Jump to content

1952-1959 Vleer: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
No edit summary
No edit summary
 
Line 305: Line 305:
----'''[voor blz. 16 t/m 23 (genealogische overzichten), [https://archive.org/details/1952-vleer zie PDF]]'''
----'''[voor blz. 16 t/m 23 (genealogische overzichten), [https://archive.org/details/1952-vleer zie PDF]]'''
----
----
  Vleer, W.T. – Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda. De boekverkoper Johannes Jans debet aan Oera Linda-boek? — [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010615411:mpeg21:a0241 ''LC'' 29-8-1952 bl.17].
  Vleer, W.T. – Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda. De boekverkoper Johannes Jans debet aan Oera Linda-boek? — [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010615411:mpeg21:a0241 ''LC'' 29-8-1952 bl.17]. [gebruikt als Bijlage IIIc van [[1990 Dossier Oera Linda|Dossier Oera Linda]] (1990) door [[Nico Luitse]]]


== Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda ==
== Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda ==

Latest revision as of 10:12, 16 September 2025

  • Vleer, W.Tsj. — Het Oera Linda Boek en het ontstaan van het geslacht Over de Linden — eigen beheer, De Kaag, 23 bl. 4° gestencild (get. 3-6-1952).
  • Vleer, W.T. – Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda. De boekverkoper Johannes Jans debet aan Oera Linda-boek? — LC 29-8-1952 bl.17.

Vleer, W.Tsj. — Het Oera Linda Boek en het ontstaan van het geslacht Over de Linden — eigen beheer, De Kaag, 23 bl. 4° gestencild (get. 3-6-1952).

Het Oera-Linda Boek en het ontstaan van het geslacht Over de Linden

[1952] door W.Tsj. Vleer

Voorwoord.

Omtrent het Oera Linda boek is veel geschreven en gediscussieerd. Het kan niet anders of ook de inhoud van deze gestencilde brochure zal aangevallen worden, daar vele lezers het Oera Linda boek verheerlijken als echt en anderen het niet de moeite waard vinden dat er nog over geschreven wordt, daar volgens hen reeds tientallen jaren geleden is uitgemaakt dat het een mystificatie van Cornelis Over de Linden was.

Persoonlijk kan ik niet geloven in de echtheid van het misschien reeds vele malen overgeschreven handschrift. Evenmin kan ik aannemen dat de eenvoudige scheepstimmerman in staat geweest is een dergelijk fantastisch werk uit de mouw te schudden.

Naast de critiek op vroegere beweringen ten aanzien van de beschuldiging tegen Cornelis Over de Linden, wordt hier een overzicht gegeven van de resultaten hetwelk een genealogisch onderzoek heeft opgeleverd met de daaruit voortvioeierde conclusies.

Niet competent zijnde om alle vraagstukken rondom het Oera Linda boek te behandelen heb ik er naar gestreefd om op de meest eenvoudige en minst kostbare wijze de belangstellenden in kennis te stellen van het bovengenoemde onderzoek.

Moge dit overzicht er toe bijdragen, dat ernstig getracht wordt om gemeenschappelijk een oplossing te vinden omtrent dit thans reeds 84 jaren bestaande vraagstuk, door het insbellen van een onpartijdig onderzoek naar het veelomstreden Oera Linda handschrift.

De Kaag, 3 Juni 1952. — W.Tsj. Vleer

Inleiding

[1] Zelden is over een boek zoveel geschreven als over het bekende of beruchte Oera Linda boek. Eelco Verwijs, Ottema, Beckering Vinchers, L.F. Over de Linden, Colmjon, Fruin, Burger, Wumkes, M. de Jong, J.J. Hof, Herman Wirth, Overwijn en Molenaar hebben de juistheid er van bestreden of verdedigd.

Het typerende hierbij is wel dat het niemand mocht gelukken op overtuigende wijze de auteur van dit merkwaarlige boek aan te wijzen. Ook is het vreemd dat er steeds een pennestrijd omtrent de auteur gevoerd is, zonder dat de inhoud zelf nader onderzocht werd. Een genealogisch onderzoek naar de familie Over de Linden, een grafologisch onderzoek naar het schrift, een chemisch onderzoek naar papier en inkt vonden officieel nooit plaats.

Men bestreed elkaar zorder dat nieuwe gezichtspunten zich voor deden en het is Molenaar geweest die pas twee jaar geleden feitenmateriaal publiceerde, dat bij vorige studies jammer genoeg achterwege bleef. Het is op grord van dit bijeengebrachte feitenmateriaal ook heel aannemelijk, dat het handschrift voor 1848 bestond, maar Molenaar's roep om een officieel wetenschappelijk onderzoek werd niet gehoord, daar de deskundigen het vraagstuk te onbelangrijk achten om hun tijd er nog aan te besteden, nadat Beckering Vinckers in 1877 het z.g. bewijs leverde dat Cornelis Over de Linden de schrijver was, op grond van de naar zijn oordeel talrijke bewijsstukken die hij in zijn geschriften naar voren bracht.

Daar mij als Fries en Nederlander dit Oera Linda vraagstuk interesseerde, zoals alles wat met de geschiedenis van onze gewesten verband houdt, heb ik getracht om door een geneelogisch onderzoek naar de herkomst van de familie Over de Linden enige opheldering te brengen. Hoewel dit onderzoek betere resultaten had kunnen opleveren, bracht het toch een antwoord op de belangrijkste vraag, n.l. de ouderdom en adellijke afstamming van het Enkhuizer geslacht Over de Linden. Het onderzoek bleef niet tot de Enkhuizer archivalia beperkt, doch strekte zich ook uit tot andere plaatsen in Noord-Holland, Friesland en Overijsel, om de geboorteplaats van de stamvader der familie te ontdekken, hetgeen mij nog niet gelukt is.

Dit onderzoek bracht vele tot nu toe onbekende feiten aan het licht en deed een persoon uit het duistere verleden naar voren komen, met wie bij het zoeken naar de oplossing van het vraagstuk terdege rekening zal moeten worden gehouden. Wel kan alreeds verklaard worden dat het zeer onwaarschijnlijk is, dat Cornelis Over de Linden de auteur van het Oera Linda boek is geweest.

Misschien vraagt men zich af: is het boek een dergelijke studie wel waard? Ik geloof van wel. Mag het merkwaardige boek historisch van weinig waarde zijn en ook literair geen kwaliteiten bezitten, toch is het desondanks interessant genoeg, om te streven naar de oplossing van het vraagstuk omtrent ontstaan en herkomst van dit werk. Het zal moeilijker zijn de herkomst van het handschrift Oera linda te ontdekken, dan het ontstaan van de familie Over de Linden te vinden, Dat het echter meer dan 80 jaren moest duren eer dit laatste door een uiterst eenvoudig onderzoek kon plaats hebben, zal het ongetwijfeld een stimulans zijn te trachten ook ontrent het handschrift zelf een definitieve oplossing te vinden.

De auteur van het Oera-Linda-boek

[2] Uit talrijke bronnen heeft men kunnen vernemen wat het Oera Linda boek is. Ook de tekst werd reeds gepubliceerd. Het zou daarom te ver voeren nogmaals te omschrijven wat het Oera Linda boek precies is. Het boek kan door belangstellenden worden ingezien in de Prov. Bibliotheek te Leeuwerden en verder kan men kennis nemen van de talrijke boekwerken, brochures en artikelen die achter in deze brochure genoemd worden.

De inhoud van het handschrift moet grotendeels in oude of minder oude tijden gefantaseerd zijn. Velen houden het voor één grote l9e eeuwse fantasie, hetzeen ik niet gaarne zou durven onderschrijven.

Een belangrijke vraag is m.i.: welke richting vertegenwoordigt het boek. De man, die het grootste aandeel er aan geleverd heeft, moet het geschreven hebben van uit zijn denkwijze, zijn kennis en zijn geestesrichting.

Dit punt is in de gehele Oera Linda strijd wel eens te veel over het hoofd gezien. Niemand kan toch in staat geweest zijn om dit boek te schrijven zonder de richting, de wereldbeschouwing, die er in tot uitdrukking komt, te vertegenwoordigen?

Wanneer het Oera Linda: boek geen geschiedenisboek is, blijft de vraag: kennen wij de wereldbeschouwing die het in zich draagt? Kennen wij de persoon die deze vertegenwoordigde?

De man die het geschreven heeft is een aanhanger van een groot-Friese gedachte geweest. Hij moet zich voor 100% Fries gevoeld hebben. Komen wij tot deze conclusie dan rijst direct de vraag: hoe kon de genoemde auteur Gornelis Over de Linden zich Fries voelen, terwijl hij de taal niet kende en geen relaties met Friesland had en niet van Friese afkomst was.

Hoogstens kan men zeggen Cornelis Over de Linden was een West-Fries. Er was in de dagen van Cornelis ook een West-Fries streven, evengoed als het er nu ook nog is, maar over dit West-Fries-zijn schrijft Cornelis Over de Linden niet. Niet in zijn geschriften en ook niet in het hem toegedachte Oera Linda boek.

Er was in de familie Over de Linden een overlevering van oen Friese afstamming, dus niet van een West-Friese afkomst. Genealogsisch is deze overlevering niet te verklaren. Deze overlevering, die vergezeld ging van een z.g. adellijke afstamming moet aan het Oera Linda boek ontleend geweest zijn!

Cornelis Over de Linden had onder zijn over-grootouders hoogstens één voormoeder van Friese afkomst. De kinderen van deze voormoeder droegen echter Hollandse namen, zodat het aannemelijk is dat het Friese bloed bij haar niet bijzonder sterk gesproken heeft.

De kwartierstaat van Cornelis Over de Linden ziet er als volgt uit [zie aanvullingen JO]:

Cornelis Over de Linden
Jan Over de Linden Antje Goedmaat
Andries Over de Linden
Enkhuizen
IJfje Schols Cornelis Goedmaat
Vlaardingen
Elena Roemers
Jan Andriesz
Enkhuizen
Janke Johs. v.d. Woud Pieter Schols
Enkhuizen
Trijntje Dirks ? ? ? ?

[3] Waar blijven nu de beschuldigingen van Frisomanie, geslachtsverering etc., die maar al te graag tegenover de scheepstimmerman Cornelis Over de Linden gebruikt werden? Cornelis kon zich op grond van zijn werkelijke afkomst geen Fries voelen, evenmin als een andere Over de Linden: de Friese afkomst moet bij de Over de Linden's ontleend zijn aan het Oera-Linda boek.

Ik wil hier niet breedvoerig ingaan op de vraag omtrent het auteurschap, maar slechts de aandacht vestigen op een feit van betekenis waarover nog niet geschreven is. Cornelis Over de Linden had niet de Friese inslag die nodig was om het werk te scheppen. Hij miste de kennis om een dergelijk werk te schrijven en was te eerlijk en te oprecht om met een dergelijk handschrift iemand of de gehele wereld te bedriegen, tenzij de man een afwijking had en het ene ogenblik normaal was om het volgende moment in de stoutste fantasieën te vervallen. Maar ook dan nog is het ondenkbaar dat een eenvoudige geest zou kunnen bouwen aan een product in een taal, die hij niet eens meester was.

Ook Eelco Verwijs, Haverschmidt, Staderman, zelfs Dr. Ottema zij als auteur genoemd. Doch ook hier geldt het zelfde als voor Cornelis Over de Linden, n.l.: waren deze personen innerlijk in staat om schepper te zijn van het geheimzinnige boek? Misschien Dr. Ottema wel, maar het is op andere gronden onmogelijk, dat hij voor het auteurschap in aanmerking komt.

Wie heeft het boek dan geschreven en wanneer? Mogelijk was op deze vraag reeds lang een antwoord gegeven, indien de verschillende onderzoekers gemakkelijker het jaartal 1854 waren gepasseerd. Dit jaar is het struikelblok geweest bij het onderzoek naar het auteurschap. Zoals reeds vele malen in de Oera Linda literatuur werd beschreven, werden de paalwoningen in de Zwitserse meren, die in het handschrift beschreven worden, pas in 1853 bij lage waterstand ontdekt. Voor 1855 wist niemand van deze woningen af en daarom heeft men het onmogelijk geacht dat het Oera Linda boek voor 1854 geschreven werd.

Is het echter zo vreemd, dat vóór 1853 reeds over deze paalwoningen geschreven werd? Er zijn wel meer overleveringen geweest, die aanvankelijk voor fabels werden gehouden, waar later na een archeologisch onderzoek bleek, dat deze op waarheid berustten. Men denke hierbij aan de critiek die er de laatste jaren gekomen is op de critiek van Bolhuis van Zeeburgh naar aanleiding van de oudste Friese geschiedschrijving.

Toonde ik hierboven aan dat het zeer onwaarschijnlijk geacht moet worden dat een man als Cornelis Over de Linden de schrijver kan zijn en ook dat de overlevering in de familie Over de Linden als zou zij van Friese en adellijke afstamming zijn (reeds verteld in 1851 door de vader van Cornelis Cver de Linden), nergens anders aan ontleend kan zijn dan aan het Oera Linda boek, volledigheidshalve kan daar nog aan toegevoegd worden een critiek op de z.g. bewijsstulken van Beckering Vinckers.

Beckering Vinckers

[4] Wanneer vandaag Beckering Vinckers zijn critiek over het Oera Linda boek zou schrijven, zou een storm van verontwaardiging in de pers opsteken. Beckering Vinckers geeft n.l. in zijn geschriften De onechtheid van het Oera Linda boek en Wie heeft het Oera Linda boek geschreven blijk helemaal niet een onpartijtig objectief onderzoeker te zijn geweest, maar een persoon, die het vooropgezette doel had om dit Oera Linda boek met alle mogelijke middelen vernietigend te kraken om daarmede voor altijd een einie te maken aan de droom dat Friesland zou kunnen bogen op de alleroudste geschiedenis.

Wellicht heeft men dit feit te veel over het hoofd gezien en daarom wil ik er hier de aandacht op vestigen. Er zijn lichtvaardige beschuldigingen van Frisiomanie, geslachtsverering etc. gebruikt, niet alleen door Beckering Vinckers, maar ook door andere schrijvers. Doch Beckering Vinckers tekent zich zelf ten voeten uit op blz. 14 van “De onechtheid van het Oera Linda boek", Hij getuigt hier van een diepe minachting die hij heeft voor alles wat Fries is. Hij schrijft n.l.:

Indien de taal van het O.L.B. werkelijk de taal is waarvan Friezen en Friezinnen zich van 558-50 j.v.Chr. bedienden, dan zijn we genoodzaakt aan te nemen dat die arme zielen, als ook hunnen nazaten nog eeuwen later, ten prooi zijn geweest aan een soort van taalkundige krankzinnigheid, ten gevolge waarvan zij niet alleen het oudste en het nieuwste, maar ook - en dat is erger - al de in de verschillende verwante talen vaststaande buigings, met name naamvalsvormen, zoo schromelijk door elkaar haspelen, dat de door hen geschreven text van het O.L.B. er in dit opzigt honderd maal schandelijker uitziet dan het opstel in een vreemde taal van een jongmens, die zich taalkundig volkomen onbeslagen op het gladde ijs van een eindexamen heeft gewaagd.

Ik heb hier expres de aandacht gevestigd op de taalkundige krankzinnigheid waaraan de nazaten van die arme zielen van 558-50 j.v.Chr. ten prooi zijn. Dergelijke uitlatingen als van de heer Beckering Vinckers zijn we maar zelden tegengekomen. Het getuigt van de geestesgesteldheid van Beckering Vinckers. Mijn vraag is deze: Hoe wil men geloof schenken aan datgene wat een persoon met dergelijke anti-Friese gevoelens betoogt of bewijst? Het verliest elke wetenschappelijke waarde.

Onbevoegd om te oordelen over de meeste punten die de heer Beckering Vinckers ter sprake brengt, wil ik slechts over datgene een oordeel vellen, waarvan mij duidelijk het tegendeel gebleken is.

Op blz. 18 van Wie heeft het Oera Linda boek geschreven schrijft B.V.

Geslachtsregisters zijn op het raadhuis niet aanwezig en ook in de Enkhuizer kroniek worden hun namen niet genoemd. Verder dan de vader van Andries kan men moeilijk opklimmen. Zelfs van zijn geboorte of sterfte is niets te vinden. Hij was diender van beroep. Dat de Enkhuizer Over de Linden's van Friese afkomst zijn is buiten kijf. Waarschijnlijk hebben ze hier eeuwen gewoond, aldus de heer Knuivers te Enkhuizen.

Beekering Vinckers neemt dit maar klakkeloos over en trekt er zijn conclusies uit…

Het overlijden van Jan Andries, de vader van Andries treffen we wel aan, n.l. op 10 Jan. 1794, 5 uur n.m., wonende aan de Sybrantsdijk, oud 78 j., overleden aan de sinkingskoorts. De moeder van Andries, Janke Joh. van der Woud, overleed op 5 Sept. 1791 als Jantje v.d. Woud, 68 j., wonende op de Sybrantsdijk, aan de koorts.

[5] Van de meer genoemde Friese afkomst is geen bewijs te vinden, overigens is dit al weer in strijd met de direct daarop volgende bewering: waarschijnlijk hebben ze hier eeuwen gewoond.

Op blz. 32 van nes zelfde werk schrijft B.V. dat Cornelis Over de Linden Oud-Fries ging leren om het boek te kunnen schrijven. Waarom heeft Cornelis dit niet juist kunnen leren om het boek te ontcijferen? Waarom die twijfel aan Cornelis’ eigen woorden? Volgens B.V. maakte Cornelis in het OLB dezelfde taalfouten als in het Nederlands en dit is volgens B.V. weer een bewijsstuk! Maar hoe kan iemand die zijn eigen taal niet goed kan schrijven een andere taal zo beheersen als in het Oera Linda boek geschreven staat en hoe kan men dan in een dersgelijke taal die zo verschilt van het Nederlands dezelfde fouten maken? Dit lijkt mij onwaarschijnlijk...

Op blz. 42 schrijft B.V. “Dat Cornelis Over de Linden al de boeken (bedoeld worden de boeken in Cornelis’ bibliotheek) gekocht had om daaruit het OLB te kunden samenstellen”. Maar hoe kon een ongeletterd iemand als Cornelis deze boeken uit zijn hoofd geleerd hebben om dan een dusdanige geschiedenis in zijn onderdelen te fantaseren en te beschrijven? Deze boeken zijn ongetwijteld gekocht om het Oera Linda boek te kunnen ontcijferen.

Op dezelfde bladzijde schrijft B.V.:

Toen Cornelis Over de Linden zag dat zijn vlieger [met het boek] zo goed opging, moest hij natuurlijk ook een familiewapen hebben [en op blz. 43:] Men moet erkennen dat Cornelis Over de Linden in zijn poging om door middel van een familiewapen zijn oeroude Friesche adeldom te bewijzen niet erg gelukkig is geweest.

Beckering Vinckers beschrijft hier hoe Cornelis het wapen ontwierp en zelf vervaardigde uit oude muntstukjes. Beckering Vinckers ziet in deze wapenaffaire een ernstig bewijs tegen Cornelis Over de Linden…

Beckering Vinckers is hier van de veronderstelling uitgegaan dat een familiewapen enkel bij adellijke familiën voorkomt! Hij heeft verder niet aan de mogelijkheid gedacht dat het wapen reeds een eeuw eerder gemaakt kon zijn, want hij schrijft: “Bij navraag bleek dat geen der Helderse zilversmeden het wapen had gemaakt”. Hoe Beckering Vinckers er toe komt te beweren dat Cornelis zelf het wapen van oude muntstukjes maakte is een raadsel. De persoon die zelf een wapen kon maken uit muntstukjes moet wel een duivelskunstenaar geweest zijn!

Op blz. 45 heeft B.V. het over de geschriften die Cornelis Over de Linden zelf destijds schreef en waar hij zijn godsdienstige opvattingen in naar voren bracht en schrijft:

Deze geschriften komen uit het zelfde chaotische, fantastische brein dat aan ’t OLB het aanzien heeft geschonken.

Dat de inhoud van deze geschriften de zelfde was als van het Oera Linda boek klopt niet. In zijn geschriften heeft Cornelis het over de Bouwmeester en zijn orde. Slechts zeer weinig is er in overeenstemming met de gedachtengang omtrent de godsdienst in het Oera Linda boek. Overigens, waren de godsdienstige ideeën van Cornelis zo chaotisch en fantastisch? Er worden in de tegenwoordige tijd wel krankzinniger geloofsovertuigingen verkondigd... Op blz. 57 vindt B.V.

Het vreemd dat de kinderen niets van het OLB af wisten. Zijn tweede vrouw wist er alles van [volgens de zegsman Berk]. Doch hij borg het op zo gauw de kinderen kwamen!”

Hoe bestaat dit? Hoe kon Cornelis zo gemakkelijk dit monnikenwerk afbreken als de kinderen kwamen. Dat is onmogelijk! Even later beschuldigt hij de kinderen van Cornelis Over de Linden, dat zij onwaarheid spreken door te zeggen, dat zij hun vader nooit het Oera Linda boek hebben zien schrijven. B.V. spreekt zich zelf hier tegen.

[6] Op blz. 63 heeft B.V. Het over de plicht van de zonen van Cornelis om aan de heer Berk de uittreksels van de geschriften van hun vader te tonen. Daar zij dit weigerden maakt B.V. hen verdacht en acht dit weer een bewijsstuk te meer!

De zonen waren natuurlijk bang dat deze geschriften gebruikt zouden worden om hun eigen vader te bekladden, immers hun vaders werk was vol taalfouten en niet uitgegeven. Met welk recht schrijft B.V. hier over het weigeren der zonen...

Op blz. 64 komt de aap uit de mouw. Beckering Vinckers schrijft:

Het was hem (Cornelis) niet om eigenlijk voordeel te doen. Geldelijk winstbejag was zijn doel niet. Het was een buitengewoon man en wij mogen hem niet met de gewone maat meten. Cornelis was een opvliegende geest, een man van levendige verbeelding, vol scheppend vernuft, onophoudelijk gekweld door een nimmer verzadigde behoefte om iets tot stand te brengen. Zeer eergierig. Hij voelde zich boven het gewone mensdom verheven, hij achtte zich uit edeler ras ontsproten. Er bestond onder de Over de Lindens werkelijk een overlevering dat zij van overoud Fries ras afstamden (geschiedenis Jan Over de Linden op de Nehallenia). Van deze zijn vader en misschien grootvader had Cornelis zijn denkbeelden betr. de overoude afstamming geërfd. Hij wilde zijn edele afkomst waardig tonen.

Beckering Vinckers spreekt hier van een overlevering, die niet anders dan aan … het Oera Linda boek ontleend kan zijn, daar de grondslag voor een dergelijke overlevering overigens ontbreekt... Op blz. 66 vervolgt B.V.:

Cornelis zocht 't in oorkonden om daar iets over zijn voorgeslacht te vinden. Toen fantaseerde hij zelf oorkonden uit de tijd van voor Christus, hij miste het zedelijk gevoel dat een dergelijk bestaand werk nooit tot de eer van zijn geslacht kon strekken.

Hier fantaseert Beckering Vinckers weer. Er is geen bewijs te vinden dat Cornelis Over de Linden pogingen in het werk gesteld heeft zijn eigen afstamming te onderzoeken. Hij zou echter, gezien zijn geestesrichting, nooit een dergelijk werk produceren, doch wanneer hij werkelijk zo trots op zijn afstamming en Friesland was, alles in het werk hebben gesteld zijn afstamming te onderzoeken of te doen onderzoeken. Dat dit niet gebeurde, vloeit m.i. voort uit het feit dat Cornelis dit overbodig achtte, daar hij van mening was dat alles hieromtrent vermeld stond in het geheimzinnige handschrift.

Tenslotte komt B.V. op page 68 tot een zeer merkwaardige conclusie: Hij stelt zich Cornelis volgens diens portret voor als een edeldenkend man en gaat verder: “Wat bewoog Cornelis? Geen geld en niet om de geleerde wereld een poets te bakken”. Hoe is het mogelijk dat B.V. aan het slot van zijn betoog tot de conclusie komt dat de leugenaar Cornelis een edeldenkend mens was...

Terecht schrijft de zoon van Cornelis Over de Linden als antwoord op de geschriften van B.V.: “Beweerd maar niet bewezen”.

Jammer genoeg werd in brede kring het betoog van Beckering Vinckers wel aanvaard en geloof gehecht aan het auteurschap van Cornelis Over de Linden...

Diverse voor en tegenstanders

[7] Dr. J.G. Ottema heeft het gehele Oera Linda boek vertaald en aan het Fries Genootschap gerapporteerd wat zijn mening was. Het gehele rapport wordt vermeld in de brochure van E. Molenaar Het Geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden. Dr. Ottema bracht feiten naar voren omtrent de historische juistheid van het handschrift, die waard zijn om nader bestudeerd te worden in het licht van de hedendaagse geschiedschriijjving. Dat op de verdediging van Ottema veel is aan te merken staat ook vast, want geologisch en archeologisch is er niet veel in overeenstemning met hetgeen er in het Oera Linda boek beschreven staat.

Eelco Verwijs mag nuchterder geweest zijn in zijn beschouwing over het handschrift, maar een definitief oordeel heeft hij niet kunnen vellen.

Johan Winkler beschouwde he handschrift als een grap en beschuldigde in zijn testament personen van het auteurschap, die volgens de meeste schrijvers boven elke verdenking staan.

Robert Fruin wees ook Cornelis Over de Linden als schrijver aan en noemde de redenen van het schrijven: familietrots.

Prof. J.E. Muller schreef, dat hij diepe minachting voor het boek heeft.

C.P. Burger Jr vond “de onzin ook werkelijk te erg”.

Dr. M. de Jong Hzn. schreef Het geheim van het Oera Linda boek en wilde aantonen dat Eelco Verwijs de auteur was. Reeds Wirth bestreed dit, maar door de documentatie in de brochure van Molenaar wordt nog eens ten overvloede aangetoond dat Eelco Verwijs niet de auteur kon zijn.

Mr. P.C.J.A. Boeles schreef in “de Vrije Fries” jrg. 1928 (De auteur van het Oera Linda boek)

dat het onomstotelijk vast staat en door deskundigen is aangetoond dat het O.L.B. een product is uit de tweede helft van de vorige eeuw.

(Deze deskundigheid was van Beckering Vinckers afkomstig...)

Maar ook Boeles komt tot de conclusie dat “frisomanie, geslachtswaan, stamtrots en godsdienstwaan” Cornelis dreven tot het schrijven van deze kroniek.

Herman Wirth daarentegen heeft Cornelis Over de Linden tegenover zijn belagers verdedigd. Hij kwam tot de conclusie dat het boek geschreven was door een onvoldoende ontwikkeld persoon uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Het handschrift was volgens hem een bewerking van een 16e eeuws handschrift, waaraan weer een dertiende eeuws en een Karolingisch handschrift is vooraf gegaan.

Prof. Weiss, een bekend Sanskritist, verklaarde het Oera Linda boek als oorspronkelijk wel echt, daar de taal volgens hem volledig past in de tijd en de omgeving dat deze gesproken werd.

Weinig Mid-Friezen hebben verder over het Oera Linda boek geschreven, Dr. Wumkes, Colmjon en J.J. Hof maken hierop een uitzondering.

Nadat enige jaren niets meer omtrent het Oera Linda boek vernomen werd, verscheen in 1941 clandestien het werk van Ir. Overwijn, waarvan nu een tweede druk gevolgd is van een 500 pag. omvang. Deze schrijver toont op grond van de oude Atlantis-literatuur aan, dat het boek historisch juist is en noemt voorbeelden, waaruit zou blijken dat het handschrift aanvankelijk in het Keltisch was geschreven, doch dat het door vertaling en overschrijving de huidige inhoudsvorm verkreeg.

[8] Het Oera Linda boek wordt hier van een zijde belicht als nimmer te voren, waar velen het niet mee eens zullen zijn, daar de z.g. bewijsvoering aan ernstige critiek onderhevig is. Niettemin is het dit werk, dat thans het Oera Linda vuur weer hoog doet oplaaien en misschien tot resultaat heeft, dat eindelijk eens een werkelijk wetenschappelijk onderzoek plaats vindt.

Tenslotte dient nog de reeds meer genoemde brochure van de heer E. Molenaar genoemd te worden, waarin uitsluitend feitenmateriaal naar voren wordt gebracht.

Het zou te ver voeren om alle artikelen die over het handschrift geschreven zijn op te noemen. De Oera-Linda literatuur heeft niettemin nu reeds een omvang van enkele duizenden pagina's, die moeilijk door te worstelen zijn. Opmerkelijk is dat voor de echtheid nog even veel bewijzen worden aangevoerd als voor een mystificatie.

Doch nos opmerkerlijker is het dat een onpartijdig ondelzoek uitbleef...

Het Oera Linda Boek vóór 1868

Wat er na 1868 met het Oera Linda boek gebeurd is, weten we uit de vele lectuur. Doch omtrent hetgeen vóór 1868 met het boek plaats vond tast men in het duister.

Volgens de verklaringen der Weduwe Keetje Kofman in 1876, dochter van Hendrik Reuvers en Aafje Over de Linden (tante van Cornelis) moet het handschrift bewaard zijn in een hoek van het oude stamhuis.

Waarom zou deze Weduwe, nicht van Cornelis Over de Linden een leugen vertellen? De reden voor een leugen is hier moeilijk te vinden.

De heer Munnik, gehuwd met een voordochter van Cornelis’ eerste vrouw, verklaarde in 1845 een tocht naar Enkhuizen te hebben gemaakt met de boekbinder Staderman en Cornelis Over de Linden, waar deze laatste een onderhoud had met zijn moeder Antje Goedmaat. Na beëindiging van dit onderhoud zei Cornelis tot Munnik en Staderman:

“Het is toch een bedonderd werk; die oude heeft een oud boek van ons en wil het niet loslaten. Daaruit blijkt dat onze familie oud is. Doch het is Oud-Fries.”

Verder sprak Cornelis nog over een heerlijkheid, lindestreken enz.

Waarom zou ook de heer Munnik een leugen verzinnen? Slechts is hier van een vergissing sprake, want Cornelis heeft toen niet zijn moeder, maar zijn tante gevraagd om het boek. Zijn moeder was toen huishoutster bij een oude visser, die zij ook nog bezochten.

De heer D.Brouwer, Gemeente-Archivaris van Enkhuisen, een man van wien niemand kan veronderstellen dat hij onwaarheid zou schrijven, schreef op 26 Oct, 1939 aan de heer Molenaar, schrijver van Het geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden, dat een lid van de familie Over de Linden hem verzekerd had dat het manuscript zich voor 1850 in de woning aan de Vijzelstraat bevond. Ook H. Kofman, kleinzoon van tante Aafje, verzekerde de heer Brouwer dat de geschriften in de Vijzelstraat waren bewaard.

Deze verklaringen mogen niet uit het oog worden verloren en kunnen niet zonder meer ter zijde worden gelegd.

[9] Tenslotte is er nog de gelegaliseerde verklaring uit Den Helder van l maart 1876, waarin L. van Berk, opzichter bij de magazijnen van ‘s Rijks werf te Willemsoord; B. Uurbanus, hoofdonderwijzer gemeente school nr. 6; A.J. Leger, onderwijzer in de wis- en zeevaartkunde; F. [m.z. T.] Mooy, hoofdonderwijzer aan de Bijzondere school, bevestigen dat het hun bekend was dat het handschrift in de jaren 1848-1850 reeds in het bezit was van Cornelis Over de Linden.

Cornelis Over de Linden werd zelfs 1000 £ voor het handschrift geboden. Hij heeft het niet willen afstaan, omdat het een “oude familie kroniek” was.

De heer Molenaar brengt in zijn brochure deze feiten met nog - zij het niet zo betrouwbare - andere feiten naar voren en iedere objectieve onderzoeker zal hier de consequenties uit trekken.

Het wekt alleszins de indruk dat er geen twijfel bestaat of het handschrift was in de eerste helft van de 19e eeuw aanwezig in het huis aan de Vijzelstraat te Enkhuizen. Dit komt ook overeen met een onderzoek dat Herman Wirth destijds naar het boek instelde, die toen tot de conclusie kwan dat het handschrift uit de eerste helft van de 19e eeuw was.

Afgaande op bovengenoemde verklaringen moeten wij aannemen dat het handschrift aanwezig was bij tante Aafje, die na de dood van haar vader in het ouderlijk huis aan de Vijzelstraat bleef wonen. Haar vader, Andries Over de Linden, was op 25 April 1820 te Enkhuizen gestorven. Hij zou de geschriften aan zijn dochter Aafje hebben nagelaten om ze later aan kleinzoon Cornelis te geven, daar hij ze zijn zoon Jan Over de Linden, de vader van Cornelis, niet toevertrouwde.

Jan Over de Linden wist echter ook van de oud Friese afstamming en het “oudste geslacht ter wereld”, blijkens hetgeen hij in 1851 aan boord van de Nehallenia tegenover de heer C. Wijs verklaarde.

Via Aafje komen we dus bij grootvader Andries terecht. Deze was een eenvoudig man, scheepstimmermans baas. Hij was gehuwd met IJfje Schols, uit welk huwelijk vijf kinderen werden geboren.

Dat grootvader Andries het handschrift niet naliet aan zijn oudste zoon Pieter is duidelijk, daar die op 5 Jan. 1819 overleed, een dochtertje nalatende van 5 jaar. Pieter was boerenarbeider en schijnt evenals zijn dochter niet bijzonder ontwikkeld geweest te zijn.

Zijn tweede zoon, Jan, zoals reeds gemeld, was een avonturier en zou het handschrift hebben moeten erven, maar Andries vermaakte het liever aan diens zoon. De beide dochters wilde hij het handschrift om begrijpelijke redenen niet nalaten.

Het is dus een normale gang van zaken dat Cornelis Over de Linden het handschrift erfde van grootveder Andries. Het is ook alleszins aannemelijk dat dit op deze wijze geschied is en grootvader Andries tijdens zijn leven nog het handschrift heeft bezeten.

Wat grootvader Andries omtrent het handschrift geweten heeft zal wel nooit neer te achterhalen zijn. Wel heeft grootvader Andries geweten hoe hij een Over de Linden werd en daarom zal hij waarschijnlijk de geschiedenis van het befaamde Oera Linda boek alsmede de verdere verwikkelingen die zich daarmede voordeden of en aan vooraf gegaan waren de hoogste zijn geweest.

Genealogisch onderzoek

[10] Genealogisch was er omtrent de familie Over de Linden niets anders bekend dan hetgeen op overleveringen berustte. Zelfs het overlijden van de vader en moeder van grootvader Andries was volgens de schrijvers niet te vinden. Ook van een broer van Andries wordt nergens gesproken.

Het is mij een raadsel dat de vele schrijvers van naam nooit aandacht aan de herkomst van de familie besteed hebben. Of was deze zo moeilijk te achterhalen dat men werkelijk niets kon vinden? Ook dit is ondenkbaar, daar men toch heus geen genealogische helderziende behoeft te zijn om de broers en zusters ven Andries te vinden. Er blijft niets anders over dan te geloven dat er in het geheel niet is gezocht of dat men zich blind gestaard heeft op de geslachtsnaam Over de Linden.

Veel is er echter in de archivalia van Enkhuizen niet te vinden, doch juist genoeg om volledig opheldering te verkrijgen omtrent het belangrijkste feit, n.l. omtrent het ontstaan van de familienaam Over de Linden.

Het onderzoek wees uit dat de stamvader van de familie Over de Linden voor 1778 nog geen geslachtsnaam voerde en de stammoeder geen Over de Linden was, maar zich Van der Woud noemde.

Van een Friese herkomst werd niets gevonden, al is het zeer waarschijnlijk dat de Van der Woud’s wel uit Friesland kwamen. Ik heb deze familie daar echter niet mogen vinden in de 18e eeuw. Omtrent de vaak verkondigde stelling dat de naam zou duiden op de rivier de Linde, en waardoor men in het familiewapen vroeger een brug meende te moeten zien - die geen brug maar een bron is - ontbreekt iedere grondslag. Alle beschikbare archivalia van West-Stellingwerf, Kuinre, Blankenham, Blokzijl, Oldemarkt, Steenwijkerwold en Ossenzijl werden nagegaan om een spoor van de Over de Linden’s of de afstamming van de ouders van de stamvader en stammoeder te vinden. Zonder resultaat. De naam kan geen verband houden met de rivier de Linde. Er is niets dat daar op wijst (zie: de toelichting op de stamboom, l en 2).

Het bleek mij dat de geslachtsnaam Over de Linden het eerst voorkomt op 15 Sept. 1776 wanneer Johannes Over de Linden, broer van grootvater Andries, in het huwelijk treedt met Willemina ter Beest, dr. van Gerrit ter Beest, sjouwer bij de admiraliteit en Judina Geertruida Curtenius. In navolging zien we later ook de vader van Jan Andries en broer Andries de naam voeren, zij het dan aanvankelijk als Over Linde, hetgeen nog meer overeenkomt met het Ovira Linda uit het Oera Linda boek.

Het is heel annnemelijk dat de vader van Jan Andries zich tussen 1716 en 1728 in Enkhuizen gevestigd heeft, daar we de familie niet aan treffen in de attestatieboeken van Enkhuizen, die in 1728 beginnen. Jan Andries, die volgens zijn overlijdensacte in 1717 geboren moet zijn, werd niet te Enkhuizen gedoopt. Zijn broer en ook zijn kinderen hadden geen Friese, maar Hollandse voornamen, ondanks dat twee broers van Janke van der Woud zuivere Friese namen hadden. Deze broers zijn, even als de zuster van Janke nooit vernoemd geworden.

De van der Woud’s waren schipper en visser van beroep. Ook Jan Andries en Janke Johannes waren eenvoudige mensen, Dat Jan Andries diender van beroep was, blijkt uit geen enkel stuk.

[11] Aan een adelijke afstamming kan niet worden gedacht, evenmin als in hun eerste huwelijksjaren Jan Andries en Janke Johannes aan de naam Over de Linden dachten. Voor 1776 bestond er geen geslacht Over de Linden.

Nadat Johannes, Andries en vader Jan Andries zich Over de Linde noemen, nemen ook de andere leden van de familie de naam aan. Dat de familie niet door iedereen Over de Linden genoemd werd, blijkt weer uit inschrijvingen in de doop- trouw- en begraafboeken, waar zeer dikwijls de naam Over de Linden vergeten wordt, terwijl in die dagen te Enkhuizen de meeste families reeds een geslachtsnaam voerden. De naam is blijkbaar slechts langzaam ingeburgerd.

De grootste verrassing was echter wel dat Johannes, de oudste zoon, boekverkoper van beroep bleek te zijn, want hierdoor komt de naamsaanneming in een bijzonder licht te staan.

Aanvankelijk dacht ik dat de naam aanduidde dat men tegenover een familie van der Linden had gewoond, doch dit bleek onmogelijk te zijn. De naam is, gezien tussen de andere Nederlandse namen, zeer vreemd. Over de Berken, Over de Eiken, Over de Wilgen komt men niet tegen. Onder de Linden houdt geen verband met Over de Linden, want Onder de Linden is een herbergnaam. Over de Linden kan alleen in verband gebracht worden met Overrijn, Overmaas, Overijsel, Overwaal etc. Daar de familie, voor zover bekend, niet van over de Linde kwam, is het ook niet aannemelijk dat de naam hiervan is afgeleid. De naam is op het eerste gezicht onverklaarbaar.

Het volledige resultaat van het genealogisch onderzoek heb ik samengevat in een stamboom Over de Linden vanaf Jan Andries tot Cornelis Over de Linden, welke men vergezeld van afschriften van notariële acten en toelichtingen verderop in dit geschrift aantreft.

Familiewapen Over de Linden

Terloops werd hier het wapen Over de Linden genoemd als 18e eeuws. Het familiewapen dat in het bezit is van de oud-inspecteur van politie, C. Over de Linden te Amsterdam, moet volgens oordeel van de heraldicus Dr. Kits Nieuwenkamp een in zilver gedreven wapen zijn van 18e eeuwse makelij.

Dit wapen ziet men afgebeeld in de brochure Het geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden. De wapenspreuk luidt: Wak. Naar ik vernam zou dit familiewapen beschreven worden in een heraldisch werk. Dit bleek juist te zijn en wel in deel V van “Nederlandse Familiewapens” door Dr. H.W.J.M. Kits Nieuwenkamp. Door de welwillendheid van de uitgever Strengholt te Amsterdam, waar het manuscript zich bevond, was ik mede dank zij de toestemming van de schrijver, in de gelegenheid reeds kennis te nemen van hetgeen in “Nedl. Familiewapens” over het wapen Over de Linden gezegd zal worden. Ik neem hier woordelijk over:

Ovira Linda... waâk...

Werd de studie inzake het wapen Over de Linden in den eersten en tweeden druk van Europeesche Totemdieren besloten met de vraag wie kan helpen aan de afbeelding van het wapen Over de Linden, vervaardigd uit oude muntstukjes, zoo ben ik thans door de welwillende [12] medewerking van de heer C. Over de Linden, oud-hoofdinspecteur van politie te Amsterdam (1944) in de gelegenheid nadere mededelingen daaromtrent te doen. Temeer is dat van belang, aangezien een en ander de zienswijze staaft in verband met den ouderdom van het wapen Over de Linden en de rehabilitatie van den ouden oppertimmerman bij de marine Cornelis Over de Linden.

Wat blijkt nu? Dat Cornelis noch voor, noch na 1867 “uit oude muntstukjes” zijn familiewapen heeft vervaardigd!

Ten bewijze hiervan bezien wij nevengaande afbeelding nader. Het betreft hier de fotografische reproductie van het omstreden wapen, hetwelk zgn. vervaardigd zou zijn “uit oude muntstukjes”. In de eerste plaats blijkt van dit laatste niet. Wij hebben hier te doen met een in zilver geslagen (gedreven) familiewapen van onmiskenbare 18e eeuwse makelij. De stijl, schildvorm en het model van den helm wijzen daar zonder twijfel op. enz. enz.

De schrijver geeft dan nog de betekenis van het wapen weer met een toelichting betr. de bronnendienst en meent dat de bron in het wapen duidt op het beginpunt van de rivier de Linde, tevens de bakermat van dit oud-Friese geslacht...

Aan de juiste feitenvermelding omtrent dit wapen kan men moeilijk twijfelen. De lezing over de betekenis enz. durf ik niet te onderschrijven.

Het is jammer dat de heer C. Over de Linden niet inging op mijn voorstel om het wapen ook nog door andere deskundigen te laten onderzoeken op de ouderdom en het gebruikte metaal, om definitieve zekerheid te verkrijgen, een zekerheid die tevens voorgoed de timmerman Cornelis Over de Linden zou rehabiliteren en het beste bewijs vormen dat het Oera Linda boek voor 1800 reeds bestond.

De heer Over de Linden is echter dusdanig overtuigd van de echtheid der “familiekroniek” zoals deze door de heer Overwijn werd toegelicht dat hij een verder onderzoek overbodig acht.

Mocht men echter aan het wapen twijfelen - ik zou ook gaarne meerdere bewijsstukken hebben - dan vraag ik toch even de aandacht voor dit, onmiskenbaar aan het Oera Linda boek ontleende, wapen en de toevallige combinatie van een naamsaanneming in de zelfde eeuw met daarbij nog het beroep van boekverkoper en het boek zelf...

Met deze combinatie komen we juist in de 18e eeuw terecht!

De wapenbeschrijving luidt als volgt:

In zilver drie bomen van groen op een grasgrond van dezelfde kleur gerangschikt 1.2. om een bron, geplaatst in de voet van het schild, het water van natuurlijke kleur. Helm: geen helmteken. Dekkleden: zilver en groen. Wapenspreuk: Waak.

De Boekverkoper Johannes Jans

[15] Schreef ik reeds dat er door dit onderzoek het ontstaan van het geslacht Over de Linden ontdekt werd, maar dat de oplossing van het vraagstuk er niet gemakkeliijker op geworden was, dan zal de lezer dit thans kunnen beamen, want met het hiervoren bijeengebrachte komen wij terecht bij de persoon van de boekverkoper Johannes Jans Over de Linden, waarvan we, behalve de genealogische gegevens,weinig anders weten dan dat hij over een uitstekende handtekening beschikte, die de indruk maakt met een algemeen ontwikkeld persoon te doen te hebben, die dikwijls de pen hanteerde.

Daarbij leren de feiten ons thans:

  1. Het is niet waarschijnlijk, althans zonder andere bewijzen onaannemelijk, dat de scheepstimmerman Cornelis Over de Linden na 1854 het Oera-Linda boek schreef.
  2. Het is zonder tegenbewijzen aannemelijk dat het handschrift voor 1848 in het stamhuis Over de Linden was opgeborgen.
  3. Het is uitgesloten te achten dat de familie Over de Linden van adellijke afstamming was of dat zij geparenteerd was aan een oud geslacht Oera Linda, waarvan het bestaan niet bewezen is.
  4. Het is uitgesloten te achten dat het handschrift de familiekroniek van het geslacht Over de Linden was voor 1776, dit op grond van het testament van de stamvader Jan Andries, waarin niet over een familiekroniek of handschrift gesproken wordt, maar wel van een kerkboek met zilveren sloten.
  5. Het handschrift vertoont volgens enkele onderzoekers de sporen in het begin der 19e eeuw of het laatst der 18e eeuw te zijn afgeschreven of samengesteld.
  6. De familienaam Over de Linden wordt aangenomen in 1776, doch is zonder het Oera Linda boek moeilijk te verklaren, evenals de overlevering van de adellijke en oud-Friese afkomst, die twee generaties later de ronde deed in het geslacht Over de Linden.
  7. Volgens de heer Kits Nieuwenkamp is het wapen Oera Linda, zonder enige twijfel ontleend aan het Oera Linda boek, nog in de 18e eeuw vervaardigd.

Tot zover de feiten. De oorsprong van het handschrift of het afschrijven hiervan moet volgens deze feiten liggen omtrent het jaar 1776 en de daarop volgende jaren.

Wanneer het handschrift niet in de familie geweest is, dan mogen wij veronderstellen dat de boekverkoper of in het bezit van het handschrift gekomen is, of het naar aanleiding van een oude kroniek of andere boekwerken gefantaseerd heeft.

Hij is de man geweest die het geslacht Over de Linden een naam gaf, waarvan de herkomst niet te verklaren is zonder een Oera Linda boek. In zijn tijd wordt er een familiewapen gemaakt, waarvan de bron in het schild en de wapenspreuk ontleend zijn aan het Oera Linda boek.

Heeft het handschrift voor 1848 bestaan, dan is hij de enige persoon bij wie de draden samenkomen.

Ik waag mij er niet aan om verdere vermoedens te opperen, daar het bewijsmaterdaal ontbreekt. Ik kom slechts tot deze, voor velen misschien gewaagde conclusie, omdat de gemelde feiten in de richting van de Enkhuizer boekverkoper Johannes Jans Over de Linden wijzen. [14]

Slotconclusies

  1. De familienaam Over de Linden is ontstaan in het jaar 1776. Een adellijke of Friese afstamming van de familie Over de Linden is uitgesloten. Voor 1776 werd nog geen familienaam gevoerd.
  2. Het Oera Linda boek is niet de eeuwenoude familiekroniek van het tegenwoordige geslacht Over de Linden.
  3. Beceering Vinckers zijn algemeen aanvaarde bewijsvoering is zeer aanvechtbaar. Molenaar’s bewijzen zijn geloofwaardig. Cornelis Over de Linden is zeer waarschijnlijk niet de auteur geweest.
  4. De naam van het boek, het familiewapen en het ontstaan van de familienaam houden nauw verband met elkaar en brengen ons bij de boekverkoper Johannes Jans Over de Linden.

Nieuwe gezichtspunten

De bedoeling van deze verhandeling is slechts geweest om de resultaten van het genealogisch onderzoek vast te leggen en naar voren te brengen welke nieuwe gezichtspunten hieruit voortvloeien, Discussieren over het handschrift betr. het auteurschap van Johannes Over de Linden ligt niet op mijn weg, daar ik mij hiertoe onbevoegd acht, Dit is een zaak voor deskundigen op ander gebied om er een oordeel over te vellen. De resultaten van het onderzoek hebben mij er toe gebracht om de hiervoor genoemde veronderstellingen en feiten te doen vermelden.

Persoonlijk betreur ik het dat er omtrent de herkomst van Jan Andriesz niet meer was te vinden. Mogelijk wordt vroeg of laat nog wel eens iets gevonden, waarmede de stamreeks verder is te vervolgen, Voor de betreffende familie Over de Linden had ik gaarne gezien dat het onderzoek anders was uitgevallen, want de overtuiging bij de één of de stille hoop bij de ander op een werkelijke oud-adellijke afstamming moet nu wel de bodem zijn ingeslagen.

Het woord is thans aan anderen, in de eerste plaats aan de onderzoekers van papier en inkt en de studie van het schrift. Mogelijk is dan de auteur aan te wijzen. Mocht deze dan toch Cornelis Over de Linden blijken te zijn, dan verandert dit aan het verrichte onderzoek niets en kan ik mij troosten met de gedachte, bij het trekken van de conclusies, een menselijke vergissing begaan te hebben, die dan aanzienlijk kleiner is dan die van Dr. Ottema, Prof. Weiss, Herman Wirth, Overwijn en alle anderen die opgekomen zijn of nog opkomen voor de historische juistheid van het handschrift.

Van een individueel particulier onderzoek is niet veel te verwachten. Een deskundige moet in de eerste plaats de tijd en de interesse hebben zich met het vraagstuk te bemoeien. Had ik bijv. in Friesland gewoond, tot een genealogisch onderzoek in Haarlem naar het ontstaan van het geslacht Over de Linden zou ik nooit gekomen zijn, omdat de tijd en de middelen mij daartoe dan hadden ontbroken.

[15] Anderzijds wordt altijd door het particulier initiatief de mogelijkheid geopend tot een hernieuwde bestrijding en eindeloze critiek, waarbij de objectivifeit te veel uit het oog verloren wordt.

Een officieel wetenschappelijk onderzoek lijkt mij de aangewezen weg. Tientallen jaren is hier nu al de gelegenheid voor geweest en twee jaar geleden heeft de heer Molenaar dit ook weer voorgesteld. Er is intussen nog niets van gekomen.

Daar er geen verdere poging werd gedaan om tot samenwerking te komen, wil ik het initiatief nemen om hiertoe over te gaan. Diegene, die zich ernstig met het Oera Linda probleem bezig houdt, onverschillig of hij behoort tot de verdedigers of bestrijders der echtheid, of er uitsluitend enkel maar belang in stelt op geschiedkundige gronden of andere overwegingen, nodig ik uit om gezamenlijk over te gaan tot oprichting van een studieclub of vereniging, welke ook het initiatief kan nemen tot een onderzoek op grafologisch en chemisch gebied.

Ik twijfel er niet aan of in een dergelijke studiekring komt men uiteindelijk tot de oplossing van het probleen en zal het hendschrift, dat zoveel gemoederen in beroering heeft gebracht, defintief als werk van waarde of een mystificatie van de eerste rang worden beschouwd. Het nageslacht kan dan gerust zijn over dit vraagstuk en de tegenwoordige generatie behoeft zich dan niet te schamen dat zij niet bij machte was het probleem op te lossen.

Moge deze uitnodiging gehoor vinden en tot een ernstig wetenschappelijk onderzoek leiden.

Hopende dat spoedig in het oude Enkhuizen, in Amsterdam of Leeuwarden eens gepraat in plaats van geschreven wordt over het Oera Linda boek, zie ik met belangstelling Uw bericht tegemoet en hoop dat deze uiterst eenvoudige brochure dan nog ander nut heeft gehad dan uitsluitend het geven van deze verhandeling.


[voor blz. 16 t/m 23 (genealogische overzichten), zie PDF]


Vleer, W.T. – Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda. De boekverkoper Johannes Jans debet aan Oera Linda-boek? — LC 29-8-1952 bl.17. [gebruikt als Bijlage IIIc van Dossier Oera Linda (1990) door Nico Luitse]

Het geslacht Over de Linden kwam uit Steggerda

De boekverkoper Johannes Jans debet aan Oera Linda-boek?

door W. Tsj. Vleer

Na het onderzoek van prof. Hellinga c.s. over het Oera Linda-boek, is het mysterie, dat nu reeds 92 jaar om een oplossing vraagt, in een nieuw stadium gekomen. Prof. Hellinga kwam op 4 januari j.l. met de verrassende mededeling, dat Cornelis Over de Linden, die reeds sedert 1876 als de auteur van het geruchtmakende handschrift was gedoodverfd, de auteur niet kon zijn, doch hoogstens slechts het boek slordig had overgeschreven. Het gaat er nu om wie het wel geweest is die dit gigantische werk heeft geschreven en wanneer dit gedaan werd. Prof. Hellinga zal ongetwijfeld bij nader onderzoek wel ontdekken in welke richting gezocht moet worden en mogelijk ook de auteur kunnen aanwijzen. In afwachting van dit verdere onderzoek komt het mij wenselijk voor enige aandacht te vragen voor de afstamming van de familie Over de Linden, daar deze wellicht kan bijdragen tot de ontknoping van het mysterie.

Het feit dat in 1952 nog nimmer een onderzoek naar de afstamming van de zovele malen door het geruchtmakende Oera Linda boek genoemde familie Over de Linden was verricht, deed mij toen besluiten dit ter hand te nemen. Aanleiding hiertoe was ook de brochure van de heer E. Molenaar: Het geheimzinnige handschrift van de familie Over de Linden. In deze brochure zijn een drietal verklaringen opgenomen, die aannemelijk maken, dat het handschrift Oera Linda vóór 1850 aanwezig was in de woning van tante Aafje in de Vijzelstraat te Enkhuizen. Ook is sprake van een gelegaliseerde verklaring van een drietal personen, die bevestigen, dat al in 1848 - 1850 het handschrift in bezit was van de familie. Wanneer dit juist is en dat lijkt er nu, na het rapport van prof. Hellinga, meer op dan voorheen, dan rijst de vraag: Hoe is de familie aan dit handschrift gekomen; wie heeft er de namen Oera Linda en Lindaoorden enz. in verwerkt? Het is niet aannemelijk dat een niet-Over de Linden dit deed. Op de één of andere wijze was de auteur bij de familie Over de Linden betrokken. Op een vijftal plaatsen en op verschillende pagina’s, treffen we de woorden Ovira Linda, Lindawald, Lindaoorden aan. Dit zijn geen woorden die er door een overschrijver zijn tussen gevoegd, maar reeds in het handschrift moeten gestaan hebben.

Het samenstellen van de stamboom Over de Linden was geen gemakkelijk werk. Verder dan Jan Andries, die in 1746 in Enkhuizen opduikt en daar volgens familieaantekeningen politieman was, kon niet worden gekomen. Hoe ook gezocht werd in het Weststellingwerfse gebied en in de Enkhuizer archieven: er kon geen schakel worden gevonden tussen de naam Over de Linden en de streek van de rivier de Linde in Stellingwerf. De naam bleef dus een raadsel, en daar deze vóór 1776 in Enkhuizen niet voorkwam, meende ik - gezien ook de Hollandse namen bij de kinderen van Jan Andries en Janke Johannes - dat een Friese afstamming betwijfeld moest worden. Was dit een teleurstelling, een verrassing werd, dat in de stamboom een persoon naar voren kwam, die m.i. het Oera-Linda-mysterie nog groter maakte.

De oudste zoon van Jan Andries, Johannes, geboren 18 december 1752 te Enkhuizen, was nl. boekverkoper van beroep. Hij overleed 12 mei 1809 in Enkhuizen. Van hem zijn talrijke acten aanwezig in de oud-rechterlijke en notariële archieven van Enkhuizen. Zijn handtekening verraadt een man die uiterst handig met de pen was en tevens een intellectueel, die zijn vak uitstekend verstond. Zijn vrouw stierf op 13 november 1805, nog maar 52 jaar oud. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, twee jongens en twee meisjes. Eén zoon stierf op drie-jarige leeftijd. De andere zoon Jan, gedoopt 27 november 1776, werd boekdrukker van beroep en zette tevens de zaak van zijn vader voort. Op 31 juli 1802 trouwde hij met Johanna Blikkenhorst.

Het lijkt er veel op dat Johannes Jans gemakkelijk in de gelegenheid is geweest de literatuur te verzamelen, waaruit het Oera-Lindaboek werd opgebouwd als een familiekroniek. Het plotselinge afbreken er van zou er op kunnen wijzen dat de auteur door ziekte of dood (1809) verhinderd is geworden zijn werk voort te zetten. Het zou zelfs begrijpelijk zijn dat deze familiekroniek niet op zijn zoon was overgeërfd, daar die als vakman de vervalsing direct herkende of mogelijk zelf van het werk van zijn vader afgeweten heeft. De broer van Johannes, Andries, was een eenvoudige scheepstimmerman, en het feit, dat diens zoon Jan in 1831 (ook volgens Molenaar) reeds van het bestaan der familiekroniek afwist, maakt het zelfs aannemelijk dat het boek overging op de boekverkoper zijn broer.

De resultaten van het onderzoek werden door mij destijds beschreven in een brochure: Het Oera-Linda-boek en het ontstaan van het geslacht Over de Linden. Deze brochure was een aanleiding voor Mr. J.G. Huyser, oud-president van het Haagse Gerechtshof, ook een brochure te schrijven, waarin nagegaan werd of de geestesrichting, die het Oera-Linda-boek vertegenwoordigt, inderdaad aanwezig was in de levensjaren van de Enkhuizer boekverkoper. Mr. Huyser kwam tot de conclusie dat dit inderdaad het geval was en achtte het waarschijnlijk dat Johannes Jans Over de Linden wel meer van de beruchte familiekroniek geweten heeft. Ondanks deze aanwijzingen is het niet uitgesloten dat ook de zoon Jan in staat is geweest een dergelijke kroniek te schrijven. Ook hij was daartoe in de gelegenheid uit hoofde van zijn beroep.

Er is ook altijd nog een wapen Over de Linden, waar een bron of brug of put in voorkomt en dat voor een werkstuk van de scheepstimmerman Cornelis Over de Linden is aangezien. Reeds jaren geleden kwam Dr. Kits Nieuwenkamp tot de conclusie dat dit wapen van onmiskenbare laat 18e eeuwse makelij was. Wijlen Dr. Rühl, leraar in de heraldische wetenschap, o.a. ontwerper van het wapen van Indonesië, heeft het wapen, dat in bezit is van de Amsterdamse oud-inspecteur van politie Over de Linden, ook gezien en kwam eveneens tot de conclusie dat het een laat 18e eeuws werkstuk moet zijn geweest. Nu schijnen de ontwerper van het wapen en de auteur wel één en dezelfde persoon geweest te zijn, gezien het symbool in het wapen en de Oera-Linda spreuk: Waak!

Door het werkje van collega R.S. Roorda Nammen út earder tiid werd ik er op attent gemaakt, dat in de bijlagen van de criminele sententies van het Hof van Friesland op 27 april 1741 de naam van de Leeuwarder klerk Jan Overlinde voorkwam. Jammer genoeg was deze Jan Overlinde alleen maar getuige en was de enige bijzonderheid dat de man 23 jaar was, dus geboren in 1718-1719. Deze leeftijd klopte niet met de leeftijd opgegeven in de overlijdensacte van de Enkhuizer Jan Andries. Hij zou geboren moeten zijn in 1716-1717. Doch daar men het vroeger met de leeftijd niet zo nauw nam, lijkt het er veel op dat de Leeuwarder klerk en de Enkhuizer (politieman?) één en dezelfde persoon waren.

Door de heer D.D. Osinga werd ik op de hoogte gebracht met een ondertrouw-inschrijving te Harlingen op 15 augustus 1745 tussen Jan Overdelende en Janke Hansen, beiden van Harlingen. Dit was dus het gezochte huwelijk. De doop van beide personen mocht ik in Harlingen niet vinden, zodat het vrijwel zeker is dat zij van elders kwamen. Waren deze gegevens reeds belangrijk voor de afstamming Over de Linden (Friese afkomst), anders werd het nog toen er nog meer Over de Linden’s in Friesland ontdekt werden.

In Sneek trof ik op 17 mei 1829 het huwelijk aan dat gesloten werd tussen Engele Andries Over de Linde, schoenmaker van beroep, en Jantje Simons de Waard uit Munnekezijl. Engele Andries was op 2 jan. 1802 in Lemmer gedoopt als zoon van Andries Engeles en Dina Laskewitz. Het bleek dat deze Andries Engeles in 1811 de naam Over de Linde aannam. Hij was een zoon van Engele Haltses en Lysberth Andries in Lemmer, die daar op 16 jan. 1745 waren gehuwd, dus in hetzelfde jaar als Jan Overdelende in Harlingen. En nu kwam de ontknoping: Lysbeth of Elisabeth bleek te komen uit Steggerda! Daar Jan Andries in Enkhuizen ook een dochter Elisabeth had, kan het niet anders dan Elisabeth in Lemmer en Jan in Enkhuizen zijn zuster en broer geweest en daarom kan aangenomen worden, dat de Enkhuizer stamvader eveneens van Steggerda kwam, waarmee de naam nu geheel verklaard is, want Steggerda lag vanuit Friesland gerekend: Over de Linde!

Het vreemde is echter dat er geen overeenkomst bestaat in de namen van Jan’s en Elisabeths kinderen. Van Jan waren het: Andries, Trijntje, Hermanus, Marmijntje, Johannes, Margrietje, Barbertje, Andries Gerrit en Elisabeth. Elisabeths kinderen waren Meint, Harmke, Andries, Jits, Poppe en Aaltje. Hoe de kinderen van Jan vernoemd zijn weten we niet, maar wel dat Meint, Engele en Jits in Lemmer van vaders kant kwamen en Harmke en Poppe dus van moeders kant. Het is daarom wel mogelijk dat Harmanus naar Jans moeder genoemd is en we als vader en moeder dus een Andries en Harmke moeten zoeken. Maar het doopboek van Steggerda begint juist te laat, n.l. in 1728 en ook in de oud-rechterlijke archivalia werd niets van betekenis gevonden. De enige Andries die we in het doopboek, in de reëele cohieren en in het volkstellings-register van 1744 nog vinden en voor vader in aanmerking komt is een Andries Wybes te Steggerda, in 1744 insolvent, die in 1730 nog een zoon Pape liet dopen, waarin we dezelfde naam moeten zien als Pope.

Ofschoon we met het genealogisch onderzoek nog niet veel verder gekomen zijn en de stamvader in Steggerda nog niet eens vaststaat, is nu wel bewezen, dat de familie uit Steggerda kwam en de naam dankt aan de rivier de Linde. Het Oera-Linda-mysterie is hiermede voorgoed een familie Over de Linden-zaak geworden, al is het spijtig voor dit geslacht dat van een duizenden jaren oude adellijke afstamming uit de Oera-Linda-oorden geen sprake kan zijn, want adel en bezit viel in Steggerda niet te ontdekken.

W. Tsj. Vleer