NL047.06 Goede Tijd
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[67] Dit staat op alle burgten geschreven.
Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk behalve wij mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en ten westen aan de Middellandsche [69] zee, zoodat wij buiten de kleine rivieren wel twaalf groote zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg naar zijne zee te wijzen.
De oevers van deze stroomen werden bijna alle door ons volk bezeten, ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met eene burgtmaagd. Van daar wonnen wij koper en ijzer, benevens teer, pik en sommige andere benoodigheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun lijf te behouden., Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij bijna anders niet deden dan barnsteen jutten (aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten geheeten, om dat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die in de Hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten. [71] Daarenboven hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 07b Hoe Aldland Verzonk