Jump to content

Nico Luitse: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
No edit summary
Line 53: Line 53:
Op mijn brief aan Drs. W.F.M. Brieffies van 6-9 ontving ik prompt antwoord van de heer P.A. Boon, met bijlage. Copie van dit antwoord zond ik met brief van 10-9 aan het Rijksarchief in Noord-Holland en wederon kreeg ik prompt antwoord van de heer Van Felius dd 1-9. Bijgaand copieën van de brieven van 8, 10 en 11 september.
Op mijn brief aan Drs. W.F.M. Brieffies van 6-9 ontving ik prompt antwoord van de heer P.A. Boon, met bijlage. Copie van dit antwoord zond ik met brief van 10-9 aan het Rijksarchief in Noord-Holland en wederon kreeg ik prompt antwoord van de heer Van Felius dd 1-9. Bijgaand copieën van de brieven van 8, 10 en 11 september.


Ik zal dus een bezoek gaan brengen aan het Rijksarchief in NH te Haarlein om te zien of ik een gelukkige hand heb. Ik ben bang dat ik het niet zonder een wichelroede zal kunnen stellen...
Ik zal dus een bezoek gaan brengen aan het Rijksarchief in NH te Haarlem om te zien of ik een gelukkige hand heb. Ik ben bang dat ik het niet zonder een wichelroede zal kunnen stellen...


Een andere vraag is bij mij gerezen. Wie hebben die aantekening van de dijkgraaf/maire uit 1799 nog meer gezien en zouden daarvan kunnen getuigen? Zou je daar eens je gedachten over kunnen laten gaan? We moeten toch alles doen wat in ons vermogen ligt, om het bewuste stuk boven water te halen?
Een andere vraag is bij mij gerezen. Wie hebben die aantekening van de dijkgraaf/maire uit 1799 nog meer gezien en zouden daarvan kunnen getuigen? Zou je daar eens je gedachten over kunnen laten gaan? We moeten toch alles doen wat in ons vermogen ligt, om het bewuste stuk boven water te halen?

Revision as of 10:52, 7 June 2025

Nico Luitse

Nicolaas (Nico) Luitse, geboren 4 juni 1918 Rotterdam en overleden 22 januari 1992 Den Haag deed decennialang onderzoek naar Oera Linda met speciale aandacht voor de briefwisselingen en nalatenschap van Jan Ottema.

Hij correspondeerde met andere onderzoekers, hield lezingen, schreef Dossier Oera Linda en maakte afschriften van o.a.

  1. de gehele briefwisseling tussen Ottema en Cornelis over de Linden, resp. zoon Leendert F. over de Linden;
  2. Ottema's aanzet tot woordenboek en grammatica van de Oera Linda.

Een artikel van Luitse werd posthuum afgedrukt in Vrijzinnig Vizier (feb. 1994).

Een één uur durende radiouitzending (RVU 1994) over Oera Linda werd door maker Peter te Nuyl ter nagedachtenis opgedragen aan Nico Luitse.

Luitse’s Oera Linda verzameling en archief werden door een van zijn zoons ter beschikking gesteld aan Stichting Oera Linda op 23 mei 2025.

brieven

23-8-1989

[uit Den Haag, aan W. Vleer]

Beste Wigholt,

Ik heb begrepen, dat je geen vriend van De Goede bent. Hierbij stuur ik je een fotocopie van August Heyting's Het geheim van het Oera-Linda-Boek, een merkwaardig handschrift, uitgave onder begunstiging van de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil, Den Haag 1941. Graag t.z.t. retour.

Die aantekening van De Goede's voorvader van 1799 interesseert me zeer. Ik heb geen idee, hoe ik daaraan zou kunnen komen. Hoe gaat een journalist te werk, die een Nederlander, die professor in Bandoeng werd en daarna naar Nederland terugkeerde en stierf, maar een zoon (met waarschijnlijk een schat aan documenten en boeken) naliet, zou willen traceren, als hij dat belangrijke stuk absoluut nodig meent te hebben voor een artikel waar zijn opperste baas op staat? Ik heb in de KB in de Who's who?'s gezocht, maar tevergeefs. De adresboeken voor N.O.Indië lopen tot 1941. Zou ik het Dept. van Justitie moeten benaderen? Wat vind je ervan?

Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuigd raak, dat een boekverkoper te Enkhuizen, die een dijkgraaf en maire in zijn winkel krijgt, zo iemand niet iets op de mouw gaat spelden t.a.v. een oud handschrift, dat hij absoluut niet wil verkopen, omdat het, zoals hij zegt, al generaties lang een familiebezit is. Wanneer hij het handschrift zelf gemaakt zou hebben, zou hij er niet zo mee omgaan, dunkt me. Maar goed, of hij heeft het zelf gemaakt, of het was werkelijk een oud handschrift, beide mogelijkheden dienen nagetrokken, en, als dat niet kan, opengehouden te worden. Naar beide kanten volledig open!

Ik acht Jürgen Spanuth zeer hoog. Hij baseert zijn Atlantisonderzoek op de dialogen van Plato Timaios en Kritias. Een van de grootste problemen is de datering. De egyptische priesters hebben het over 8000 à 9000 jaar geleden, d.w.z. vóór Solon's aanwezigheid in Egypte. Op grond van tal van steekhoudende argumenten stelt hij, dat het hier niet om zonomkeringen maar om maanomkeringen gaat, d.w.z. dat die grote getallen door 13 gedeeld moeten worden, wil men zonnomkeringen krijgen. Zodoende komt hij tot de datering van ca. 1200 v.Chr., ondersteund door tal van archeologische vondsten.

F.J. Los komt in Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle, 1972, tot de conclusie, dat de twee delen van het OLB, wat de datering betreft, vóór de later aangebrachte paginering, verwisseld moeten zijn. Met zijn plausibele reconstructie komt hij voor de tijd van de Verzinking van Atlantis op dezelfde tijd als Spanuth uit. Ik vind jouw genealogische vondsten, de brievenpublicatie van Molenaar en de herordening van de OLB-delen door Los in overeenstemming met de datering van de Verzinking van Atlantis door Spanuth tesamen van doorslaggevende betekenis voor de nieuwe benadering van het OLB.

De papier-onderzoekingen van Ottema zijn, voorzover ik weet, nimmer serieus bestreden. De tegenstanders van de echtheid stelden zich tevreden met uitspraken van Muller en Smidt van Gelder, die misschien wel deskundigen op toen modern papier, maar niet op zeer oud papier waren. Er zijn latere gegevens over de papiergeschiedenis niet in aanmerking genomen. Je zegt, dat Hellinga in zijn lezing naar voren gebracht heeft, dat inkt en papier van vóór 1830 zijn, [2] zonder daarbij de ondergrens aan te geven. Kun je mij aan de tekst van die lezing helpen? Je zegt, dat hij het onderzoek (het hele onderzoek?) staakte, na (door jouzelf? hoe, wanneer?) te zijn ingelicht over Johannes over de Linden. Graag meer bizonderheden!

Je zegt verder, dat het werk werd voortgezet door Obbema. Ik meen begrepen te hebben, dat Van der Meij doorgegaan is op de nasporingen van Obbema en dat zijn Kanttekeningen daarvan het — uitermate betwistbare — resultaat vormt. Jij vindt toch ook, dat Van der Meij op een verkeerd spoor zit en dat moet ook wel, als je vasthoudt aan het gegeven, dat Johannes Jans het handschrift in handen had, dat via zijn jongere broer Andries bij diens kleinzoon Cornelis terecht is gekomen.

Ottema's taalkundige onderzoekingen zijn evenmin nader onderzocht als de taalkundige kritiek van Colmjon, Leendertsz en Beckering Vinckers. Bovendien: niemand is nog doorgegaan op de idee, dat er in de oudheid onderscheid moet hebben bestaan tussen een moedertaal en een vadertaal, een taal gebruikt in de gewone omgang, fris en concreet, en een kanselarijtaal, neigend naar abstracte termen. Alleen Los maakt melding van vrouwenkritiek: “mannen zijn te zeer met zichzelf ingenomen,” had een eenvoudige vrouw uit Hoofdplaat na lezing van zijn boek tot hem gezegd, “ze hebben een te geringe dunk van vrouwen, dan dat het mogelijk geacht zou kunnen worden, dat een vervalser uit de 18de eeuw een verhaal heeft verzonnen waarin vrouwen een zó dominerende rol spelen als in het O.L.B.” (Het Oera Linda Boek een geschiedbron? 1973, 22).

Nog een vraag: kan ‘adellijke afstamming’ hiet in de plaats gekomen zijn van ‘Adela's afstamming’? Daarop kon de familie Over de Linden zich toch beroemen, zonder zich de hoon van de adel op de hals te halen?

Ook over de denkmethodes van de verdedigers en de bestrijders van het oude handschrift is nog wel het een en ander op te merken. De verdedigers zijn blij met nieuwe gegevens, die de wereld voor hen groter maken; zij denken ‘lateraal’, hun horizon wordt ruimer, hun hypothetische standpunt hoger; de bestrijders zijn niet blij, zij gaan uit van een vaststaand standpunt (ze denken ‘verticaal’ en hun kennis groeit niet in de breedte) en wat niet onder dat vaste punt te brengen valt, moet wel vals zijn. Hun uitgangspunt is — voor het onderzoek van een horizonverwijdend gegeven — vals, maar dat kunnen zij zelf niet zien. Zij kijken ook naar de grond voor hun voeten, in plaats van naar de horizon die groter wordt naarmate zij zich hoger verheffen. Sinds wij vliegtuigen en satellieten hebben, hoeven we niet meer met beide benen op de grond te blijven staan!

Het is wel zo, dat wanneer wij van een vliegtocht op aarde terugkeren, de anderen niet alles kunnen begrijpen wat wij gezien hebben. Daarom moeten wij hen uitnodigen zelf in het vliegtuig te stappen. Ik heb aardig wat van de OLB-literatuur doorgewerkt, maar niemand heeft het nu eens con amore opgenomen voor die uitnemende leraar, die in zijn Voorbericht uitriep: “Men leze ook wat ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige Aanteekeningen, de Koniklijke Akademie en het OLB en de Deventer Courant en het OLB. Doch dat is juist wat men niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen, dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek.”

Een ernstig (en onpartijdig) onderzoek kan iedereen beginnen!

[evt. rest ontbreekt in PDF bestand]

13-9-1989

[uit Den Haag, aan Vleer]

Beste Wigholt,

Op mijn brief aan Drs. W.F.M. Brieffies van 6-9 ontving ik prompt antwoord van de heer P.A. Boon, met bijlage. Copie van dit antwoord zond ik met brief van 10-9 aan het Rijksarchief in Noord-Holland en wederon kreeg ik prompt antwoord van de heer Van Felius dd 1-9. Bijgaand copieën van de brieven van 8, 10 en 11 september.

Ik zal dus een bezoek gaan brengen aan het Rijksarchief in NH te Haarlem om te zien of ik een gelukkige hand heb. Ik ben bang dat ik het niet zonder een wichelroede zal kunnen stellen...

Een andere vraag is bij mij gerezen. Wie hebben die aantekening van de dijkgraaf/maire uit 1799 nog meer gezien en zouden daarvan kunnen getuigen? Zou je daar eens je gedachten over kunnen laten gaan? We moeten toch alles doen wat in ons vermogen ligt, om het bewuste stuk boven water te halen?

(...) Hier stormt en regent het en worden we overspoeld met berichten over de moeizame kabinetsformatie en het afbrokkelend Oostblok enz. enz. Het lezen in het OLB kan onder deze omstandigheden enig comfort geven — vooral als je in de echtheid gelooft!

Gaarne weer van je horend, en groetend,

18-10-1989

[uit Den Haag, aan Vleer]

Beste Wigholt,

(...) Bij de post alleen een dikke erveloppe van de Provinciale Bibliotheek van Friesland, met weer een aantal interessante fotocopieën. O.a. een artikel van W.Gs. Hellinga (Hernieuwing van de OLB-studie, 1960) en een artikel van dezelfde in de Leeuwarder Crt. (van 8-1-1959). Ik had de heer Zeinstra gevraagd om een fotokopie van Hellinga's eindrapport, maar wat ik kreeg stamt kennelijk uit de beginperiode van het onderzoek. Ook in het artikel in de Grote Winkler Prins wordt niet van een eindrapport gesproken. Vreemd.

De heer Zeinstra schreef mij, dat Mw mr N.M. de Goede-Lodder tot voor enkele jaren in Leeuwarden werkzaam was als kinderrechter, terwiil ze woonachtig was te Grouw. Intussen had ik al uitgevonden, dat zij thans in Leeuwarden woont. Ik heb haar geschreven en opgebeld. Zij deelde mij mee, dat miet alles van haar man in het Haarlemse archief terecht is gekomen. Zij zou voor mij na terugkeer van haar vacantie zoeken naar een dossier OLB, of correspondentie uit de jaren 40, speciaal met betrekking tot het stuk uit 1799. Wij spraken af, dat ik haar volgende week zal opbellen. Ik zal je berichten wat het resultaat is van mijn verdere nasporingen.

Gaarne van je horend,