheid gesteld moge worden dit stuk in het geheel met eene vertaling en historische toelichtingen in het licht te geven, ten einde de door zijn verslag opgewekte belangstelling te bevredigen, en onze letterkunde met een gewigtige historische bron te verrijken.

Dinsdag 5 september plaatste de Leeuwarder een bijdrage van meester De Haan Hettema. Als weerwoord op Colmjon, die het handschrift voor onecht houdt omdat dat de stijl veel te nieuwerwetsch zou zijn, stelt hij:

Het stuk is in de Friesche Taal geschreven; eene onderscheiding tusschen oud-Friesch en Land- of Boere Friesch ken ik niet. Ik kan alleen eene oudere en nieuwere spelling van die taal, want de uitspraak van het Friesch is nagenoeg nog dezelfde als voor eenige eeuwen (...)

Wat nu de spelling in dit stuk voorkomende betreft, deze is, in mijn oog, veel meer overeenkomstig de oudere en zeer regelmatig, en veel beter en regelmatiger, dan van hen, die thans de taal schrijven; zoodat het te wenschen ware, dat men in de hoofdzaak die spelling overnam, dan zoude er meer eenheid in die spelling komen en het oorspronkelijke van de taal, beter dan nu, bewaard blijven. (...)

Bovendien vinden wij reeds in onze photografiën eenige thans niet algemeen meer bekende woorden, die in het overige van dit geschrift wel zullen voorkomen en daardoor onze Friesche Woordenschat zouden kunnen aanvullen.

Ik beschouw het dus in de eerste plaats van belang om dit stuk in den Frieschen tekst door den druk bekend te maken; maar ook in de tweede plaats, — als men volgens het verslag den inhoud aanneemt, die zoo wel uit een Godsdienstig, als uit een Geschiedkundig oogpunt niet van belang ontbloot schijnt te zijn, — dat er dan ook eene Hollandsche vertaling bijgevoegd worde, om ook niet-Friezen met diens inhoud bekend te maken. (...)

Dat [de schrijver van het handschrift] meer dan een dagelijksch mensch was, een geleerde en zeer goed met het Friesch bekend, zal wel niemand betwijfelen.

Zondag 10 september is door Ottema in de Leeuwarder een heel stuk uit het handschrift geplaatst, de Fryas woorden in ons schrift overgezet, over paalwoningen in Zwitserse meren, zoals vermeld door Apollena, dienende als bewijs voor de echtheid. Resten van die woningen zijn namelijk pas een kleine 20 jaar geleden ontdekt. Niemand zal ernstig durven beweren dat het handschrift minder dan 20 jaar oud is, tenzij Cornelis een later afschrift ervan heeft ingezonden. Dinsdag 12 september weer een lang stuk in de Leeuwarder. Colmjon blijkt al begin juni te zijn begonnen met rondbazuinen dat het handschrift een modern maaksel zou zijn. In augustus heeft hij deze overtuiging per brief ook met Ottema gedeeld.

... ik moet mij van de onechtheid van het Boek van Adela overtuigd houden. (...) dat ik dit schrijven ... als nul en van geene waarde moet verklaren (...) sommige taalfouten, die een Fries nooit zou kunnen begaan.

Ottema’s paalwoningen zijn voor Colmjon bewijs,

dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist.

Donderdag 14 september, een naamloze, grimmige commentator hoopt dat met het stuk van Colmjon

een einde zal gemaakt zijn aan de liefhebberij, die sommigen schijnen te hebben om hun critische blindheid tegenover dit Handschrift aan de groote klok te hangen.

Hij spreekt over het werk van Ottema (en Hettema?) als quasi-geleerdheid, over de inhoud van het handschrift als zottenpraat, met als voorbeeld:

dat Neptunus een Vi-king of zeekoning geweest is, die door zijn onderdanen gewoonlijk Neef-Teunis genoemd werd!

1875

Vrijdag 10 december is overleden oom Alewijn Ott te Barsingerhorn, 83 jaar oud, laatst weduwnaar van Neeltje Erix, vader van mijn neven Jan (58), Cornelis (57) en Pieter (34) en van mijn nichten Maartje (52) en Pietertje (49).

1881

Vrijdag 19 augustus is om 13 uur te Oostwoud overleden mijn halfbroer Jan Ott (73 jaar, schilder), weduwnaar van Lijsbeth Bonnet, resp. Grietje Horst. Aangifte bij gemeente Midwoud door Fredrik Bobeldijk (timmerman 62 jr.) en Jan Dekker (koopman 34 jr.), beiden gebuur.

1883

1884

1887

1888

Vooral door het geregelde marktbezoek was “Ott” nogal bekend in den omtrek. Met smaak kon hij vertellen, dat hij toch niet verwacht had, dat men hem zelfs in Londen aan zou roepen. Dat zat zoo: doordat de kalveren en schapen hun weg vonden naar Londen, was grootvader met een lid van de Amsterdamsche firma meegegaan naar hun afnemers in Londen en toen ze door de miljoenenstad liepen, was ergens een raam opengeschoven en werd er “Ott” geroepen. Daar had hij vreemd van opgekeken; ’t was ook wel toevallig. Merkwaardig is in dit verband, dat hij eenmaal voor eigen rekening een lading vee naar Engeland verscheepte en ’s nachts, toen het stormde, doodsangsten uitstond vanwege het risico. Een bewijs, dat hij, ofschoon handelaar in hart en nieren, verstandig gedaan heeft zijn vleugels niet te wijd uit te slaan en maar liever tusschenpersoon te blijven. Een klein winstje, een zoet winstje. (uit Familie-dagboek Alewijn Roozendaal, bl.7-8)

1891

1892

1893

1894

1897

Photo t.g.v. 40-jarig huwelijksjubilaeum Alewijn Ott en Dirkje Peetoom.

1898

1902

Woensdag 16 april is te Twisk overleden Alewijn Ott, 70 jaar oud en bijna 45 jaar getrouwd geweest [BS Twisk inv. 31902 akte 6] details toevoegen.

Teekenend voor zijn levensopvatting waren zijn woorden op zijn laatste -ook vrijwel zijn eerste- ziekbed: “Ik ben 70, maar heb genoten voor 140, dus ’t is welletjes.” (uit Familie-dagboek Alewijn Roozendaal, bl.7-8)

Gaat verder met zoon Alewijn Ott (1871-1962).

Noten