Jump to content

1832-1902 Alewijn Ott

From Oera Linda Wiki
Revision as of 14:49, 27 June 2026 by Jan (talk | contribs) (27 juni)

Alewijn Ott (1832-1902) te Twisk was de jongste zoon van Pieter Ott (1786-1837) te Abbekerk.

[samenvatting volgt]

Afkortingen

  • d.v./z.v. = dochter/zoon van
  • BS = Burgerlijke Stand

1832

Maandag 20 februari om 4 uur is geboren Alewijn, z.v. Pieter Ott (40), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 21 feb. door vader, Jan Reuzenaar (39) en Simon de Jong (30), beide gebuur en landman [BS 1832g/2].

1834

Zaterdag 13 december om 22 uur is geboren Marijtje, d.v. Pieter Ott (48), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 14 dec. door vader, Pieter Koelemey sr. (64) en Pieter Koelemey jr. (28), beide gebuur en landman [BS 1834g/9].

1835

Donderdag 4 juni zijn te Zwaag getrouwd oom Teunis Louw (33, kleermaker) met Aafje Dop (27); getuigen vader Pieter Ott (49, veldwachter, zwager brg.), Klaas Louw (35, arbeider, broeder brg.), voor de bruid Jacob Dop (29, tuinman) en Arend Kessel (37, dienstknecht) [BS 21827/6].

1836

Zondag 3 juli om 13 uur is overleden Marijtje, d.v. Pieter Ott, veldwachter en Aafje Louw, aangifte 4 juli door Pieter Koelemey sr. (64) en Pieter Koelemey jr. (29), beide landman en gebuur [BS 31836/8].

Zondag 13 november om 20 uur is geboren Marijtje, d.v. Pieter Ott (50), veldwachter en Aafje Louw, aangifte 14 nov. door vader, Simon Koning (34), vrachtschipper en Dirk Enigenburg (28), broodbakker, beide gebuur [BS 1836g/5].

1837

Zaterdag 30 september om 23 uur is overleden Pieter Ott (51), veldwachter, geb. te Wognum, z.v. Jan Ott en Maartje Klomp, beide te Wognum overleden. Weduwnaar van Aaltje Wegman, thans gehuwd met Aafje Louw. Aangifte 2 okt. door Klaas Slootemaaker (41) en Klaas Holler (43), beide arbeider en goede bekenden [BS 31837/12].

familie en aanverwanten rondom Pieter Ott aan zijn levenseinde, herfst 1837

1844

Donderdag 27 juni huwelijk Aafje Louw, weduwe Pieter Ott; met Dirk Bruijn (arbeider te Lambertschaag), geb. 1807 Twisk, doopsgezind, weduwnaar Dieuwertje de Groot); getuigen Jan de Bruijn (schipper 67 jr. Twisk, vader brg.), Dirk Ott (slagter 26 jr. Abbekerk, zoon bruid), Cornelis Koster (schilder 48 Abb.) en Arien Pater (veldwachter 36 Abb.), beide goede bekende [akte].

1844 of 1845: 3 juli acte van scheiding gemeenschappelijke boedel Louw-Bruijn opgesteld te Abbekerk, geregistreerd Medemblik [volgens akte 9-10-1865, of hypotheek? NNA Medemblik 5/? in database WFA maar akte niet gevonden].

1852

Vrijdag 26 november hypotheek Dirk Bruijn en Aafje Louw, arbeiders [NNA Hoorn 13/133-134].

1854

Dinsdag 25 april (22 jaar oud) uitgeschreven bij Abbekerk als dienstknegt van broer Dirk Ott, slagter; vertrek ter voldoening aan nationale militie (lotingnr. 42) naar Den H...? [bev.reg.]

1856

Woensdag 20 februari koopt Alewijn Ott te Lambertschaag rommeling voor 35 cent bij publieke verkoop. Broer Dirk Ott te Abbekerk koopt voor hetzelfde bedrag aardewerk [NNA Hrn 17/50-51].

1857

Zaterdag 3 januari inschrijving als lidmaat te Twisk, met attest van Abbekerk [bron].

Zondag 26 april trouwde Alewijn Ott (25, voldaan aan nationale militie) te Twisk met Dirkje Peetoom (18). Getuigen: Dirk Ott slagter 38 jr. te Abbekerk en Evert Bruijn timmerman 46 jr. te Twisk, broer, resp. bekende v/d bruidegom; Dirk Bruijn veldwagter 49 jr. te Abbekerk en Steven Huinink kuiper 30 jr. te Twisk, bekenden v/d bruid [akte].

Toevoegen: 13 december 23 uur broer Dirk Ott (39 jaar oud) overleden te Abbekerk in huis A-53; aangifte door Jacob Verweij (arbeider, 38, goede bekende) en Dirk Bruijn (veldwachter, 49, aanbehuwd vader) [akte].

1861

Vrijdag 15 maart benoeming Alewijn Ott tot voogd over kinderen Visser-Ott [proces verb. Medemblik].

1863

1865

Donderdag 28 mei om 22 uur is in het huis A-72 te Abbekerk overleden moeder Aafje Louw (68 jaar oud, geboren te Westerblokker, d.v. Elias Louw en Aafje Preker), de tweede vrouw van vader Pieter Ott (1786-1837) en in 1844 gehuwd met Dirk Bruijn, bode te Abbekerk. Aangifte door Reinder Schenk (timmerman, 22 jr.) en Cornelis Nierop (landbouwer, 42 jr.), beiden goede bekenden, wonende te Lambertschaag [akte].

Donderdag 22 juni boedelinventaris Aafje Louw (eerder weduwe van Pieter Ott) in bijzijn van (1) de weduwnaar Dirk Bruijn, gemeente veldwachter (zonder huwelijks-contract, in gemeenschap van goederen), (2) Elias Ott, schilder Aartswoud, (3) Teunis Ott, slagter te Zijpe, (4) Jacob Boot gehuwd met Aafje Ott, landman in de Waard- en Groetpolder (gem. Winkel), (5) Joris Ott, schilder te Koedijk, (6) Alewijn Ott, slagter te Twisk, (7) Wiebe van der Hoek gehuwd met Marijtje Ott, timmerman mede in de Waard- en Groetpolder, (8) Geertje Breebaart te Abbekerk, weduwe van Dirk Ott, als moeder en voogdesse, (9) Pieter Visser, weduwnaar van Aaltje Ott, watermolenaar te Aartswoud, als vader en voogd; beschreven boedel o.a. in voorhuis 2 tafels en 16 stoelen, 13 schilderijen enz.); op den zolder; op de werf o.a. een varken, vijf fuiken, een schuit; goud en zilver; onderhandse akte 30-6-1845 huis en erf B-22/23; schulden [niet afgemaakt] [Notaris D.M. Alewijn NNA Medemblik 39/59-63 #106].

Maandag 9 oktober publieke verkoop boedel; o.a. woonhuis, erf en grond van dien te Abbekerk, aan de oostzijde van de weg B-22: tuin 8 roeden 10 ellen; B-23: huis en erf 2 roeden [NNA Medemblik 39/147-149 #142].

Woensdag 25 oktober om 17 uur is geboren Jan, zoon van Alewijn Ott (slagter 33 jr.) en Dirkje Peetoom. Aangifte door vader en Jacob Landman en Jacob Hoefnagel (arbeiders, resp. 28 en 41 jr.) [akte].

Maandag 11 december boedelscheiding; o.a. huis en erf te Abbekerk, ten huwelijk aangebragt door Aafje Louw. Verdeeling: D. Bruijn ƒ.378, kindsdelen elk ƒ.168 [NNA Medemblik 39/255-264 #186].

1869

Maandag 22 februari

is bij J. Vroom in de Ooijevaar aan de Zuiderweg onder Opperdoes eene vereeniging opgericht zich noemende vereeniging tot Nut en Genoegen door 10 leden welke daartoe ware uitgenodigt door J. Vroom. De 10 leden bestande uit C. Zee, A. Zee, K. Bennemeer, Jb. Duin, F. Zee, A. Ott, M. Leeuw, Jn Vroom, A. Mos en C. Roggeveen [bron].

De oudste (37 jaar) mede-oprichter, Alewijn Ott, hield als eerste een voordracht, getiteld “aan den Duivel”.

1870

Vrijdag 2 september in huwelijkse voorwaarden Elias Ott (5 maanden weduwnaar van Maartje Hoogendijk) en Guurtje Weeshoff, is de eerste schuldig aan zijn broer Alewijn Ott te Twisk ƒ.400 tegen 5% rente [NNA Medemblik 52/42-45 #170].

1871

Woensdag 4 januari koopt Alewijn Ott van Jacob Sleurs de helft in een perceel bouwland genaamd “het Galgenveld” onder Opperdoes aan de Dijkgracht A-145 groot 94 aren , 20 centiaren, voor ƒ.875 [NNA Medemblik 53/3-4 #2].

Dinsdag 11 juli is om 2:00 uur geboren te Twisk: Alewijn Ott, zoon van Alewijn Ott (slagter, 39 jaar) en Dirkje Peetoom (33), broertje van Pieter (13), Jantje (12), Aafje (10), Dirk (7), Jan (5) en Elias (bijna 2). Aangifte BS met veldwachter Johannis Scheer (79 jaar) en Pieter Donker Pz (44) [akte].

Woensdag 12 juli, in Het Nieuws van den Dag een bericht over het handschrift van de familie Over de Linden. Kennelijk de timmerman Cornelis te Helder, van Jan Andriesz. Niet ingewijd... Een “overoud handschrift, sedert eeuwen onder zijne familie bewaard”. Eeuwen! Ja, honderdveertig jaar is lang.

Wat blijkt? Eergisteren, maandag 10 juli is op een vergadering van de Gedeputeerde Staten Friesland het Verslag omtrent een overoud handschrift ingebracht, opgesteld door ene doctor Ottema van het Friesch Genootschap.

De krant spreekt van een dagtekening “558 jaren vóór Christus”. Dat is licht mis te verstaan, zoals alle overoude, overschatte dateringen van de nu klassieke leerboeken.

Het is geschreven in zeer oud Friesch, doch voor kenners dezer taal gemakkelijk te lezen, en het bevat vele, tot dusver onbekende bijzonderheden omtrent de geschiedenis en godsdienst der oudste bewoners van Nederland. Indien dit stuk echt is, waaraan tot nog toe bijna niet getwijfeld wordt, is het voor geschiedenis en oudheidkunde eene aanwinst van onschatbare waarde. Er is sprake van dat dit handschrift, waarvan het Friesch Genootschap afschrift heeft bekomen, zal worden uitgegeven met eene vertaling in het Hollandsch en in het hedendaagsch Friesch.

Het Nieuws van den Dag-bericht verscheen de volgende vrijdag 14 en zaterdag 15 juli in respectievelijk de Leeuwarder en de Heldersche Courant.

Vrijdag 21 juli, in het Algemeen Handelsblad:

Ja, ongetwijfeld zal dit belangrijk geschrift veel licht verspreiden over verschillende duistere gebeurtenissen, personen en jaartallen uit de oude geschiedenis.

Maandag 24 juli: Het Vaderland:

Wat thans in het Handelsblad wordt meegedeeld, is al zeer weinig geschikt om vertrouwen te wekken in de echtheid van het boek.

Schrijver twijfelt of de geleerde doctor Ottema...

wel sceptisch genoeg gezind is tegenover een zoo exorbitante verschijning als dit boek, wanneer het echt was, zijn zou. (...) speculaties van een of ander dilettant uit de 17e of 18e eeuw (...) men moet bijzonder naïef zijn (...) wij schamen ons bijna het zotte jaartal te moeten opschrijven (...) Twijfel aan de onechtheid is onmogelijk.

Het stukje eindigt met:

Het eenige belangrijke in de quaestie blijft alleen, wie de grappenmaker kan geweest zijn, die, hoogstens een paar honderd jaar geleden, zich kan beziggehouden hebben met de vervaardiging van dit boek?

Maandag 7 augustus deelde archivaris Colmjon schriftelijk met Ottema zijn overtuiging dat de inhoud van het handschrift vanwege de taal niet oud kon zijn, zoals zou blijken uit een bericht in de Leeuwarder van dinsdag 12 september.

Woensdag 23 augustus in Het Nieuws van den Dag en een dag later overgenomen in Het Vaderland, dat tevens gewag maakt van “al de zotheden, die in dat H.S. voorkomen” (daar na ook in de Bildtsche, Heldersche en Leeuwarder Courant):

De archivaris van Friesland, Colmjon, houdt het oud-Friesch handschrift voor onecht “op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is”. Ottema zou “door te veel voorliefde worden geleid”. Colmjon, “een warm voorstander van Frieslands taal en geschiedenis, die zeker gaarne zoude wenschen dat het handschrift waarheid bevatte, mag men in deze wel voor onpartijdig houden.”

Dinsdag 29 augustus een stuk in de Leeuwarder Courant met bevindingen van doctor Ottema over “het boek van Adela” (later in het verslag: het boek van Adela’s helpers). Ottema is leraar aan een Latijnse school en lid van het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde te Leeuwarden. Mijn aantekeningen:

  • Dat Handschrift wordt sinds onheugelijke jaren bewaard in de familie van den Heer C. over de Linden te Helder, zonder dat iemand de herkomst daarvan wist of den inhoud er van kende wegens de onbekendheid van schrift en taal.
  • Het is Ottema gelukt om het schrift geheel te ontcijferen en den tekst te verklaren.
  • Als antiquiteit van taal en schrift is het werk dus eenig in zijne soort.
  • Men spreekt van 15 ½ eeuwen voor Chr. alsof bekend is wanneer dat Kerstentijdperk begon. Oom Alewijn, die nog les heeft gehad van grootvader Ott, sprak er vaak over: Die oude jaartallen van de Bijbel en de Latijnse school kloppen niet.
  • Ottema noemt de Atheense Moeder Geert een priesteres!
  • Die godsdienst is hoogst eenvoudig en een zuiver Monotheisme of eenheid van het goddelijk wezen.
  • ... de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen (!), maagden.
  • Het stuk besluit met:

Ziehier slechts eenige weinige punten uit dit belangrijk verslag. Zij mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom van dit merkwaardige handschrift. Want al loopen er sagen onder, ook als sagen moeten zij waarde hebben voor ons, dewijl alle historie begint met overlevering en er van den sagenschat onzes voorgeslachts zoo goed als niets was overgebleven. Hartelijk wenschen wij, dat de Heer Ottema weldra in de gelegenheid gesteld moge worden dit stuk in het geheel met eene vertaling en historische toelichtingen in het licht te geven, ten einde de door zijn verslag opgewekte belangstelling te bevredigen, en onze letterkunde met een gewigtige historische bron te verrijken.

Dinsdag 5 september plaatste de Leeuwarder een bijdrage van meester De Haan Hettema. Als weerwoord op Colmjon, die het handschrift voor onecht houdt omdat dat de stijl veel te nieuwerwetsch zou zijn, stelt hij:

Het stuk is in de Friesche Taal geschreven; eene onderscheiding tusschen oud-Friesch en Land- of Boere Friesch ken ik niet. Ik kan alleen eene oudere en nieuwere spelling van die taal, want de uitspraak van het Friesch is nagenoeg nog dezelfde als voor eenige eeuwen (...)

Wat nu de spelling in dit stuk voorkomende betreft, deze is, in mijn oog, veel meer overeenkomstig de oudere en zeer regelmatig, en veel beter en regelmatiger, dan van hen, die thans de taal schrijven; zoodat het te wenschen ware, dat men in de hoofdzaak die spelling overnam, dan zoude er meer eenheid in die spelling komen en het oorspronkelijke van de taal, beter dan nu, bewaard blijven. (...)

Bovendien vinden wij reeds in onze photografiën eenige thans niet algemeen meer bekende woorden, die in het overige van dit geschrift wel zullen voorkomen en daardoor onze Friesche Woordenschat zouden kunnen aanvullen.

Ik beschouw het dus in de eerste plaats van belang om dit stuk in den Frieschen tekst door den druk bekend te maken; maar ook in de tweede plaats, — als men volgens het verslag den inhoud aanneemt, die zoo wel uit een Godsdienstig, als uit een Geschiedkundig oogpunt niet van belang ontbloot schijnt te zijn, — dat er dan ook eene Hollandsche vertaling bijgevoegd worde, om ook niet-Friezen met diens inhoud bekend te maken. (...)

Dat [de schrijver van het handschrift] meer dan een dagelijksch mensch was, een geleerde en zeer goed met het Friesch bekend, zal wel niemand betwijfelen.

Zondag 10 september is door Ottema in de Leeuwarder een heel stuk uit het handschrift geplaatst, de Fryas woorden in ons schrift overgezet, over paalwoningen in Zwitserse meren, zoals vermeld door Apollena, dienende als bewijs voor de echtheid. Resten van die woningen zijn namelijk pas een kleine 20 jaar geleden ontdekt. Niemand zal ernstig durven beweren dat het handschrift minder dan 20 jaar oud is, tenzij Cornelis een later afschrift ervan heeft ingezonden. Dinsdag 12 september weer een lang stuk in de Leeuwarder. Colmjon blijkt al begin juni te zijn begonnen met rondbazuinen dat het handschrift een modern maaksel zou zijn. In augustus heeft hij deze overtuiging per brief ook met Ottema gedeeld.

... ik moet mij van de onechtheid van het Boek van Adela overtuigd houden. (...) dat ik dit schrijven ... als nul en van geene waarde moet verklaren (...) sommige taalfouten, die een Fries nooit zou kunnen begaan.

Ottema’s paalwoningen zijn voor Colmjon bewijs,

dat het geschreven moet zijn, niet slechts na 1833, zoo als ik reeds meende te mogen stellen, maar zelfs na 1853, dewijl men vóór dien tijd van het bestaan der overblijfselen van de paaldorpen in de Zwitsersche meeren niets afwist.

Donderdag 14 september, een naamloze, grimmige commentator hoopt dat met het stuk van Colmjon

een einde zal gemaakt zijn aan de liefhebberij, die sommigen schijnen te hebben om hun critische blindheid tegenover dit Handschrift aan de groote klok te hangen.

Hij spreekt over het werk van Ottema (en Hettema?) als quasi-geleerdheid, over de inhoud van het handschrift als zottenpraat, met als voorbeeld:

dat Neptunus een Vi-king of zeekoning geweest is, die door zijn onderdanen gewoonlijk Neef-Teunis genoemd werd!

1872

Woensdag 31 januari verdeling van het Galgenveld onder Opperdoes door Cornelis Kruijt, landbouwer en Alewijn Ott, slager, beide te Twisk en voor de helft eigenaar; gezamelijke waarde geschat op ƒ.2000 [NNA Medemblik 55/55-56 #31].

1875

Vrijdag 10 december is overleden oom Alewijn Ott te Barsingerhorn, 83 jaar oud, laatst weduwnaar van Neeltje Erix, vader van mijn neven Jan (58), Cornelis (57) en Pieter (34) en van mijn nichten Maartje (52) en Pietertje (49).

1876

Dinsdag 25 januari boedelscheiding Pieter Visser, weduwnaar van Aaltje Ott; Alewijn Ott, koopman te Twisk als toeziend voogd over Aafje, Trijntje en Marijtje Visser; o.a. bouwland te Hoogwoud [NNA Benningbroek 85/104-108 #8196].

1881

Vrijdag 19 augustus is om 13 uur te Oostwoud overleden mijn halfbroer Jan Ott (73 jaar, schilder), weduwnaar van Lijsbeth Bonnet, resp. Grietje Horst. Aangifte bij gemeente Midwoud door Fredrik Bobeldijk (timmerman 62 jr.) en Jan Dekker (koopman 34 jr.), beiden gebuur.

1882

Vrijdag 13 januari koopt Alewijn Ott (koopman) van Jacob Bakkum Pastoor (verver te Twisk) voor ƒ.600 het noordelijk deel van een woonhuis met grond D-156, groot 1 are, 5 c.a. en een aangrenzend perceel grond D-203, groot 1 are [NNA Benningbroek 117/54-55 #11275].

1883

1884

1886

Vrijdag 24 december Alewijn Ott (kastelein) heeft perceel gekocht als lasthebber van Hedde Smit [NNA Benningbroek 137/63 #13382].

1887

1888

Vooral door het geregelde marktbezoek was “Ott” nogal bekend in den omtrek. Met smaak kon hij vertellen, dat hij toch niet verwacht had, dat men hem zelfs in Londen aan zou roepen. Dat zat zoo: doordat de kalveren en schapen hun weg vonden naar Londen, was grootvader met een lid van de Amsterdamsche firma meegegaan naar hun afnemers in Londen en toen ze door de miljoenenstad liepen, was ergens een raam opengeschoven en werd er “Ott” geroepen. Daar had hij vreemd van opgekeken; ’t was ook wel toevallig. Merkwaardig is in dit verband, dat hij eenmaal voor eigen rekening een lading vee naar Engeland verscheepte en ’s nachts, toen het stormde, doodsangsten uitstond vanwege het risico. Een bewijs, dat hij, ofschoon handelaar in hart en nieren, verstandig gedaan heeft zijn vleugels niet te wijd uit te slaan en maar liever tusschenpersoon te blijven. Een klein winstje, een zoet winstje. (uit Familie-dagboek Alewijn Roozendaal, bl.7-8)

Donderdag 20 december koopt Alewijn Ott, kastelein te Twisk van Pieter Pauw, landbouwer te Opperdoes, een perceel bouwland op het Galgeveld te Opperdoes A-449, groot 75 aren, 70 c.a. voor ƒ.1075 [NNA Medemblik 90/118 #147].

1889

Donderdag 4 juli Alewijn Ott, kastelein te Twisk leent ƒ.2000 (rente 5%) aan schoonzoon Cornelis Pool, bakker te Oostwoud [NNA Medemblik 91/153-154 #82].

1891

Donderdag 7 mei te Twisk huwelijk Alewijn Ott Alewijnszoon (19 jaar, slagtersleerling te Twisk, voldaan aan militie), z.v. Alewijn Ott (kastelein Twisk) en Dirkje Peetoom met Lijsbeth Kos (20 jaar), d.v. Arien Kos (arbeider te Schagen) en Ariaantje Blokker (overleden); getuigen Pieter Ott (slachter te Blokker 32 jr.) en Klaas Roozendaal (smid te Oostwoud 30 jr.), broeder resp. zwager v/d bruidegom; Pieter Blokker (veehouder Opperdoes 37 jr) en Johannes Pool (bakker Purmerend 38 jr.), neef resp. aangehuwd neef v/d bruid [akte].

Vrijdag 5 juni zoon Alewijn Ott (II), slager te Venhuizen; inzake einde voogdij over Lijsbeth Kos door haar vader Arien Kos [NNA Benningbroek 160/10-11 #15592].

1892

Zaterdag 2 april koop voor ƒ.1800 door A. Ott II van Reindert Vormer (beide slager): woonhuis met schuur, erf en grond te Venhuizen E-218 en 982 [/83-84 #141].

Dinsdag 3 mei koop voor ƒ.1300 door A. Ott I (slager Twisk) van Pieter Pauw twee huizen, erf en schuur te Opperdoes A-795 en 796, groot 4 aren, 30 c.a. [#82].

1893

1894

1897

Photo t.g.v. 40-jarig huwelijksjubilaeum Alewijn Ott en Dirkje Peetoom.

1901

Zaterdag 20 april A. Ott (slager Twisk) koopt voor ƒ.1000 van Barend Koolhaas (landman) een erf te Twisk (enz.) D41 [NNA Hoogwoud 65/44-45 #121].

Vrijdag 19 juli A. Ott leent aan Pieter Klouwers (slager te Enkhuizen) ƒ.1800 [NNA Enkhuizen 91/83-85 #135].

1902

Woensdag 16 april is te Twisk overleden Alewijn Ott, 70 jaar oud en bijna 45 jaar getrouwd geweest [BS Twisk inv. 31902 akte 6] details toevoegen.

Teekenend voor zijn levensopvatting waren zijn woorden op zijn laatste -ook vrijwel zijn eerste- ziekbed: “Ik ben 70, maar heb genoten voor 140, dus ’t is welletjes.” (uit Familie-dagboek Alewijn Roozendaal, bl.7-8)

Gaat verder met zoon Alewijn Ott (1871-1962).