Jump to content

1908 Nog iets nieuws: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
No edit summary
No edit summary
Line 40: Line 40:


<u>Coll<sup>s</sup></u>. De Archivaris Bibliothecaris — (get.) <u>[[Eelco Verwijs]]</u>.
<u>Coll<sup>s</sup></u>. De Archivaris Bibliothecaris — (get.) <u>[[Eelco Verwijs]]</u>.





Revision as of 14:43, 18 August 2025

JJK 206 Eekhoff, J.T. - Nog iets over Thet Oera Linda Bok (met naschrift van C.P. Burger jr) - Ts. voor Boek- en Bibliotheekwezen VI, 1908, bl. 231-244.

Nog iets nieuws over «Thet Oera Linda Bok».

Na een rusttijd van ongeveer 25 jaar is de O.L.B.-kwestie weer herleefd, door het opstel van F. Bezemer Sr. in 1903 in «Noord en Zuid» verschenen en in 1997 herdrukt in zijn boek «Nieuws uit oude boeken», vermeerderd met een artikel «Toelichting betreffende den oorsprong en de eerste geschiedenis van het O.L.B.» Daarop zijn gevolgd een paar stukken in dit tijdschrift van de hand van Dr. C.P. Burger Jr. (Nos van Nov.- Dec. 1907 en Jan.-Febr. 1908). Een en ander bracht werkelijk iets nieuws. Zij bevatten namelijk mededeelingen ontleend aan brieven van den Heer Johan Winkler, vroeger Lid van het Bestuur van het Friesch Genootschap, die meent alléén nog in leven te zijn van allen die vroeger in de kwestie van het O.L.B. betrokken waren: «al de dramatis personae zijn overleden. Ik ben daarvan alleen over, heelemaal alleen!» (Hij vergeet daarbij Dr. Nanninga Uiterdijk te Kampen en de Heer Hugo Suringar thans te Wageningen). De Heer J.W. beweert alles omtrent het ontstaan van het H.S. te weten. Er zouden twee of drie «makers» er van geweest zijn: «drie onder één deken». Twee namen zijn reeds door den Heer J.W. geopenbaard, n.l. die van den Heer C. over de Linden zelf, die er dan toch meer van wist en die van Dr. E. Verwijs, die bepaaldelijk als doel zou hebben gehad den Heer W. Eekhoff, Archivaris van Leeuwarden er in te laten loopen. «Maar de mijn, hoe kunstig ook aangelegd, sprong verkeerd, waarbij de Heer C.o.d.L. slechts hun gewillig werktuig was. De man, op wien het was toegelegd bleef buiten schot, maar een ander, de Heer Dr. Ottema, werd het slachtoffer, de bedrogene, enz.» en verder «Verwijs had zekerlijk niet de hoedanigheden door U opgesomd, vooral niet de dichterlijke gave. Maar die gave had samensteller No 2 (Verwijs was No 3) juist in sterke mate.» Dr. Burger eindigt zijn artikel met de woorden: «Zoo zijn we dus niet heel veel verder gekomen, daar de hoofdvraag nu is geworden, wie de samensteller No 2 was. In afwachting van latere beantwoording dezer vraag, mogen wij den man m.i. om zijn kunde en zijn dichterlijke gaaf zeer hoog stellen.»

Nu de naam van mijn vader, geheel alleen op gezag van den Heer J.W. in de kwestie genoemd is, voel ik mij geroepen ook iets in ’t midden te brengen. 1o Door voor het eerst hier te publiceeren het Officiëele Rapport door den Prov. Archiv. Bibl. v. Friesland, Dr. E. Verwijs, 17 Dec. 1867 uitgebracht aan Gedeput. Staten van Friesland, naar aanleiding der reis in Nov. 1867 door hem op last van dat College naar Helder gemaakt, tot onderzoek van het H.S. van het [238] O.L.B., toen hij nog slechts van het bestaan daarvan had gehoord en na correspondentie met den Heer C.o.d.L.. Het begin dus van het begin! en 2o door Dr. Burger dien geheimzinnigen No 2 te noemen. Dat zou volgens den Heer J.W. zijn geweest Ds. F. Haverschmidt (Piet Paaltjes), van 1862-64 Herv. Predikant te Helder, die voor jaren er ook reeds mee was gedoodverfd.

14 Januari 1908 toch schreef mij de Heer Johan Winkler, o.m.:

Ik sta weer midden in de beweging en weet daar alles van — zoo van vroeger als van nu. Ik heb alles wat ik betreffende die zaak reeds van het begin af in mijn bezit had, en naderhand, door trouw verzamelen, verworven had, in een kistje bij elkander gepakt, en dit ten geschenke gegeven aan het Friesch Genootschap, onder beding: dat men dat kistje, (gevuld met allerhande bescheiden, brieven (ook door Verwijs aan mij geschreven), couranten- en tijdschrift-artikelen, enz. enz.) zou bewaren, om het eerst na mijnen dood te openen, en alsdan, waar believen, met den inhoud te handelen. Dat kistje is op die voorwaarde door ’t Genootschap aanvaard, en is nu te Leeuwarden aanwezig.

en verder:

De eerste aanleiding tot het ontstaan van ’t aandeel dat Piet Paaltjes in de bewerking enz. van ’t O.L.B. gehad heeft, is gemakkelijk te verklaren, na te gaan. P.P. was in dien tijd predikant bij de Ned.Herv. Gemeente aan den Helder, de woonplaats van den Heer Over de Linden. En ook het doel, dat P.P. er mee beoogde, is mij zeer duidelijk gebleken. Dit was echter een geheel ander doel dan ’t geen Eelco Verwijs daar later mèe voor had. Het doel van P.P. werd echter, zoo min als dat van E.V., geenzins bereikt. Maar genoeg van dit alles — de zaak verveelt en verdriet mij — vooral als men mij niet in alles wil gelooven — zooals de Heer Burger doet. Dus nogmaals — genoeg daarvan! Als ik dood zal zijn, wordt het O.L. boek weer levendig.

En 31 Januari 1908, in een tweeden brief, schrijft de Heer J.W. mij o.m.:

’t Blijkt daaruit dat dat geschrift (O.L.B.) omstreeks 1865 geschreven moet zijn, en dat komt ook al overeen met mijne wetenschap dienaangaande.

Alles veel betoog zonder eenig bewijs! Dr. Burger weigert hij ongeveer in de zelfde maand No 2 te noemen, en mij schrijft hij het bovenstaande omtrent dien No 2. (P.P.)! Doch wat zegt nu Ds. Fr. Haverschmidt zelf? Toen zijn naam voor jaren reeds genoemd werd, schreef Ds. Fr. Haverschmidt aan den Redacteur der «Zutphensche Courant»:

Wees zoo goed, mijnheer de Redacteur, en vertel aan uwe lezers, dat gij misgeraden hebt. Ik heb het Oera Linda Bôk nog niet eens gelezen, laat staan dat ik het geschreven heb. Anders, Dr. Ottema heeft mij zelf gezegd, ik mogt willen dat ik knap genoeg was om het te maken. Maar in dat geval zou ik er ook eerlijk voor uitkomen, want Dr. Ottema is nog een oud-leermeester van mij en ik houd ook veel te veel van hem, om hem te kunnen foppen.

Wat nu te zeggen van [239] Ds. Fr. H. indien Johan Winkler kan bewijzen, wat hij zoo bout beweert? «Zelfs het doel dat P.P. er mee beoogde is hem zeer duidelijk gebleken»! Met den Heer Dr. B. zeg ik: «Ik twijfel er hard aan»!

Wat nu het hierboven genoemde «Officiëele Rapport» van Dr. E. Verwijs betreft, zie hier den tekst:

Provinciaal Bestuur (Stempel) Leeuwarden 17 December 1867 No 87.

Hiernevens beb in de eer U den uitslag van mijne reis naar Holland en de daarvan verkregene resultaten medetedeeten.

De Heer Over de Linden toonde zich aanstonds zeer bereid mij zijn ganschen rijkdom van oud friesche stukken te laten zien, welke bestond:

1o Uit het raadselachtige handschrift, dat ongeveer 200 bladzijden in 4o bevat, doch waarvan het laatste gedeelte kennelijk ontbreekt. Het bestaat uit een samenraapsel van verschillende geheel onzamenhangende episodes, overleveringen enz., waarvan het moeilijk zal zijn zich een goed denkbeeld te maken vóór en aleer het geheel is afgeschreven. Vóór dien tijd waag ik mij ook niet aan een bepaald oordeel over de echtheid.

Te Leiden zijnde heb ik mij een ganschen morgen met Prof. de Vries met het Hs. beziggehouden, en ook later met den Heer te Winkel. Ontegenzeggelijk komen er een menigte zeer oude friesche woorden in voor, maar aan den anderen kant is de zegswijze zoo modern, mist zij zoo geheel en al de eigenaardige oude kleur, dat telkens weer twijfel oprijst. Een nauwkeurig chemisch onderzoek naar het papier, of het van katoen of linnen is, naar de gele kleur, of die er later is aangegeven enz., naar de inkt zal tevens moeten plaats grijpen, aleer men tot vaste conclusiën zal kunnen komen.

2o Uit een folio band van de dikte van een Statenbijbel, waarin een gedeelte in het Latijn, het begin eener kroniek is, en het eerste hoofdstuk over den naam der Friezen en hunne vrijheid, over Karel den Groote enz. handelt. Verreweg het grootste deel is in het Nederlandsch en bevat het vervolg der kroniek tot ongeveer het midden der XVIe eeuw. Van een los blad, dat mij reeds vroeger werd toegezonden, is afschrift genomen en de inhoud mede door de Heeren Buma en Eekhoff onderzocht. Het behelst bijzonderheden uit het Saksische tijdperk, die bij geen andere friesche geschiedschrijvers zijn opgenomen. Het schrift en papier zijn uit de XVIe eeuw, en aan onechtheid bij geen mogelijkheid te denken. De nadere kennis dezer tot nu toe, naar het schijnt, geheel onbekende kroniek, kan misschien zeer belangrijk zijn.

Ik trachtte beide Hss. in hun geheel van den eigenaar mede te krijgen, doch daartoe liet hij zich niet vinden. Hij eischte bepaaldelijk dat het oude Hs. eerst in zijn geheel voor hem werd vertaald. Was dit geschied, kende hij er den inhoud van, dan zoude hij er volstrekt niet tegen zijn; dat het Hs. werd uitgegeven, mits het maar niets bevatte dat zijne familie kon compromitteeren! Ik verzekerde hem tot nu toe niets van dien aard ontdekt te hebben, maar begreep dat ik met een onverzettelijk [240] karakter te doen had met een man, die niet zoude afwijken van het eens opgevatte voornemen. Ik beloofde hem dus het geheel voor hem te zullen vertalen, iets dat wel eenigen tijd zal vorderen, maar anders niet vele bezwaren in heeft, te oordeelen althans naar hetgeen reeds door mij er van is gezien. Dan eerst zal hij ook het andere Hs. afstaan, dat door een ervaren kopiïst met gemak kan worden afgeschreven. Het Friesch Genootschap zoude zich daarmede zeker gaarne belasten.

Mijn denkbeeld is nu mij vooreerst bezig te houden met het afschrijven en vertalen van het geheele oude handschrift, daar het mij dan eerst mogelijk zal zijn, een oordeel over de echtheid of onechtheid uit te spreken. Een chemische bewerking zal over dat punt wellicht meer licht verspreiden. Ook eene reproductie van een paar bladen door middel der photographie zal misschien hierover aanwijzingen geven. In allen gevalle, ’t zij het Hs. echt of onecht is, de moeite er aan besteed zal in allen gevallen niet geheel te vergeefs zijn. Zoodanig onderzoek zal natuurlijk tijd en arbeid vorderen, en de uitslag eerst later ter Uwer kennisse worden gebracht, daar ik mij voorstel in de werken van het Friesch Genootschap of op andere wijze er een breedvormig rapport over te geven, of het geheele Hs. met de vertaling uit te geven. Mijn toekomstig verblijf in Leiden, de hulp van de HH. de Vries en te Winkel zal de zaak niet schaden, maar naar ik hoop, bevorderen en over de duistere punten meer licht verbreiden.

Gaarne zal ik mij later, na mijn vertrek van hier, blijven belasten met den heer Over de Linden te correspondeeren, of persoonlijk met hem te onderhandelen, dat mij door de nabijheid van den Helder niet moeilijk zijn zal.

Hiermede meen ik mij van de taak te hebben gekweten, daar ik voor alsnog niet bij machte ben U meer bijzonderheden mede te deelen.

Colls. De Archivaris Bibliothecaris — (get.) Eelco Verwijs.


Aan Heeren Gedeputeerde Staten der provincie Friesland.

Had deze geleerde ook maar eenigzins aandeel gehad in het ontstaan van het H.S., zou hij dan als ambtenaar der Provincie, H.H. Gedeputeerde Staten hebben gevraagd om de reis naar Helder te mogen maken, op kosten der provincie, en dit Rapport hebben ingediend, zonder zijn karakter, eer en ambt in de waagschaal te stellen? En zou hij in dat geval: «zich een ganschen morgen met Prof. de Vries met het Hs. hebben bezig gehouden en ook later met den Heer te Winkel», wier collega bij de bewerking van het groot Woordenboek hij eerstdaags zou worden? Geloove wie ’t wil, maar dat zullen zeker weinigen zijn! Trouwens het geheele rapport sluit alle medewerking aan een falsificatie door Dr E.V. uit, tenzij men dat toch aannemend, hem alle karakter ten eenenmale ontzegt. Maar er is meer! Tallooze malen heeft Dr E.V. in der tijd in couranten-artikels enz. alle schuld ontkend, en ook Dr B. kan in zijn 1e artikel in dit tijdschrift [241] «niet gelooven dat V., als hij de maker was geweest, een brief had kunnen schrijven als die bij Bezemer op pag. 154 en 155 is afgedrukt». Volkomen juist! En hoe weinig kloppen inhoud van Rapport en van dien brief met elkaar! Maar bovendien is mij door informatiën bij tijdgenooten, vrienden, familie, enz. gebleken, dat er geen enkele gegronde reden bestaat aan te nemen, dat èn Dr E.V. èn Ds F.H. ooit zóó degelijke studie van de friesche taal hebben gemaakt, om een H.S. van 200 pag. in een zelf gevonden letterschrift bovendien,te kunnen maken,in een friesch waarover Jhr Mr De Haan Hettema, schrijver van het «Lexicon Frisicum» en van een friesche spraakkunst, in de Friesche Courant van 5 Sept. 1871, zulk een gunstig oordeel uitsprak, en hadden zij, die nooit in later jaren in één plaats woonden, tijd voor zulken tijdroovenden arbeid, nevens hunne vele ambtsbezigheden? Over al die kleinigheden wordt maar heengeloopen. Is de sage, wat Dr E.V. betreft te niet gedaan, dan vervalt van zelf ook, de slechts door den Heer J.W. gepubliceerde bewering, dat zijn toeleg zou zijn geweest er mijn vader in te laten loopen. Nu het den Heer Bezemer en den Heer Dr B. niet gelukt is den Heer J.W. zijn kistje-geheimen, «zijn bewijzen», te doen publiceeren, hoop ik dat bovenstaande hem daartoe nog zal nopen. Op pag. 158 en 159 van zijn «Toelichting» zegt de Heer Bezemer nog: «dat onze briefschrijver niet te bewegen is in deze voorloopig verder licht te ontsteken en wel om door het noemen der namen de nagedachtenis van de beide opstellers en ook dien van het bedoelde slachtoffer niet in opspraak te brengen en daardoor hunne kinderen niet te krenken». De Heer Bezemer voegt daarbij: «Met volkomen eerbiediging dezer edelaardige bedoeling» enz.

Waar zit hier het «edelaardige»? In het niet bij zijn leven maar wel na zijn dood «de nagedachtenis» en «hunne kinderen te krenken»? Een vreemdsoortige edelaardigheid! Maar zooveel wij er nu reeds van weten, geloof ik niet dat een en ander zoo’n vaart zal nemen, tenzij die HH. in hun correspondentie met den Heer J.W. een grappige rol hebben gespeeld, om hem zelf «die er alles van weet», er in te laten loopen, wat dan wel gelukt schijnt te zijn.

Het is eigenaardig, dat in geheel de litteratuur over de O.L.B. kwestie, (ik maakte er indertijd een bibliographie van ±350 boeken, brochures, tijdschrift- en couranten-artikels van), bijna altijd wordt gesproken over «de echtheid van het Hs.», in plaats van over «de oudheid van het Hs.», waarop het in deze toch aankomt. Het H.S. kan oud, zeer oud zelfs zijn, zonder dat de inhoud historisch waar is. Ook de Bijbel is oud, doch zijn alle er in voorkomende feiten en verhalen geheel naar de waarheid opgenomen? Ik acht mij niet bevoegd over den historischen inhoud, de originaliteit van het letterschrift, over de taal en over de al of niet oudheid van het papier en de inkt te oordeelen en laat een en ander dan ook geheel buiten beschouwing. Nu van de «drie onder [242] één deken» maar deze eene is blijven liggen, komen we op C. over de Linden terug.

In 1853 werden bij een bijzonder lagen waterstand, door Dr F. Keller voor het eerst de (in het O.L.B. vermelde) paalwoningen in Zwitsersche meeren ontdekt en in de «Mittheilung. d. Antig. Gesellschaft in Zurich», IXe Bd., 2e Abth., Heft 3, 1854, S. 79 u.s.w. behandeld. Nu ontving de familie O. de L. in Mei 1895, een uitvoerig schrijven, te uitvoerig om hier geheel mee te deelen, waarin de Heer W.M. Visser, Oud-kapt.luit. t./z., Inspecteur der stoomvaartdiensten in N.I., Oud-directeur van de Ned. Stoomb. Mij, te Rotterdam, een man die alligt geloofwaardig is, vertelt, dat hij als Adelborst 1e kl. den 23 Dec. 1854, met baas Over de Linden aan de Rijkswerf gewerkt heeft en toen reeds heeft geweten, dat de baas het voor hem onleesbare handschrift bezat. Een 40 jaar later van de O.L.B.-kwestie hoorende, stelde hij zich daarvan op de hoogte, herinnerde zich het H.S. bij baas O. de L. en vond in zijn dagboek den juisten datum terug, waarop hij tot de wetenschap kwam van het bezit des Heeren O. de L. Dit weten, in verband met de verklaring der 4 Heeren, Heldersche Rijks en Gemeente-Ambtenaren, van 10 Maart 1876, omtrent wier namen en ambten de Burgemeester van Helder certificeert, die verklaren te weten, dat het H.S. tusschen 1848 en 1850 bestond in de familie O. de L., reeds in het «Voorbericht» van de 2e uitgaaf van «Thet Oera Linda Bok» opgenomen, versterkt alweer de bewering, dat het H.S. vóór 1854 bestond te Helder. Zijn deze menschen nu alle ongeloofwaardig, of moeten alleen de Heer J.W. en de papieronderzoekers op hún woord «in alles worden geloofd»? Er is nog een aanwijzing die in billijke oogen kan gelden. Zouden de Erven O. de L., als zij niet ook vóór 1853 het H.S. hadden gezien, dus van de oudheid overtuigd waren, (de tegenwoordige bewaarder is de Heer L.F.o.d.L., Wethouder van de gem. Helder, bijna 70 jaar oud) een bod van £ 1000.— = f 12.000.—) hebben afgeslagen? Maar dat zijn familie-leden, geïntresseerden, die in het oog der kritiek‚ niet te vertrouwen zijn.

De volgende brief werd 17 Oct. 1872 geschreven door den Heer C.o.d.L. aan den Heer J. van Loon Jzn., Lid. v. Gedep. Staten, te Leeuwarden.

Helder, den 17 October 1872.

Wel Edel. Heer!

Tot antwoord op uw geëerd schrijven van den 14n October l.l. dient het volgende. Of het handschrift al of niet van de 13de eeuw is, zal bij mijn leven — ik ben bijna 62 — wel niet uitgemaakt worden. Was het de menschen om waarheid te doen, dan zou ik daar nog hoop op hebben; maar volgens mijn eenvoudige mening, willen de meesten het tot leugen maken, omdat zij liever de naam willen hebben, dat zij van Apen afstammen en hunne beschaving van roof- en moordzuchtige Grieken en Romeinen hebben verkregen, dan dat zij de Friezen de eer zouden gunnen beschaafd te zijn geweest, eer zij door die [243] volken zijn overheerd geworden. Daarbij geloof ik dat zij den Heer Ottema de eer niet gunnen, dat hij alleen in staat is geweest, de vertaling van het handschrift tot een goed einde te brengen. Ook meen ik dat er zijn die mij de eer misgunnen, van zulk een oud geslagt af te stammen, omdat zij er den draak mee steken. Dus alles jalousie. — Onder de bespottelijke courant-artikelen welke er, na het verslag van den Heer Ottema in de wereld zijn gekomen, was er echter een, dat om de geschiedenis van de paalbewoners, beweerde dat het stuk na 1853 geschreven moest zijn. Toen ik mij daarna van de zaak op de hoogte stelde, kreeg ik de overtuiging dat het handschrift echt moest zijn. Wat nu de pedante wereld er over denkt of zegt, gaat mij minder aan, daarom wil ik, na al de moeite, kosten en spot die ik er al om geleden heb, ook het genoegen smaken, de belangstellenden bij mij te zien komen, en er hun de inzage al of niet van toe te staan.

Uw dienstwillige dienaar — C. Over de Linden.

Ook deze brief bewijst niets, maar daar de Heer C.o.d.L., te Helder steeds als oprecht, waardig burger heeft bekend gestaan, mag toch met eenigen grond worden beweerd en aangenomen, dat dit schrijven geen brief is van iemand die, niet tegenstaande hij als ambtenaar en burger steeds als eerlijk en achtingswaard heeft gegolden, plotseling alle karakter heeft afgeschud en bedrieger is geworden, onder de meest onwaarschijnlijke omstandigheden. Trouwens voor 30 jaar is dit punt reeds behoorlijk toegelicht. Op nog iets wensch ik te wijzen. Het andere Latijnsch-Nederlandsch H.S., in het Rapport (hiervóór) vermeld, dat ook in de familie O.d.L. door Dr. V. werd gevonden «behelst bijzonderheden uit het Saksische tijdperk, die bij geen der andere friesche geschiedschrijvers zijn opvenomen». Dit tweede H.S. is later door het Friesch Genootschap uitgegeven als de «Kroniek van Worp van Thabor». Aan de echtheid (oudheid) van deze volgens het Rapport «geheel onbekende kroniek» is nooit getwijfeld, hoewel ook in het zelfde huis gevonden. Was dit ook al geen bewijs, dan toch zeker een sterke aanwijzing voor de oudheid der familie O.d.L., en verhoogt het vinden van het tweede H.S. bij hem, toch zeker ook eenigzins de waarschijnlijkheid van het bestaan van goede trouw bij den Heer C. over de Linden.

Ik hoop door een en ander toch «Nog iets nieuws» te hebben aangebracht, dat aanleiding kan geven tot nader onderzoek in de kwestie. Wordt alléén goede trouw en eerlijk onderzoek aan de ééne zijde verondersteld en aangenomen, dan is daarop weinig hoop!

Den Haag, Juni 1908. — J.T. Eekhoff.

Naschrift.

Moeten we den heer Winkler «in alles gelooven»? Dit is dunkt mij wel wat veel verlangd. Geen twijfel is er m.i. dat hij in zijne mededeelingen volkomen ernstig en te goeder trouw is. Maar dit kan ons [244] hoogstens verplichten tot opschorting van ons oordeel. Zijne meedeelingen komen druppelsgewijze langs den weg van particuliere brieven, en de bewijsstukken moeten ten gevolge van zijne eigenaardige beschikking verzegeld blijven. Zoolang we die niet zien, mogen we wel degelijk waarde hechten aan aanwijzingen in tegengestelden zin. Zoo blijkt dunkt mij, uit het verslag van Verwijs weer opnieuw dat hij vrij zeker veeleer aanvankelijk dupe van het oude handschrift is geweest, dan een van de makers er van. Maar tegen de argumenten in een gesloten kistje is het moeilijk redeneeren. Het zal dus misschien het best zijn, de zaak voorloopig te laten rusten.

AmsterdamC.P. Burger Jr.