NL108.28 Rijn
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[/149] Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de menschen. Overal in den Rijn had men kribben gemaakt. Het zand dat daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen waren [151] er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en de booze menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine huiden zacht als vrouwenfilt. De Burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons, dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren, maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot aan Lydasburgt. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns, wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken [153] gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en de schouten bij nacht waren met goud omboord. Achter die vliet was eene gracht gegraven van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen, even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien, als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier, dat hij geveld [155] heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar bijna even dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders, met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel hebben aan onze rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen, eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
Einde van Apollonias Boek.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14a Tweede Erge Tijd