NL047.06 Goede Tijd: Difference between revisions
→{{Versie_Own}}: add |
No edit summary |
||
| Line 4: | Line 4: | ||
=={{Versie_Own}}== | =={{Versie_Own}}== | ||
<div class="toccolours mw-collapsible mw-collapsed"> | |||
'''[/47]''' '''Dit staat op alle burchten geschreven.''' | '''[/47]''' '''Dit staat op alle burchten geschreven.''' | ||
| Line 11: | Line 12: | ||
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volksplantingen met een burchtmaagd. Vandaar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pek en sommige andere benodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannië met zijn tinlanden. Brittannië was het land der ballingen, die met behulp van hun burchtmaagd waren weggetrokken, om hun leven te redden. Maar, opdat zij niet terug zouden komen, werd een B in hun voorhoofd getatoeëerd; de verbannenen met rode bloedverf, de andere misdadigers met blauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (en/of nederzetting) in de nabij Krekalanden (Italië), en in Lydia. In Lydia (Afrika) zijn de zwarte mensen. Daar ons land zo ruim en groot was, hadden wij veel afzonderlijke namen. Die gevestigd waren ten Oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, (omdat zij bijna niet anders deden dan barnsteen 'jutten'). Die op de eilanden woonden werden Letten genoemd, (omdat zij meestal vertaten leefden). Alle strand- en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Sturiërs, Kimbren en Angelen genoemd. (Angelen noemde men voorheen de buitenvissers, omdat zij alleen met "angel" of hoekwant visten, en nooit met netten). Die vandaar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig strijders genoemd, (omdat zij nooit naar buiten voeren). Die in de Hoge Marken woonden, welke aan de Moslanden grensden, werden Saksen genoemd, (omdat zij altijd gewapend waren tegen het wilde gedierte en de verwilderde vluchtelingen). Daarenboven hadden wij de namen: Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten. | Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volksplantingen met een burchtmaagd. Vandaar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pek en sommige andere benodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannië met zijn tinlanden. Brittannië was het land der ballingen, die met behulp van hun burchtmaagd waren weggetrokken, om hun leven te redden. Maar, opdat zij niet terug zouden komen, werd een B in hun voorhoofd getatoeëerd; de verbannenen met rode bloedverf, de andere misdadigers met blauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (en/of nederzetting) in de nabij Krekalanden (Italië), en in Lydia. In Lydia (Afrika) zijn de zwarte mensen. Daar ons land zo ruim en groot was, hadden wij veel afzonderlijke namen. Die gevestigd waren ten Oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, (omdat zij bijna niet anders deden dan barnsteen 'jutten'). Die op de eilanden woonden werden Letten genoemd, (omdat zij meestal vertaten leefden). Alle strand- en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Sturiërs, Kimbren en Angelen genoemd. (Angelen noemde men voorheen de buitenvissers, omdat zij alleen met "angel" of hoekwant visten, en nooit met netten). Die vandaar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig strijders genoemd, (omdat zij nooit naar buiten voeren). Die in de Hoge Marken woonden, welke aan de Moslanden grensden, werden Saksen genoemd, (omdat zij altijd gewapend waren tegen het wilde gedierte en de verwilderde vluchtelingen). Daarenboven hadden wij de namen: Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten. | ||
</div> | |||
==Ottema 1876== | ==Ottema 1876== | ||
<div class="toccolours mw-collapsible mw-collapsed"> | |||
'''[/67]''' '''Dit staat op alle burgten geschreven.''' | '''[/67]''' '''Dit staat op alle burgten geschreven.''' | ||
| Line 20: | Line 23: | ||
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met eene burgtmaagd. Van daar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pik en sommige andere benoodigheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun lijf te behouden., Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij bijna anders niet deden dan barnsteen jutten (aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten geheeten, om dat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die in de Hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten. '''[71]''' Daarenboven hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten. | Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met eene burgtmaagd. Van daar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pik en sommige andere benoodigheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun lijf te behouden., Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij bijna anders niet deden dan barnsteen jutten (aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten geheeten, om dat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die in de Hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten. '''[71]''' Daarenboven hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten. | ||
</div> | |||
== | {{Hoofdstuk Navigatie|normal=Nl 07b Hoe Aldland Verzonk|back=Nl 06 Joel, Schrift, Cijfers|alternative=Nl 07b Hoe Aldland Verzonk|altback=Nl 13i Langs de Rijn}} | ||
[[Category:Nederlandse Vertalingen]] | [[Category:Nederlandse Vertalingen]] | ||
__FORCETOC__ | __FORCETOC__ | ||
{{DEFAULTSORT:^Hk 07 Op Alle Burchten^}} | {{DEFAULTSORT:^Hk 07 Op Alle Burchten^}} | ||
Revision as of 09:30, 12 April 2024
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
[/47] Dit staat op alle burchten geschreven.
Vóór de slechte tijd kwam, was ons land het schoonste ter wereld. De zon rees hoger en er was zelden vorst. Aan de bomen en heesters groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de graszaden hadden wij niet alleen gerst, haver en stuifmeel, maar ook tarwe, die als goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden niet geteld, want het ene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de ene zijde werden wij door Wr.alda's zee ingesloten, waarop geen volk behalve wij mocht varen, noch kon. Aan de andere zijde werden wij door het brede Twiskland (Mosland) begrensd, waardoorheen het volk van Finda niet [49] durfde komen, wegens de dichte wouden en het wilde gedierte. Ten Oosten grensden wij tot aan het uiteinde der Oostzee en ten Westen aan de Middellandse Zee-Atlantische Oceaan, zodat wij buiten de kleine rivieren wel twaalf grote zoetwaterstromen hadden, ons door Wr.alda gegeven om ons land vochtig te houden en om ons strijdbaar volk de weg naar zijn zee te wijzen.
De oevers van deze stromen waren bijna alle in het bezit van ons volk, ook de velden aan de Rijn, van ‘t ene tot het andere eind toe.
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volksplantingen met een burchtmaagd. Vandaar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pek en sommige andere benodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannië met zijn tinlanden. Brittannië was het land der ballingen, die met behulp van hun burchtmaagd waren weggetrokken, om hun leven te redden. Maar, opdat zij niet terug zouden komen, werd een B in hun voorhoofd getatoeëerd; de verbannenen met rode bloedverf, de andere misdadigers met blauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (en/of nederzetting) in de nabij Krekalanden (Italië), en in Lydia. In Lydia (Afrika) zijn de zwarte mensen. Daar ons land zo ruim en groot was, hadden wij veel afzonderlijke namen. Die gevestigd waren ten Oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, (omdat zij bijna niet anders deden dan barnsteen 'jutten'). Die op de eilanden woonden werden Letten genoemd, (omdat zij meestal vertaten leefden). Alle strand- en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Sturiërs, Kimbren en Angelen genoemd. (Angelen noemde men voorheen de buitenvissers, omdat zij alleen met "angel" of hoekwant visten, en nooit met netten). Die vandaar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig strijders genoemd, (omdat zij nooit naar buiten voeren). Die in de Hoge Marken woonden, welke aan de Moslanden grensden, werden Saksen genoemd, (omdat zij altijd gewapend waren tegen het wilde gedierte en de verwilderde vluchtelingen). Daarenboven hadden wij de namen: Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
Ottema 1876
[/67] Dit staat op alle burgten geschreven.
Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk behalve wij mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en ten westen aan de Middellandsche [69] zee, zoodat wij buiten de kleine rivieren wel twaalf groote zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg naar zijne zee te wijzen.
De oevers van deze stroomen werden bijna alle door ons volk bezeten, ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met eene burgtmaagd. Van daar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pik en sommige andere benoodigheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun lijf te behouden., Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij bijna anders niet deden dan barnsteen jutten (aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten geheeten, om dat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die in de Hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten. [71] Daarenboven hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
Nl 06 Joel, Schrift, Cijfers ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 07b Hoe Aldland Verzonk
Aangepaste volgorde:
Nl 13i Langs de Rijn ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 07b Hoe Aldland Verzonk