1978 Kanttekeningen - deel
in eigen beheer uitgegeven [in 1978]; 254 bl. 25 cm. met tekstillustraties
[voorlopig alleen inhoudsopgave en inleiding]
Kanttekeningen bij het Oera Linda boek
Een afspiegeling van de taalgeleerdheid, denkbeelden en schrijfstijl van dr. J.H. Halbertsma, doopsgezind predikant in Deventer.
[met bijlage: Grafologisch rapport van prof.dr. C.J. Böttcher]
| Hfdst. | Blz. |
|---|---|
| Inleiding | 5 |
| I. Wie is de maker | 7 |
| II. Halbertsma’s gedachten over de taalgronden | 24 |
| III. De taal van het Oera Linda Boek | 45 |
| IV. De tekst | 64 |
| V. De „Godheid Wralda” / Minno’s Geschriften — Jhr. Montanus de Haan Hettema en ds. R. Posthumus | 89 |
| VI. De Fries wetenschappelijke kringen en het Oera Linda Boek / Iets over de oud-Friese rechtsopvattingen | 115 |
| VII. Azië — de Paalwoningen — De longziekte — De gelukkige en de boze tijd | 136 |
| VIII. Dr. Eelco Verwijs, de Halbertsma’s en het Oera Linda Boek | 164 |
| IX. De Grave — Volney / Cornelis Over de Linden, zijn boekerij, toch weer Halbertsma | 183 |
| X. De Genese van de tekst en haar verklaring met behulp der woordenboeken en lijsten van de Haan Hettema, von Richthoven, Wiarda, Epkema, Halbertsma, Meijer, van Lennep, Winschooten e.a. | 200 |
| XI. Het handgeschreven Oera Linda Boek / De schrijver | 225 |
| Afkortingen e.d. in de tekst | 254 |
| Bijlage: Handschriftanalyse door prof. dr. C.J. Böttcher |
Inleiding
Vorig jaar heb ik in een beschouwing over de auteur van het Oera Linda Boek Ds. J.H. Halbertsma aangewezen als degene die deze geschiedschrijving van Friesland zou hebben volvoerd. Het was niet de eerste keer dat zijn kant werd uitgekeken. Enkele jaren tevoren had Drs. Obbema uit Leiden in zijn bijdrage aan het herdenkingsboek over Halbertsma (Brekker en Bouwer, p. 328) de gedachte geopperd, dat Dr. Eelco Verwijs zich ten huize van Ds. Halbertsma een ideale omgeving had geschapen om alleen of in vereniging met zijn gastheer de geheimzinnige kroniek te vervaardigen. Mijn keuze viel op Ds. Joost door de raad te volgen van Professor W. Hellinga, nu 15 jaar geleden gegeven in zijn causerie over het werkbezoek van hem en zijn studenten (w.o. Drs. Obbema) aan Friesland om de auteur van het Oera Linda Boek te ontmaskeren.
„Willen wij aan de weet komen”, zo besloot hij zijn boeiend betoog in de Prinsentuin, „wie onze man is, dan zullen wij de literatuur van vóór 1870 en van de 18e eeuw moeten kennen over de geesteswetenschappen, politiek, geschiedenis en archeologie. Tot nu toe heeft men verzuimd de ledige plekken in het materiaal te onderzoeken en men heeft geen oordeel over het zwijgen van bijzondere figuren. Wanneer en waarom zweeg Mr. Dirks, wanneer Ottema, waarom Eekhoff? Wij moeten uitgaan van de gegevens, niet van de mogelijkheden!”
Nu kan niet worden gezegd dat degenen die zich tot nu toe met dat onderzoek bezighielden volstrekt andere methoden volgden dan Professor Hellinga voorstelde. Neemt men de studie van Dr. de Jong over „Het geheim van het Oera Linda Boek” ten voorbeeld, dan heeft deze wel degelijk getracht een milieutekening te geven van alle omstandigheden, feiten, personen, denkrichtingen en plaatsbepalingen rond het Oera Linda Boek, zoals Professor Hellinga die wenst. Hij is evenwel zozeer overtuigd van het auteurschap van Dr. Verwijs, dat alle vraagpunten in diens richting worden omgebogen, wat hem doet ontsporen, hem althans niet geloofwaardig maakt.
Nu na honderd jaren de auteur nog onbekend is, leek het me verstandig te doen wat Professor Hellinga aanraadde en bovendien de stof zelve — d.w.z. de inhoud van ’t O.L.B. — meer te laten spreken dan tot nu toe geschiedde. Meer ook te denken aan een indirekte bewijsvoering, die door eliminatie wellicht zou leiden tot een kleine groep van mogelijke coupabelen.
Kritisch kijken dus naar letter — woord — zinsbouw — tekst en inhoud van een verhaal dat nogal saai, naïef en verward is en in het verleden menigeen van verder onderzoek heeft afgeschrikt. Bovendien waren zij die zich tot nu met het O.L.B. bezighielden, veelal reeds te voren op een vaste theorie verkocht. Dit belette hen het zien van tal van duidelijke, ja indringende aanwijzingen, dat we hier te maken hebben met een groteske satire, edukatief, emotioneel en uiterst intelligent van opzet, waarvan de onderliggende bedoeling om onthulling vraagt.
Ook Professor Hellinga wees op de esoterische bronnen van het Oera Linda Boek, waaruit de maker moet hebben geput; vindt dit — de genese van de tekst — het moeilijkste deel waaraan te weinig aandacht is besteed. Daarop nu besloot ik mijn onderzoek mede te richten.
Aanvankelijk leek me het opkomend en wederom afgaand modernisme een geestesrichting die me zou kunnen vertellen waar ik had te zoeken. Immers in vrijwel ieder hoofdstuk van ’t O.L.B. speelt de „moder”[1] een rol: „Moder — is nome” (O.L.B., p. 74) verdacht ik van synoniem met het modernisme, de „formlere” oudste leer volgens Ottema, deed denken aan de formulieren der kerkelijke richtingen en het literatuuronderzoek wees op de Dokkumer krans, de vrienden der waarheid, de Groninger richting, de steilgereformeerden, de fijne mennisten. Onder de namen der predikanten welke deze denkwijze voorstonden, vinden we Ds. Deenik, Ds. Carpentier Alting, Ds. Haverschmidt, namen die allen reeds eerder in verband werden gebracht met het Oera Linda Boek.
Dan gaan er verbindingen groeien met de mannen van het Frysc Selscip. De Harlinger onderwijzer en hoofdredakteur van het Provinciaal Friesch Dagblad — de heer J.F. Jansen — heeft in [5] Herre Gerrits van der Veen uit Driesum een competente dagelijkse berichtgever. Van der Veen, bevriend weer met Tjibbe Geerts van der Meulen uit Bergum, ligt in de clinch met baron van Sytzama, Grietman van Dantumadeel. Waling Dijkstra stapt door Friesland met zijn verhalen en zijn verzen en van der Meulen, Colmjon, Boonemmer en anderen stappen met hem mee. Het is ook de heer Jansen geweest die in 1867 de eerste bladzijden van het Oera Linda Boek van de huisschilder Siderius uit Harlingen, vriend van Cornelis Over de Linden, heeft ontvangen ter vertaling en deze bladen doorzendt aan Dr. Eelco Verwijs, archivaris/bibliothecaris van Friesland en bestuurslid van het Fries Genootschap.
Gaan ze allen vrij uit? Wij weten het niet, wat we wel weten is dat hun litteraire werk in geen enkel opzicht de hoogte bereikt die in het O.L.B. meermalen onze aandacht, gespannen houdt. Daarom alleen reeds zouden zij moeten afvallen ten ware ’t O.L.B. het werk van meerderen. Velen zouden dan voor de meer eenvoudige passages als schrijver kunnen worden aangewezen. Het getal dergenen die litterair wel aan hogere normen kunnen voldoen is niet groot, maar ze zijn er — als Eelco Verwijs, Mr. Dirks, Ottema, Telting, de Haan Hettema, Eekhoff, Colmjon en niet te vergeten Ds. J.H. Halbertsma.
Het is de 100-jarige herdenking van de sterfdag van Ds. Joost, de tentoonstelling in de Provinciale Bibliotheek, de beide kostelijke boeken die in dat jaar over hem zijn verschenen „Kent gij Halbertsma van Deventer” van Ds. J.J. Kalma en de uitgave van de Fryske Akademy „Joast Hiddes Halbertsma, Brekker en Bouwer”, welke ons terstond verplaatsen in de sfeer en het milieu van een erudiet man, die in zijn bibliotheek, in zijn werk en in zijn liefde voor Friesland, in haar taal en in haar historie, de stof ter beschikking had om een kroniek als het Oera Linda Boek te concipieren. Ook Verwijs had die mogeijkheden, eerst als huisvriend van Ds. Halbertsma, later als archivaris/bibliothecaris der Provincie Friesland, aan welk gewest Halbertsma reeds bij zijn leven grote delen van zijn bibliotheek schonk.
Van de anderen, die op litterair terrein hun mannetje stonden, zou ik willen zeggen dat zij de felle aandrift tot getuigen misten die bij Ds. Halbertsma zo spreekt.
Toen de eerste aanwijzingen kwamen dat vele van Halbertsma’s denkbeelden in ’t O.L.B. waren verwerkt, ja hele zinnen, onderwerpen, meningen, woorden e.d. door hem gedacht en gebruikt of uit boeken gekozen in zijn bibliotheek aanwezig, letterlijk in ’t O.L.B. waren terug te vinden, heb ik deze verzameld om te kijken tot welke konklusie dat zou leiden.
Dat betekende dat ik zocht uit te vinden in hoeverre achter de wat verwarde en dikwijls onsamenhangende verhalen, strekkingen waren verborgen, ideeën schuilgingen, toespelingen werden gemaakt, stelling werd genomen, agressie gepleegd, frustraties werden afgewenteld, verwarring en chaos gesticht, dan wel hoge idealen werden verkondigd of dichterlijke proza geschreven rondom Friesland, rondom de Friese taal.
De gedachte won daarbij veld, ’t geen ook Hof ons reeds verteld had, dat meerderen debet zouden zijn aan de compositie van het boek. Woorden als „palingar,[2] bannane, warande, joi en boi, wip en swik” en dergelijke geven het gevoel dat de auteurs zich over deze Friese Kroniek tezamen hebben verkneukeld.
Duidelijk is dat men getracht heeft zich aan een boodschap, aan een bepaalde opzet te houden, maar rond is de zaak niet gekomen.
Was ik aanvankelijk geneigd te denken dat de esoterische boodschap, de geheime bedoeling achter de tekst alleen de strijd om het Friese taalbehoud tot inzet had, onze auteur(s) hadden meer pijlen op hun boog. Vele zaken zijn aan de orde gesteld; niet alleen de taal, maar ook de historie, staatkunde, de religie, plaatselijke, provinciale en nationale toestanden worden openlijk of bedekt aangeduid en kunnen even zovele aanwijzingen zijn in welke richting wij de ontcijfering van de opzet hebben te zoeken. Daarbij bleek het voortdurend mogelijk terug te tasten op hetgeen Ds. Halbertsma had geschreven, had gedacht of wat in zijn nabijheid was geopperd. Ik heb gepoogd het gevonden materiaal in hoofdstukken te rangschikken, deze hebben alleen tot doel de identiteit van de schrijver vast te stellen. Meer niet.