NL208.17 Verdeeld
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/251] Toen de pest voor goed geweken was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen, gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich zelven geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen omdwaalden. Later hebben zij van het slavenvolk vrouwen geroofd, evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten, die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de algemeene vergadering. Askar had [253] reeds van Reintja vernomen, dat de Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden, en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole, dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
[Het overige ontbreekt.]
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 00a Hidde
Aangepaste volgorde:
[[{{{altback}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 02a Neem Je Stift