Brieven L.F. Over de Linden
Zie uitleg bij Brieven Ottema. Zie ook Brieven C. Over de Linden.
Brieven zijn verzonden vanuit (Den) Helder, tenzij anders vermeld.
Brieven (nummering Luitse) 1, 2 en 4 worden verplaatst naar die van C. Over de Linden omdat deze weliswaar in het schrift getiteld “Correspondentie van L.F. (enz)” waren opgenomen, maar deze namens vader Cornelis waren geschreven (de zoon had een duidelijker handschrift). Brief 9-8-1874 (tweede in deze verzameling met stempel 7) is van Ottema en miste in diens verzameling, wordt dus teruggeplaatst.
Nummers na de datum zijn die van Luitse, met alleen het gestempelde nummer van Tresoar toegevoegd tussen haken indien dat afwijkt.
I. Aan Dr. J.G. Ottema (1871 en 1873-1877)
15-7-1871 / 3
WelEdel Zeer geleerde Heer,
In een der nommers van het "Nieuws van den dag" van de vorige week, komt onder de nieuwstijdingen eene aankondiging voor omtrent het Handschrift van mijn vader, naar wij vermoeden, uitgegaan van het "Friesche Genootschap" en door verschillende bladen overgenomen.
De belangstelling of nieuwsgierigheid om iets naders daarvan te weten te komen en de bekendheid van het bestaan van photografische afbeeldingen van eenige bladzijden, bezorgen mijn broeder en mij dagelijks bezoeken van vrienden en bekenden aan wier verlangen niet voldaan kan worden omdat het eenige exemplaar dat Vader daarvan heeft slechts zelden beschikbaar is.
Zoo mogelijk, zou U ons dus [zijde 2] grootelijks verpligten, indien U nog een paar exemplaren van de photografien mogt beschikbaar hebben, die aan ons te willen afstaan en toe te zenden. U voorloopig reeds mijn dank betuigende voor de inwilliging van mijn verzoek of voor den goeden wil daartoe, verblijf ik met de meeste hoogachting
WelEdele Zeer Gel. Heer UEd dw. Dienaar L.F. over de Linden. [wordt hierna weggelaten]
19-12-1873 / 5
WelEd. Zeer gel. Heer!
Onder mijne boeken vond ik een werkje, dat ik heden per post aan Uw adres verzond, getiteld: "Gedaante en gesteldheid van WestVriesland voor den Jaare 1300, &a, door Simon Eikelenberg, Ao. 1713", bevattende behalve eenige net-uitgevoerde kaarten, vrij wat bijzonderheden betreffende dat gedeelte van Nederland. Welligt is daarin nog het een of ander dat U interesseert. - Ik heb mijn best gedaan om kaarten te vinden van N. Holland ouder dan waarover U kunt beschikken, doch mijne pogingen zijn tot heden vruchteloos geweest. Door dit zoeken kwam ik echter in kennis met iemand, die door erfenis in 't bezit is gekomen van een bibliotheek grootendeels bestaande uit land- en plaatsbeschrijvingen. In hoeverre daarin iets te vinden zoude zijn dat U van dienst zoude kunnen wezen, kan ik niet beoordeelen, waarom ik de Catalogus ervan hierbij insluit. Moge er iets bij zijn dat U eens zoudt wenschen in te zien, dan zal ik dat ter leen vragen. Twee der boeken kreeg ik deze week ter inzage. Uit een daarvan schreef ik een gedeelte af, welk uittreksel ik hierbij voeg. 't Strekt al weder tot bevestiging van door U gemaakte onderstellingen, zoo ik meen.
Mijne hoogachting betuigende, verblijf ik gaarne
23-2-1874 / 6
WelEdel zeergel. Heer!
De wensch uitgedrukt in Uw laatsten brief aan mijn Vader, "dat zijn ongesteldheid spoedig mogt wijken", heeft geene vervulling gevonden. Integendeel hebben de rumatische aandoeningen zich hoe langs zoo meer uitgebreid en eindelijk de hersenen aangedaan waarop een verdoofden toestand is ontstaan die zich gisteren middag ten 5 uur in het overlijden van mijn dierbaren Vader heeft opgelost. Diep zijn wij hierdoor geschokt.
Overtuigd van Uwe deelneming in dit verlies verblijf ik met de meeste hoogachting,
22-4-1874 / 7
WelEdele zeer Gel. Heer!
De spoed door mij gemaakt, nadat ik zondag bekend werd met het verslag van de Vergadering van de Academie van Wetenschappen, - om mijn brief aan haar gereed te maken en te verzenden en U het afschrift daarvan zoo spoedig mogelijk te doen toekomen, maakte het mij ondoenlijk gevolg te geven aan mijn voornemen, U bij mijn eerste schrijven mijnen dank en die mijner familie te betuigen voor de deelneming met het voor ons zoo groot verlies, en voor de zeer welwillende bewoordingen omtrent mijn Vader. Zijn verlies zal door onze familie nog lang gevoeld worden, en evenzeer door het werkvolk, dat in hem een beschermer zijner regten vond, en waarbij hij door aanmoediging, teregtwijzing en het opwekken van gepasten naijver, den prikkel ten goede wist levendig te houden. Uwe woorden waren ons, vooral in die voor ons zoo droevige dagen, zeer aangenaam en weldadig.
Op Uwe vraag omtrent het door den Heer Turk gedane bod van £ 1000 namens een ons nog onbekend persoon, kan ik niet veel antwoorden. Ik weet niet om welke reden, maar toen ik er van hoorde, heb ik terstond getwijfeld off het met deze zaak wel ernst was. Die gedachte maakte mij wrevelig omdat ik het denkbeeld niet kon uitstaan dat een jong mensch als de Hr. Turk, mijn Vader en U, als menschen van leeftijd, tot voorwerp van zijn aardigheden zou willen maken, en had het stellige voornemen hem daarover mijne verontwaardiging te kennen te geven, ingeval mijne onderstelling in zijn antwoord bevestiging mogt vinden. Daarom heb ik na het overlijden van mjn Vader nog eenigen tijd gewacht, alvorens hem daarover aan te spreken. Een paar weken geleden heb ik hem ontmoet en hem gevraagd wie het bod van £ 1000 voor het H.S. had gedaan, terwijl wij met den bieder wel in onderhandeling wilden komen, waarop hij mij verzekerde, dat dit bod niet gedaan was, maar dat hij had gevraagd of mijn Vader het aan bedoeldenn heer tegen dien prijs zoude willen afstaan. Die heer was echter nu een reisje rond de wereld gaan maken, maar kwam later in deze gemeente terug en dan zou hij (Turk) hem van ons voornemen kennis geven.- Dit antwoord heeft mij dus in geen enkel opzigt eenige zekerheid verschaft, en 't is dus nog heel wel mogelijk dat alles een verzinsel is. Ik heb nu evenwel een plannetje, n.l. mij den naam van den bieder op te geven. Antwoordt hij alsdan schriftelijk, dan is hij in 't net, want dan moet hij óf den naam noemen, óf verklaren dat hij dien niet noemen mag. In 't eerste geval is de zaak in orde. In 't tweede geval erkent hij echter ook ('t zij dan waar of niet) dat het bod gedaan is, en zoude U van dit bod melding kunnen maken bij een eventuele verdediging; 't is dan aan hem om zich, desnoodig, daaromtrent nader te verantwoorden. Den uitslag deel ik U zoo spoedig mogelijk mede.
Het doet mij genoegen dat mijn schrijven aan de Academie Uwe goedkeuring wegdraagt. Ik heb er afschrift van gezonden aan mijne zwagers te Amsterdam, die het wel aan enkele belangstellenden zullen laten lezen. Wie ik het hier liet lezen, schaarden zich dadelijk aan onze zijde. Ik geloof dat deze ondoordachte handeling van de Academie meer goed dan kwaad zal doen, want het schrijven van den Heer Boot, waarvan het afschrift door U ontvangen zal zijn, maakt op mij den indruk dat hij voor zich wel wilde, dat die discussie niet had plaats gehad en dat hij zich niet gerust gevoelt over de mogelijke gevolgen. Mn zal toch ook tot eene verklaring dienen te komen, want mijn brief is niet van dien aard dat men er zonder antwoord af kan. Bovendien, nu hij als officieel stuk in de Vergadering wordt gebragt en de ontvangst door den Secretaris is erkend, hebben wij het steeds in onze hand om door middel van de dagbladen de geheele zaak te ontvouwen, des noods met toevoeging van de meerder gewenschte beschouwingen en toelichtingen.
Zoo even ontvang ik Uw schrijven van heden betreffende het voorstel van den Heer Kuipers om mijn schrijven in den vorm van een "Open brief" publiek te maken. - Ik vermoed dat het hiervoren bedoelde afschrift van den brief van den Heer Boot, dat ik gisteren middag aan U verzond, nog niet vóór de afzending van Uw schrijven, door U werd ontvangen, eerstens omdat U er geen melding van maakt, ten andere omdat ik mij voorstel dat U daarvoor voorlopig zoodanig bevredigd zoudt zijn geworden, dat eene publieke behandeling der zaak, althans mijnerzijds, vooralsnog minder raadzaam is. Ik veronderstel toch, dat ik in dat geval de leden zoodanig zal verbitteren, dat er van bijvallen hunnerzijds geen sprake meer zijn zal. Wordt de zaak niet dadelijk publiek, dan kunnen zij eerder gewonnen worden om, - nadat mijne voorkomenheid hun de gelegenheid gaf het H.S. zoo naauwkeurig mogelijk te bezien en te betasten - van boeg te veranderen, het slechte vaarwater te verlaten en koers te zetten in onze rigting.- En mogt het onverhoopt blijken dat zij daartoe geene geneigdheid bezitten en bij hun eens uitgesproken gevoelen willen blijven, dan zijn wij nog steeds in staat om door middel van de pers, hen publiek tot de nakoming hunner verpligtingen op te roepen.
Hoezeer mij het idee van een "Open brief" sterk aanlokt, en het mij geweldig spijt, mijn lust om hen publiek te antwoorden te moeten inbinden, vermeen ik toch in 't belang der goede zaak te handelen - vooral na de ontvangst van het schrijven van den Heer Boot - zoo ik U en den Heer Kuipers in overweging geef, de uitgaaf van den brief nog wat uit te stellen en eerst af te wachten wat de Vergadering van 18 Mei a.s. zal opleveren.
Veel genoegen doet het mij, dat de Heer Kuipers zooveel belang in de zaak blijft stellen. 't Blijkt dat wij nog geen enkele kampioen kunnen missen.
Mogt U nog een oogenblik tijd en lust gevoelen om mij met een paar regels mede te deelen of mijne beschouwingen al of niet met de Uwe overeenkomen, dan houd ik mij zeer aanbevolen.
Hoogachtend, en de beleefde groeten van mijne familie overbrengende, verblijf ik gaarne
6-5-1874 / 9 (8)
[bij 9 (8) gevoegde brief 6-5-1874 / (8) verplaatst naar II. Overig]
21-5-1874 / 10 (9)
7-8-1874 / 11 (10)
14-3-1875 / 12 (11)
(enz)
II. Overig
6-5-1874 / 8
Aan den Heer Professor J.C.G. Boot
Secretaris van de Afdg. &a. te Amsterdam
Helder, 6 Mei 1874.
Hoog Geleerde Heer!
Uw geëerd schrijven van 21 April jl is door mij in orde ontvangen. Een afschrift er van, evenals van mijn schrijven aan bovengemelde afdg., werd door mij verzonden aan den Heer Dr Ottema, door wien van mijn schrijven inzage werd verleend aan eenige belangstellenden. Om de kennisname te vergemakkelijken, heeft ZEd in overleg met mij een aantal exemplaren van mijn brief doen drukken (: als manuscript :) om aan bezitters van het boek en aan belangstellenden gratis uit te reiken.
Het berigt in de verschillende Couranten - overgenomen uit de Rotterdammer, waarin het 't eerst vermeld werd, en waarschijnlijk afkomstig van Ds Johs Dyserinck alhier, die Correspondent is van dat blad, - waarin gezegd wordt dat door mij is uitgegeven een "open (bare) brief aan de Afdg. Lett. der K.A.v.W.", is dus geheel onjuist. De afdrukken zijn niet in den handel en ook niet voor elk verkrijgbaar gesteld. Ik vermeende aan U en aan mijzelf verpligt te zijn, van deze omstandigheid melding te maken en U te verzekeren dat de plaatsing van het berigt geheel tegen mijne inzigten is.
Van deze gelegenheid wensch ik gebruik te maken, UHGel. beleefd te verzoeken om, ingeval de academie mogt besluiten van mijn aanbod tot overkomst met het H.S. gebruik te maken, der Vergadering tevens in overweging te geven, Dr Ottema uit te noodigen daarbij tegenwoordig te zijn. Mijn bijzijn kan toch geen ander nut hebben dan als geleider van het H.S., daar het mij niet mogelijk zoude wezen eenige andere inlichting te geven dan omtrent de wijze waarop het in mijns Vaders bezit kwam. Van de friesche taal versta ik geen woord. Voor het geval de Afdg. meer zoude wenschen dan alleen het H.S. te zien, zoude zij het meerdere aan Dr O. kunnen vragen.
Heden zal ik aan Dr O. schrijven of ZEd zoo goed wil zijn, wanneer de Afdg. hem daartoe uitnoodigt, de moeite te willen doen om, voor het opgegeven doel, naar Amsterdam te reizen.
Met de meeste hoogachting verblijf ik gaarne EUd Dw. Dienaar
(get.) L.F. over de Linden.