Jump to content

NL198.19 Bloed

From Oera Linda Wiki
Revision as of 08:21, 12 April 2024 by Jan (talk | contribs)

Ontwerp 2026 Ott

[198/19]

Overwijn 1951

[/163] Aan het Noordeinde van Brittannië, dat vol met hoge bergen is, daar zit een Schots volk, voor het merendeel van Toelisch bloed. Voor het ene deel stammen zij van de Kelten, voor het andere deel van vluchtelingen en bannelingen, die mettertijd allengs uit de tinlanden daarheen vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben allegaar buitenlandse vrouwen of van buitenlands ras. Zij zijn allen onder de heerschappij der Golen, hun wapens zijn houten bogen en pijlen met punten van hertshoorn, of ook van flint. Hun huizen zijn van zoden en stro en sommigen wonen in bergholen. Schapen, die zij geroofd hebben, zijn hun enige bezit. Onder de afstammelingen van de Kelten hebben sommigen nog ijzeren wapens, die zij van hun voorvaderen geërfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotse volk laten rusten, en iets van de dichtbije Krekalanden schrijven. De nabije Krekalanden hebben voorheen alleen aan ons toebehoord, maar sedert onheuglijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet. Van deze laatsten kwam eindelijk een hele hoop van Troje. Troje, zo heeft een stad geheten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de nabije Krekalanden (Italië) genesteld waren, hebben zij daar met tijd en vlijt een sterke stad met wallen en burchten gebouwd, Rome, (dat is Ruim) genaamd. Toen dat was gedaan, heeft het volk zich door list en geweld van het hele land meester gemaakt. Het volk, dat aan de Zuidzijde der Middellandse Zee (N. Afrika) huist, is voor het merendeel uit Phoinikië gekomen. [165] De Phoinikiërs (hier: Puniërs) zijn een bastaard volk. Zij zijn van Frya's, van Finda's en van Lyda's bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte mensen al het andere volk verbasterd en bruin gekleurd. Dit volk en dat van Rome (Romeinen) kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandse Zee. Voorts leven die van Rome in vijandschap met de Phoinikiërs (Puniers) en hun priesters, die het rijk alleen willen hebben op aarde, kunnen de Golen niet zien. Eerst hebben zij van de Phoinikiërs Missellja afgenomen, daarna alle landen die Zuidwaarts, Westwaarts en Noordwaarts liggen, ook het zuidelijk deel van Brittannië en allerwegen hebben zij de Phoinikische priesters, dat is de Golen, verjaagd. Daarop zijn duizenden Golen naar Noord Brittannië getogen. Kort geleden zat daar de opperste der Golen op de burcht, die Kerenak (Hoornburcht) heet, (dat is hoek), vanwaar hij zijn bevelen gaf aan alle Golen, (waarbij vooral Katten schr.). Ook was daar al hun goud bijeengebracht. (Uitverkoren of) Kerenak is een stenen burcht, die aan Kälta behoorde. Daarom wilden de burchtvrouwen van de nakomelingen der Kelten de burcht terug hebben. Zo was door de vijandschap van burchtvrouwen en Golen vete en twist over het bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen. Askar was dikwijls mee geweest. In stilte had hij met de burchtvrouwen en met sommige vorsten vriendschap gesloten en zich verbonden, om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weer terugkwam, gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen bogen. Er was tevens oorlog gekomen en kort daarna vloeiden stromen bloeds van de berghellingen. Toen Askar meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen op weg en nam Kerenak en de opperste der Golen met al zijn goud. Het volk, waarmee hij tegen de troepen der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt met beloften van grote oorlogsroof en buit. Dus werd aan de Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden als bergplaats voor zijn schepen, vanwaar hij later uitging, om alle Phoinikische (Punische) schepen en steden te beroven, die hij overvallen kon. Toen hij terugkwam, bracht hij bijna zeshonderd van de grootste knapen van het Schotse bergvolk mede. Hij zei, dat zij hem als borg waren gegeven, opdat hij zeker zou kunnen zijn, dat de ouders hem trouw zouden blijven. Maar dat jokte hij. Hij hield ze als lijfwacht aan zijn hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteren van allerlei wapens.

Ottema 1876

[/239] Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de Kelta-navolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, dat [241] is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche zee. Voorts leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud te zamen gebracht. Keren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen bloed bij [243] de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van allerlei wapenen.

Navigeer

Nl 19a Oorlogsvoorbereiding ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19c Reintje's Droom