Jump to content

NL144.17 Friso

From Oera Linda Wiki
Revision as of 17:29, 13 February 2023 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Ontwerp 2026 Ott

[144/17]

Overwijn 1951

Ottema 1876

[/197] Nu wil ik over Friso schrijven.

Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanders. Hij spotte met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.

Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die twijfelachtig was, daar heeft zij kwaad in gezien: daarom heeft zij in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en [199] listen der Golen en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij daarmede is te werk gegaan.

Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Staveren geweest was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helja geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als goede zeden.

Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.

Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust, en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens menschen in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan den zuidwestelijken hoek van Schoonland, daar ligt Lindasburgt, toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven staat. Alle kustbewoners [201] ners en ommelanders waren daar echt Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt meeren. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van de schepen der Pheniciers. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch burgtwapenen, om de roofschepen er uit [203] te houden. Dan moest gij er eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten, maar wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk dat tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren en smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats gekozen.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 16c Hulde en Argwaan