1939 Heeft Verwijs...
JJK 606 Jong, S.D. de - Heeft Verwijs het O.L.B. geschreven? Een laatste woord van dr M. de Jong. Weinig steekhoudende argumenten [mbt JJK 605] - LC 20-10-1939.
Heeft Verwijs het Oera-Linda Bok geschreven?[1]
Een laatste woord van dr. M. de Jong
Weinig steekhoudende argumenten
„Het Oera-Linda-boek in Duitschland en hier,” door dr. M. de Jong Hzn. Bolsward A.J. Osinga.
Eere wien eere toekomt en dr. M. de Jong Hzn. kan de eer niet worden onthouden, dat hij in zijn nieuwe brochure een goed overzicht geeft van hetgeen er sedert het jaar 1934 in Duitschland met het Oera-Linda-boek is gepasseerd. Bovendien is niet van belang ontbloot, wat de schrijver meedeelt over de werken van Knut Jungbohn Clement. Immers in het Oera-Linda-boek is sprake van drie rassen, resp. afstammend in de drie oermoeders, Frya, Finda en Lyda. Nu is het opvallend, dat de (negentiende eeuwsche) schrijver door de afstammelingen van de blanke, blonde Frya alle goede menschelijke, die in de gele Finda en de zwarte Lyda alle slechte eigenschappen toe te schrijven, zich een vurig voorstander van de rassenleer betoont. En dat, terwijl overigens uit alles blijkt. dat hij een typisch kind der Aufklärung is, voor wie alle menschen broeders waren.
Nu vindt men een aangeboren voorliefde voor de rassenleer en zelfs voor een Friso-centrische rassenleer, zoowel bij Clement als in het Oera-Linda-boek. Bovendien zijn zoowel Clement als de schrijver van het Oera-Linda-boek beiden tal van liberale ideeën van hun tijd toegedaan.
Hier is op het eerste gezicht een congruentie van ideeën, welke een ernstige studie alleszins waard is. Ook zij, die het Oera Lindaboek niet voor een parodie en dr. Eelco Verwijs niet voor den schrijver houden, mogen dr. de Jong dankbaar zijn voor dezen tip. Zij zullen geneigd zijn hem te vergeven, dat hij hun verwijt geen gevoel voor humor te bezitten en met „wetenschappelijken” kliekgeest besmet te zijn.
⁂
Dr. de Jong kan gerust zijn; Friesland kan weer lachen, ook zonder dat het als lachmiddel de pil slikt, welke deze Amsterdammer het in den vorm van zijn Verwijs-hypothese voorschrijft. Want heusch zoo dramatisch nemen wij de heele historie niet. Wij zullen er even rustig om slapen, of men ons nu bewijst, dat dr. Verwijs, of C. Over de Linden het O.L.B. heeft geschreven. Zelfs al kwam een tweede dr. de Jong betoogen, dat de auteur Tsaar Alexander II van Rusland was, die met het schrijven van het boek de bedoeling had tweedracht te zaaien tusschen de Finnen en de Noordzeevolken, dan nog zouden wij niet verontrust zijn.
⁂
Wij, Friezen, zijn zoo kalm onder deze heele geschiedenis, dat schrijver dezes zich niet verantwoord acht dieper op de door dr. de Jong opnieuw aangesneden materie in te gaan zonder de feiten, welke er aan ten grondslag liggen nog eens op te rakelen. In het laatst der zestiger jaren van de vorige eeuw ging als een loopend vuurtje door heel Friesland het nieuws, dat bij den hellingbaas op de marinewerf te den Helder een oud geschrift was gevonden, waarin de eerste geschiedenis van onze Friesche voorvaderen was opgeteekend en waaruit zou blijken, dat in en om Friesland honderden jaren voor Christus een beschaving zou hebben bestaan, die als bakermat van heel de Europeesche cultuur was te beschouwen.
Toen dit boek in handen van geleerden kwam, ontbrandde een heftige strijd. De meesten betwijfelden de echtheid, enkelen, zooals de Leeuwarder conrector, dr. Ottema, die voor een Nederlandsche vertaling zorgde, geloofden stellig daar aan. Maar het aantal twijfelaars werd hoe langer hoe grooter. Taalgeleerden ontdekten, dat de taal slechts een pseudo oud-Friesch was, doorspekt met nieuw Friesche, Nederlandsche, Duitsche en Engelsche woorden en moderne zinswendingen. Een onderzoek van het papier bracht aan het licht, dat dit in de 19e eeuw vervaardigd en kunstmatig geel gemaakt moest zijn. Beckering Vinckers wees in een brochure C. Over de Linden als de schrijver aan. Doch ondanks de duidelijke constateering van het bedrog bleven sommigen aan de echtheid gelooven, anderen braken zich het hoofd er over, wat de bedoeling toch wel geweest kon zijn van den schrijver. Onder deze laatsten behoorde dr. M. de Jong, die in 1927 in een omvangrijk werk „Het geheim van het Oera Lindaboek” trachtte aannemelijk te maken, dat dr. Eelco Verwijs, die in de zestiger jaren van de vorige eeuw bibliothecaris en archivaris van de provincie Friesland was en door wiens tusschenkomst het openbaar was gemaakt, het geschreven had met het doel een kring van Friesche geleerden wegens hun achterlijkheid en Frisomanie aan de kaak te stellen.
Het boek van dr. de Jong ondervond veel critiek, waarop de auteur in 1929 met een brochure „Smaadschrift, Romantiek of Wetenschappelijk bewijs?” antwoordde.
In 1931 dupliceerde mr. P.C.J.A. Boeles In „De houding van dr. Eelco Verwijs ten opzichte van het Oera-Lindabok en het Friesch Genootschap.”
⁂
En thans voert dr. de Jong in derde instantie het woord.
Waar wij onze lezers tot nog toe trouw met den stand van de Oera-Linda-bok literatuur op de hoogte hebben gehouden, zijn wij ook wel verplicht eenige aandacht aan de recente brochure van dr. de Jong te wijden, hoewel dit werkelijk geen opwekkend werk is.
’t Begint al in het Voorwoord. Hierin wordt medegedeeld, dat deze 63 bladzijden tellende brochure oorspronkelijk bedoeld was als bijdrage van „De Vrije Fries”, het tijdschrift van het Friesch Genootschap. Na eenige inleidende correspondentie, waaruit blijkt, dat de redactie niet erg enthousiast was over het plan van dr. de Jong, stuurde deze op 4 October zijn artikel in. En, zoo schrijft hij, den 18en October stuurde de secretaresse het mij prompt terug. Mr. P.C.J.A. Boeles liet ons echter een brief lezen, waaruit duidelijk blijkt, dat dit terug zenden gepaard ging met een verzoek aan dr. de Jong om niet in herhaling te treden over de zaken, die hij al meerdere malen naar voren had gebracht, doch te volstaan met de mogelijk nieuwe gezichtspunten samen te vatten in een artikel van 20 pagina’s druks. Voor een laatste woord in een tijdschrift van beperkten omvang als „De Vrije Fries” inderdaad een behoorlijke ruimte. Over deze tegemoetkomende houding van de redactie van „De Vrije Fries” zwijgt dr. de Jong in alle talen en toonaarden.
Een bijzondere nobele wijze van polemiseeren kunnen wij dit niet vinden. Ook zwijgt dr. de Jong over de in deel XXX van „De Vrije Fries” (1830) door mr. Boeles gepubliceerde correspondentie van dr. Eelco Verwijs, waaruit ieder onbevooroordeelde wel den indruk moet krijgen, dat Verwijs in plaats van den bedrijver, een der slachtoffers is geweest van de Oera-Linda-Bokhistorie. Hij is op te onvoldoende gegevens te hard van stapel geloopen, mede om het handschrift uit handen van Over de Linden te krijgen en is later, toen twijfel aan de echtheid meer en meer de overhand bij hem kreeg, van zijn eigen voortvarendheid geschrokken en teruggekrabbeld.
De gewone houding, welke men bij dergelijke zaken altijd ziet. In onze eigen reportersloopbaan hebben wij het meer dan eens meegemaakt. Plotseling duikt een gerucht op, groot geheim zal ontsluierd worden, een belangrijke uitvinding zou gedaan zijn. Een korten tijd van twijfel, (1e stadium), dan gelooven een aantal menschen (quantitatief en qualitatief meer dan men zou verwachten) er in (2e stadium). Vervolgens komt de ontgoocheling (3e stadium) en de geloovigen van zoo straks ziet men allerlei capriolen maken om hun figuur te redden.
Verwijs heeft dus heel normaal op de Oera-Lindabok-geschiedenis gereageerd. Natuurlijk zou er nog eenige mogelijkheid bestaan, dat hij met een buitengewone geraffineerdheid te werk is gegaan, maar zoo’n raffiment riekt meer naar de romans van Edgar Wallace, dan naar het Leeuwarden van zoo’n 70 jaar geleden.
⁂
En voorts is er eenige reden om aan te nemen, dat Verwijs een boek van honderden bladzijden zou schrijven in een vreemde taal en het zou laten kopieeren door den heer Eilers in een zelf uitgevonden letterschrift? Een en ander met het doel om een stelletje Frisomanen er te laten inloopen en tegelijkertijd een parodie op hun doen en laten te leveren!
Hiervoor zou bij den toenmaligen bibliothecaris van Friesland van een geladenheid sprake moeten zijn, waarvoor dr. de Jong geen enkel bewijs heeft geleverd. Verwijs is wel eens tegen deze of gene aangebotst en heeft een paar maal oneenigheid gehad. Maar welk temperamentvol jongmensch heeft dat niet? Zelfs al zou onomstootelijk vast staan, dat hij het O.L.B. geschreven had, dan zou ieder, die eenige menschenkennis heeft, nog moeten zeggen: Een geladenheid, die zich op zulk een wijze uit, moet toch wel een andere oorzaak hebben dan die speldeprikken, welke dr. de Jong naar voren brengt.
Was het Friesch Genootschap in de zestiger jaren inderdaad een gezelschap aan Frisomanie lijdende sukkels?
Mr. Boeles heeft o.i. duidelijk het tegendeel aangetoond en dr. de Jong heeft hiertegenover niet veel anders kunnen inbrengen dan het bestaan van een kring Jong Friesland (alsof het oprichten van dergelijke kringen sedert Disraeli’s Young England niet in de mode was). En dan voorts de oppositie van enkele leden van het Genootschap als Verwijs en Telting tegen het benoemen van den autodidact Colmjon als bibliothecaris-archivaris. Niemand zal op de gepubliceerde gegevens zich een juist beeld kunnen vormen van de spanningen welke er achter de zaak-Colmjon zaten. Een afdoend bewijs van bekrompenheid en Frisomanie, is het zeker niet dat een serieus onderzoeker, die later niet is tegengevallen en tegen wien niets kon worden ingebracht dan dat hij geen academische opleiding had genoten, in genoemde functie werd benoemd.
Voor een uitvoerige bespreking van des heeren de Jong’s hoogste troef, de z.g. Tanfana-kwestie, leent een couranten-artikel zich moeilijk. Ons heeft het laatste betoog van dr. de Jong volstrekt niet overtuigd en het lijkt ons niet moeilijk het te ontzenuwen.
⁂
En tenslotte nog iets over de vraag van de scheepstimmerman C. over de Linden, die auteur zou kunnen zijn. Tegen hem bestaan zeer sterke aanwijzingen. Hij had het handschrift onder zijn berusting, heeft getracht het te vervolgen, zijn familie wordt er in verheerlijkt, enkele van zijn denkbeelden vindt men erin terug.
Is hij inderdaad in staat geweest het te schrijven? Het lijkt ons hoogst moeilijk om zich omtrent een zoo gecompliceerde persoonlijk[heid] als C. over de Linden was, zeventig jaar na zijn overlijden een voldoende beeld te vormen om deze vraag met stelligheid te beantwoorden. Wat dr. de Jong te berde brengt over de stijl en spelling van den ouden heer C. kan echter moeilijk als bewijs dienen, dat deze tot een dergelijke prestatie niet in staat zou zijn. Iedere redacteur van krant of tijdschrift kan dr. de Jong met de stukken in de hand aantoonen, dat autodidacten, die nog meer met de Nederlandsche (of Friesche) taal op gespannen voet staan dan C. soms in staat zijn tot niet onbelangrijke literaire of wetenschappelijke prestaties.
En hiermee zullen wij eindigen. De stof is bij lange na nog niet uitgeput, maar ons betoog heeft reeds de normale lengte van een dagbladartikel overschreden. Een vergrijp tegen de journalistieke mos, dat wij in dit geval op ons durven nemen, daar het hier een kwestie betreft, die vele Friezen gedurende lange jaren sterk heeft geïnteresseerd.
d.J.
Noot
- ↑ In dit afschrift is gecorrigeerd: C.L. → C. (Over de Linden); inconsistente spelling van “OLB” is gehandhaafd.