Nl 16c Hulde en Argwaan

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    [150/19]

    Overwijn 1951

    [/141] Wat Friso verder deed.

    Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer kloek waren. Hetto, (dat is ‘de hete’) de jongste, zond hij als zendbode naar Kattaburg, dat diep in Saksenmarken ligt (Nassau). Hij had van Friso zeven paarden meegekregen, behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken, door de zeemacht geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge matrozen en twee jonge ruiters, die rijk waren gekleed en met geld in hun buidels. Zoals hij Hetto (Onderhandelaar) maar Kattenburg zond, zond hij Bruno, (dat is 'de bruine’), de andere zwager, naar Draviksoord. (Mannagarda-oord is vroeger in dit boek ’Mannagarda-forda’ geschreven, maar dat is fout). Alle rijkdommen, die zij mee hadden, werden al naar de omstandigheden weggegeven aan vorsten en vorstinnen en aan uitverkoren meisjes. Kwamen dan zijn knapen in de gelagkamer om daar met de jeugd te dansen, dan lieten zij korven met kruidkoek en vaten of tonnen van het beste bier komen. Na deze boden liet hij gedurig jongelui over de Saksenmarken reizen, die allen geld in hun buidels hadden en allemaal giften of geschenken meebrachten en in de gelagkamer verteerden zij maar onbekommerd door. Als het nu gebeurde, dat de Saksenknapen daar afgunstig op neerzagen, dan lachten [143] zij goedmoedig en zeiden: als jullie de algemene vijand durft bestrijden, dan kunnen jullie je meisje nog veel rijker geschenken zeven en dan nog vorstelijke verteringen maken. Beide zwagers van Friso zijn getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten en naderhand kwamen de Saksische jongelui en meisjes bij hele troepen naar het Vliedmeer afzakken. De burchtvrouwen en oudere maagden, die nog van de vroegere grootheid wisten, voelden niets voor Friso's bedrijf. Daarom spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer dan zij, liet ze babbelen. De jonge maagden echter, bond hij met gouden vingers aan zijn zaak. Zij zeiden overal: wij hebben toch geen Moeder meer, maar dat komt omdat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past ons een koning, opdat wij onze landen terugkrijgen, die de Moeders hebben verloren door haar ondoortastendheid. Verder verkondigden zij: Aan ieder Fryakind is de vrijheid gegeven, zijn stem te laten horen, voordat er een besluit wordt genomen bij het kiezen van een vorst. Maar als het zover mocht komen, dat gij U weer een koning kiest, dan wil ik ook mijn mening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door Wr.alda gekozen, want Het heeft hem op wonderbaarlijke wijze hierheen geleid. Friso kent de streken van de Galliërs, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen hun listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden. Welke graaf zou men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daarop afgunstig zouden zijn? Al zulke praatjes werden door de jonge maagden verkocht, maar de oudere maagden, ofschoon weinig in aantal, tapten haar redenen uit een ander vaatje. Zij spraken allerwegen en tot iedereen: Friso, zo spraken zij, doet, zoals de spinnen doen, ’s nachts spant hij zijn netten naar alle zijden en overdag verschalkt hij daarin zijn van niets kwaads bewuste vrienden. Friso zegt, dat hij priesters noch vreemde vorsten mag lijden, maar ik zeg, dat hij niemand mag lijden dan zichzelf. Daarom wil hij niet gedogen, dat de burcht Staveren weer wordt opgericht. Daarom wil hij geen Moeder meer hebben. Vandaag is Friso Uw raadgever, maar morgen wil hij Uw koning worden, opdat hij over U allen kan heersen. In de boezem van het volk ontstonden twee partijen. De ouden en armen nu, wilden weer een Moeder hebben, maar de jeugd, die vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen en de anderen noemden zich Vaderszonen, maar de Moederszonen waren niet in tel, want omdat er veel schepen gemaakt werden, was er overvloed van werk voor de scheepmakers, smeden, zeïlmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de matrozen allerhande sieraden mee. Daarin hadden de vrouwen, de maagden en de meisjes pleizier en daarin hadden al hun bloedverwanten genoegen en al hun goede kennissen en vrienden.

    Toen Friso ongeveer veertig jaar te Staveren had huis gehouden, [145] stierf hij. Door zijn bemoeiïngen had hij vele staten weer tot elkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet te bevestigen. Van alle graven die vóór hem waren, was er niemand zo befaamd als Friso geweest. Maar, zoals ik al eerder zei, de jonge maagden spraken zijn lof, terwijl de oudere maagden alles deden om hem te laken en gehaat te maken bij alle mensen. Daarmee konden de oudere maagden hem wel niet storen in zijn bemoeiïngen, maar zij hebben met haar misbaar toch zoveel uitgewerkt, dat hij gestorven is zonder dat hij koning was.

    Ottema 1876

    [/203] Wat Friso verder deed.

    Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, [205] dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden, dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog vorstelijke vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het Flymeer afzakken.

    De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan zijne zaak. Zij zeiden alomme: wij hebben langer geene Moeder meer, maar dat komt daar van daan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders verloren hebben door hare [207] onvoorzichtigheid. Verder spraken zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hare redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedoogen, dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder weer hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen, en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.

    [209] Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden, stierf hij (263 v. Chr.). Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet bevestigen. Van alle Graven die voor hem waren, was er niemand zoo befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge maagden spraken zijn lof, terwijl de oude maagden alles deden om hem te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de oude maagden hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij hebben met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is zonder dat hij koning was.

    Lees Verder

    Nl 16b Bondgenootschappen ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 16d Adel en Iefke