Brieven L.F. Over de Linden: Difference between revisions
No edit summary |
tm brief over Od |
||
| Line 5: | Line 5: | ||
Brieven (nummering Luitse) 1, 2 en 4 worden verplaatst naar die van [[Brieven C. Over de Linden|C. Over de Linden]] omdat deze weliswaar in het schrift getiteld “Correspondentie van L.F. (enz)” waren opgenomen, maar deze namens vader Cornelis waren geschreven (de zoon had een duidelijker handschrift). Brief 9-8-1874 (tweede in deze verzameling met stempel 7) is van Ottema en miste in diens verzameling, wordt dus teruggeplaatst. | Brieven (nummering Luitse) 1, 2 en 4 worden verplaatst naar die van [[Brieven C. Over de Linden|C. Over de Linden]] omdat deze weliswaar in het schrift getiteld “Correspondentie van L.F. (enz)” waren opgenomen, maar deze namens vader Cornelis waren geschreven (de zoon had een duidelijker handschrift). Brief 9-8-1874 (tweede in deze verzameling met stempel 7) is van Ottema en miste in diens verzameling, wordt dus teruggeplaatst. | ||
Nummers na de datum zijn die van Luitse, met alleen het gestempelde nummer van Tresoar toegevoegd tussen haken indien dat afwijkt. | Nummers na de datum zijn die van Luitse, met alleen het gestempelde nummer van Tresoar toegevoegd tussen haken indien dat afwijkt. Code ‘m’ staat voor minuten (niet verzonden origineel of kopie, bewaard door briefschrijver). | ||
== I. Aan Dr. J.G. Ottema (1871 en 1873-1877) == | == I. Aan Dr. J.G. Ottema (1871 en 1873-1877) == | ||
| Line 119: | Line 119: | ||
=== 29-3-1875 / 13 (12) === | === 29-3-1875 / 13 (12) === | ||
WelEdele zeer Gel. Heer! | |||
Ik betuig U mijn dank voor de bereidvaardigheid waarmede U mij de gevraagde ophelderingen omtrent de vermoedelijke afkomst van onze Cijfers hebt verschaft en voor het eergisteren van U ontvangen werkje: "Naar aanleiding van Thet Oera Linda Boek &a", dat mij bij de lezing opnieuw hetzelfde genoegen verschafte als ik reeds ondervond bij de lezing van de feuilletons in de Deventer Courant. Wie toch de schrijver zou zijn? Is 't U nog niet gebleken, of kunt U het niet gissen? De uitgever <u>J. de Lange</u> schreef mij het niet te mogen melden. Jammer dat de uitgever het werkje niet méér annonceert, want 't is wel in staat de belangstelling in het O.L.B. in ruime mate te vermeerderen. In de Heldersche Courant heb ik voor eigen rekening de verschijning er van aangekondigd. Zou de Heer <u>Kuipers</u> het niet eenige malen in de Leeuwarder Ct. willen doen? Wie het boekje leest en het O.L.B. nog niet kent zal ongetwijfeld verlangst krijgen er kennis mede te maken, en de Heer <u>Kuipers</u> zoude daardoor alligt meerder debiet verkrijgen van het O.L.B. | |||
Uwe beide laatste brieven heb ik ter lectuur gegeven o.a. aan den Correspondent voor den Helder van het Handelsblad. Hij verzocht mij daarvan gebruik te mogen maken tot het zamenstellen van een artikel voor genoemd blad. Ik vond geen reden dit te weigeren, integendeel acht ik het nuttig door gedurige bespreking de belangstelling op te wekken en gaande te houden; het boek moet niet doodgezwegen worden. | |||
Ik heb al eens gedacht het H.S. publiek ter bezigtiging te stellen, bijv. in Amsterdam in een der zalen, tegen een gering entree ten voordeele van een of ander liefdadig doel. Wat dunkt U daarvan? Ik geef het stuk niet uit handen, anders ware het doel gemakkelijker te bereiken. | |||
En nu heb ik nog een verzoek. <small>[rest overgenomen uit de minute]</small> Dr Verwijs zoude zeggen: "Ik begin veeleischend te worden," maar ben dat met het vertrouwen iets goeds te willen. 't Is n.l. dit. Als bewaarder van het H.S. zoude ik daarvan gaarne zoveel mogelijk een en ander toevoegen wat daarop betrekking heeft. In de eerste plaats wilde ik gaarne bij het Handschrift bewaren de portretten van U, van de Hr Kuipers en van mijn vader. Heb dus de goedheid mij verlof te geven een portret van U te bestellen met opgaaf van den naam van den photograaf. De portretten die mijn vader indertijd van U en den Heer Kuipers ontving zijn door mijne moeder in haar verzameling behouden en medegenomen. In 't vertrouwen dat u dit verzoek wel zult willen toestaan, en na u de vriendelijke groete mijner familie te hebben overgebragt, verblijf ik met de meeste hoogachting | |||
=== 9-5-1875 / 14 (13) === | === 9-5-1875 / 14 (13) === | ||
WelEdele zeer Gel. Heer! | |||
Uw geëerd schrijven vergezeld van Uw portret kwam behoorlijk in mijn bezit. Vriendelijk dank daarvoor. Het portret, zoomede dat van den Heer Kuipers, eergisteren per post door mij ontvangen, verkreeg de toegedachte plaats. | |||
De Heer Kuipers wenschte voor zijne portefeuille betrekkelijk het O.L.B. ook een conterfeitsel van mij te bezitten; daarvoor zal ik zorgen. Voor 't oogenblik kan ik daaraan evenwel niet voldoen; de paar portretten van mijzelf die ik op 't oogenblik beschikbaar heb, zijn van veel jeugdiger leeftijd. Voor het opgegeven doel laat ik liever een paar nieuwe maken; zoo spoedig deze gereed zijn, zal ik er een paar zenden, waarvan één ter beschikking van U. | |||
Tot heden vond ik in 't Handelsblad geen stuk van onzen Correspondent, omtrent de cijfers van 't Alhambra. Wat daaraan houdt [?] weet ik niet; alle vereischte documenten voor de zamenstelling van het berigt heb ik ten gebruike gegeven. Den Correspondent heb ik sedert niet weêr gesproken. Welligt acht de redactie de zaak van te weinig gewigt; men oordeelt zoo verschillend. | |||
Uit bijgaanden brief aan den Boekhandelaar <u>Laurey</u> alhier, blijkt anders dat er nog af en toe nieuwe vereerders van het O.L.B. bijkomen. Ik heb den Heer <u>Laurey</u> aangeraden aan het bestelde nog toe te voegen de Deventer brochure; hij zou dit doen. - Heb s.v.p. de goedheid, na lezing, den brief aan den Heer Kuipers ter lectuur te geven en hem mij later bij gelegenheid terug te zenden. | |||
Omtrent de te houden lezing door Ds. Grottendieck vernam ik nog niets. Ik heb ZEd deze week geschreven dat ik, zoo hij daarop gesteld mogt zijn, bij de lezing tegenwoordig zoude zijn met het H.S., ten einde belangstellenden gelegenheid te geven het eens te zien. | |||
Ontvang de vriendelijke groeten van mijne familie en de verzekering van ware hoogachting | |||
=== 29-8-1875 / 15 (14) === | === 29-8-1875 / 15 (14) === | ||
WelEd. zeer Gel. Heer! | |||
Sedert mijn laatste schrijven, vereerde U mij achtereenvolgens met de laatste aflevering van het Werk Frieslands Oudheden en met de Duitsche vertaling van het werkje: "Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok", terwijl ik vooraf nog van U ontving de Leeuwarder Courant waarin de Zwolsche geleerde, Uw academievriend, het Handschrift behandelt en met de Koninklijke Academie afrekening houdt. Ik dank u zeer voor deze geschenken, die mij zeer aangenaam waren. Wat jammer dat Uw vriend tot heden achterwege bleef met het vervolg op zijn eerste stuk in de Leeuwarder. Mogten er meerdere stukken verschijnen dan houd ik mij ten sterkste aanbevolen voor de door U toegezegde toezending. | |||
Ik ben eindelijk in staat U mijn portret te kunnen aanbieden, dat hiernevens gaat; dat het zoo lang onderweg is, ligt aan den photograaf, door wien de tijdige afzending werd verzuimd. | |||
Mijn broeder, onlangs uit Oost-Indië gearriveerd, heeft verzocht, tot hetzelfde doel, een portret van hem bij mijn brief in te sluiten, dat U mede hierbij zult vinden. | |||
Wat heb ik sedert weken met verlangen uitgezien naar het verslag van hetgeen de HH. <u>Beckering Vinckers</u> en <u>Nanninga Uiterdijk</u> omtrent de bewijzen tegen de echtheid van het O.L.B., op het Congres te Maastricht, zouden te berde brengen; en wat ben ik teleurgesteld door den Verslaggever van de Nieuwe Rotterdammer, die niets meedeelt maar zich bij den aanhef al aanstonds doet kennen als een verklaard tegenstander, dien het bijna te veel is dat hij het punt aanroert en zijn afkeer van het H.S. op de grofste wijze aan den dag legt. De indruk van hetgeen over het O.L.B. werd gesproken, was bij hem - en naar hij veronderstelde, ook bij de overige hoorders - dat men een geheel uur lang laauw water op de haarlooze hersenpannen van de hoorders had laten druppelen; en, zegt hij verder, wie daarna nog aan de onechtheid twijfelde, is niet te behelpen, zelfs niet te Meerenberg. 't Komt mij voor dat hij bij 't schrijven van het verslag nog onder den indruk van de druppels verkeerde. Akeliger verslag kon al moeyelijk gegeven worden. Maar wie zijn nu eigenlijk die HH <u>Beckering Vinckers</u> en <u>Nanninga Uiterdijk</u>. Omtrent den eerste hoorde ik vertellen dat hij alle europesche talen kent en van zijn grondige taalkennis zelf zoodanig overtuigd is dat hij daaruit den moed heeft geput om, eenige jaren geleden, in vier talen een werkje uit te geven als recensie op Engelsche geschriften, en daarin herhaaldelijk de engelsche taalgeleerden het verwijt naar het hoofd slingert, dat zij hun eigen taal niet kennen. 't Lijkt wel een kamper ui! Ik geloof graag dat zo'n man binnen 't halfuur voorgoed de kwestie omtrent de al- of niet-echtheid van het O.L.B. uitmaakt. Van den Heer <u>Nanninga</u> kwam ik geene bijzonderheden te weten. Beide heeren zullen U waarschijnlijk wel in hunne kwaliteit van geleerden bekend zijn. Wat ik wel eens weten wilde is, welk denkbeeld zulke menschen toch aan het H.S. vastknopen. In hun oog is 't bedrog; maar hoe lossen zij op wat door U reeds herhaaldelijk is gevraagd: door wien, wanneer en met welk doel werd dit gepleegd? | |||
Ds Grottendieck laat niets van zich hooren; gepasseerde week werd mij evenwel verteld door een Zee-officier, die tijdens zijne non-activiteit in Alkmaar heeft gewoond, dat Gr. in het afgeloopen voorjaar zijne lezing heeft gehouden. Uit de bijzonderheden merkte ik op, dat hij daarbij ruim gebruik heeft gemaakt van de feuilletons uit de Deventer Courant. Welligt is het daaraan toe te schrijven dat hij niet de beleefdheid had mij tot bijwoning der Vergadering uit te noodigen. Vreemd is het dat hij mij het boek en de verdere bescheiden die ik hem ter leen gaf, niet terugzendt. | |||
De Heer <u>Kuipers</u> deelde mij in zijn laatste schrijven mede dat U het denkbeeld niet vreemd was om de gemeente <u>Helder</u> eens te bezoeken. Ik vlei mij dat U uitvoering aan dat voornemen zult geven en alsdag bij mij zult willen logeren. Wanneer U mij vooraf Uwe komst meldt, zal ik zorgen vrijen tijd te krijgen. De Gemeente Helder bevat wel niet veel schoons en belangrijks, maar toch wel het een en ander dat iemand uit een binnenstad niet alledaags zal voorkomen. | |||
Bijzonder aangenaam zal het mij zijn spoedig eenig berigt van U te ontvangen en te vernemen welken indruk de Maastrichtsche geschiedenis op U gemaakt heeft, en hoeveel gewigt, naar Uwe meening, de geleerde wereld aan de uitspraak van de Kamper geleerden hecht. | |||
Ontvang deze in gezondheid en zijt welmeenend gegroet door mijne familie en door UEd Dw. Dienaar L.F. over de Linden. | |||
=== 29-9-1875 / 16 (15) === | === 29-9-1875 / 16 (15) === | ||
WelEd. Zeer Gel. Heer! | |||
Uw geëerd schrijven van 3 deze kwam in mijn bezit en ga ik heden beantwoorden. | |||
De broeder, wiens portret bij het mijne gevoegd was, heet <u>Anton Jan</u>; hij is hoofdmachinist bij de Koninkl. Nederl. Marine. | |||
De namen van mijne broeders en zusters en van mijzelf zijn: | |||
* <u>Cornelis</u>, (onderwijzer, in O. Indië overleden). | |||
* <u>Leendert Floris</u>, (Schrijver dezes) Adjunct Commies bij de Marine. | |||
* <u>Floris Jan</u>, Werktuigmaker, in Noord-Amerika. | |||
* <u>Anton Jan</u>, bovengenoemd. | |||
* <u>Hendrika</u>, gehuwd met H.A. van Heusden, adviseur bij de Levensverzeke ringmij "Nederland" te Amsterdam. | |||
* <u>Anna</u>, gehuwd met <u>N.M. Bergman</u>, onderwijzer te Amsterdam. | |||
tezamen dus een halfdozijn. | |||
Omtrent een in te stellen genealogisch onderzoek betreffende mijne voorouders te Enkhuizen, heb ik al meermalen gedacht, en er zou wel wat aan gedaan kunnen worden, wanneer mijn neef, aan 't Secretarie aldaar werkzaam, voorondersteld kon worden lust genoeg te bezitten om de oude registers na te pluizen. Hij is evenwel geen "over de Linden", zijne vrouw wel. Ik twijfel daarom of hij in deze ambitieus genoeg zou zijn. Toch wil ik het hem vragen, omdat ik vrees dat mijn plan, om het zelf te ondernemen, wel wat lang op verwezenlijking zal moeten wachten; de Marine verleent den ambtenaren niet veel verlof, en ik zou zeker meer noodig hebben dan een paar dagen. | |||
De lust heeft mij bekropen, de HH <u>Beckering Vinckers</u> en <u>Nanninga Uiterdijk</u> te schrijven. Een brief, op scherpen toon, lag reeds voor verzending gereed, toen het mij raadzamer voorkwam een anderen weg in te slaan. Ik schreef toen volgens hierbijgaande kopie, en ontvang daarop heden de mede hierbij gaande missive van den Heer <u>B. Vinckers</u>. De man schijnt bijzonder knap te wezen en wijst zichzelf de eerste plaats aan onder de taalgeleerden. Kwesties, als die over de echtheid van 't O.L.B. schijnen voor hem wissewasjes te zijn, doch in zijne schatting door anderen niet uit te maken. Zeer nieuwsgierig ben ik, wien zij als vervaardiger van het H.S. op 't oog hebben. 't Zal toch stellig iemand moeten zijn die een plaatsje op onze stamboom behoort in te nemen. Welke geleerde van voor eenige eeuwen dat zijn zal? Ik hoop dat zij den naam zullen noemen, dan zijn ze er zeker het eerst aan toe een gek figuur te maken. Door algemeenheden zouden ze 't stellig ver kunnen brengen het H.S. heel verdacht te maken; maar door er een naam aan te verbinden van een of ander geleerde, dient ook alles bij nader onderzoek te strooken en te passen. Mogt het dan blijken dat zij te dien opzigte zich zeer vergist hadden, dan zijn ze ook voor al het overige het vertrouwen kwijt. | |||
Heb s.v.p. de goedheid den brief van den Hr Vinckers ter lectuur te geven aan den Heer <u>Kuipers</u>, dien ik binnen kort zal schrijven en een beloofd portret zenden. | |||
Dat ik gaarne verneem welken indruk de brief op U gemaakt heeft, behoef ik U stellig niet te verzekeren. Bij de terugzending houd ik mij aanbevolen dit te mogen vernemen. | |||
In afwachting daarvan verblijf ik met de meeste hoogachting, | |||
=== 1-1-1876 / 17 (16) === | === 1-1-1876 / 17 (16) === | ||
WelEdele Zeer Geleerde Heer! | |||
Terwijl een nieuw jaar zijn loop begint zet ik mij neder om eenig nieuws met betrekking tot het O.L.B. mede te deelen. Vooraf breng ik U de nieuwjaarsgroeten van mij en mijne familie. Moge het nieuwe jaar U de ruimste stof opleveren tot een dankbaren terugblik op Uw leven en werken, U meer en meer de erkentelijkheid van Uwe tijdgenooten doen ondervinden voor hetgeen door U in 't belang van de Wetenschap werd verrigt en U nog dikwijls gezond en met nog jeugdigen ijver voor de studie een nieuwen jaarkring tegemoet doen gaan! | |||
In bijgaande brieven van de HH N. Uiterdijk en Ds Haverschmidt zult U het nieuws vinden dat ik omtrent het O.L.B. heb mede te deelen. | |||
Het afschrift van den brief van den Heer Bolhuis aan den Hr. Eekhoff heeft mij bij de lezing onaangenaam aangedaan, omdat naar mijne opvatting, den nagedachtenis van mijn vader, met zijn scherpen blik, helder oordeel en steeds onderzoekenden geest, daain groot onregt wordt gedaan. Hem voor te stellen als een lummel, die zich, op eene wijze als door Bolhuis wordt voorgesteld, als een groote lompert kan laten beetnemen, was mij dermate hinderlijk, dat ik besloot aan die onderstellingen een einde te maken. Met opgaaf van deze gronden heb ik mij daarop tot den Heer Haverschmidt gewend, met verzoek, zich langer het schrale genot te ontzeggen om een gedeelte van het publiek in den waan te laten, dat hij schrijver of mede-opsteller zoude zijn van het H.S., hem voorts in overweging gevende dat door hem eene verklaring zoude worden opgesteld en geplaatst in een of ander veelgelezen tijdschrift of dagblad. Welk gevolg dit verzoek heeft gehad zult U uit den brief van den Heer H. lezen. Hij ontkent dat Piet Paaltjens - die vroeger tusschen de biljarten verdween - ooit aan den Helder is geweest. Dit moge zoo zijn, omdat Piet later misscheien is opgegaan en Ds Haverschmidt er van deze een bestanddeel is geworden; maar dan is eene verklaring van den laatste ook de eenig vertrouwbare omtrent Piet Paaltjesns daden. | |||
Welk gebruik ik zal maken van de mij in handen gegeven verklaring, heb ik nog niet kunnen vaststellen, en ik wil in dat opzigt ook niets doen zonder daarover Uwen raad te hebben ingewonnen. Heb dus s.v.p. de goedheid mij met Uwe betere inzigten van dienst te zijn en des noodig over den brief van Ds H. te beschikken. In elk geval hebben wj een wapen méér ter verdediging opgedaan. | |||
De brief van N.U. is kaaltjes; en mijn dadelijk gerezen vermoeden dat het hem zomin als <u>Beckering Vinckers</u> ernst was een afzonderlijk stuk over het H.S. in druk te doen verschijnen, schijnt bevestigd te worden, althans zag ik het tot heden niet aangekondigd. | |||
Mijn zwager uit Amsterdam meldde mij in de vorige week dat volgens verzekering van den uitgever <u>Seyffardt</u>, de engelsche vertaling van het O.L.B. verschenen is. De aankondiging er van trof ik echter niet aan. | |||
De Navorscher waarover U vorigen brief handelde heb ik niet kunnen bemagtigen. Dit geschrift schijnt hier geen lezers te hebben. | |||
Ds. Grottendieck laat mijn herhaalde verzoeken om terugzending van het geleende onbeantwoord. 't Zal mij benieuwen of het hem ook verwondert als ik hem in een eerstvolgende schrijf dat deze bejegening mij verwondert. | |||
Mij voor Uw gewenscht wederschrijven aanbevelende verblijf ik na vriendelijke groeten ook namens mijne familie | |||
=== 7-1-1876 / 18 (17) === | === 7-1-1876 / 18 (17) === | ||
WelEd.Z.Gel. Heer! | |||
Den 2den dezer werd ik zeer aangenaam verrast door Uw pakketje, waarbij mij door tusschenkomst van den Heer Kuipers, een groot portret van mijn Vader, door U wordt cadeau gemaakt. Dubbel aangenaam om het daardoor gegeven bewijs dat mijns Vaders nagedachtenis bij U nog steeds in eere is. Zoowel voor 't een als voor 't ander, breng ik U mijn hartelijken dank. | |||
't Zal U zeker vreemd voorkomen dat ik na de ontvangst van een zoo gewenscht geschenk, niet daelijk berigt heb gegeven van de goede overkomst. Tot opheldering daarvan deel ik U mede dat ik eenige dagen van huis ben geweest en eerst heden gelegenheid vond deze te schrijven. | |||
Mijn brief van 1 dezer, met ingesloten brieven van de HH Uiterwijk en Haverschmidt, is zeker door U ontvangen. Ik hoop niet dat ik tegen Uw inzigten heb gehandeld door den inhoud van dit schrijven van den Heer Bolhuis van Zeeburch aan den Hr. Haverschmidt mede te deelen. De vrijheid daartoe putte ik uit de aansporing van B.v.Z. om tot mij de vraag te rigten, of mijn Vader in betrekking heeft gestaan met P.P. en of deze laatste ook schrifturen van mijn Vader ter lezing heeft gehad. Die vraag gaf als vanzelf aanleiding dat ik mij tot P.P. mogt wenden om diens verklaring uit te lokken. Toch wilde ik van diens antwoord geen gebruik maken zonder daarover U geraadpleegd te hebben. | |||
Ik wist niet dat U slechts een klein portret van mijn Vader bezit. Er bestond steeds een in grooter formaat, doch ten voete uit. Ik veronderstelde dit reeds in Uw bezit. Nu dit niet het geval is zal ik U daarvan deze week een nog voorhanden exemplaar zenden. | |||
Juist terwijl ik deze schrijf ontvang ik Uwe geëerde van gisteren met de brieven van Uiterdijk en Haverschmidt, en bemerk dat mijn late schrijven reeds aanleiding gaf tot het vermoeden dat het portret niet bezorgd werd. 't Spijt mij dat ik onwillekeurig U en den Hr. Kuipers onnoodige moeite heb veroorzaakt. Verschooning daarvoor s.v.p. | |||
't Zou mij niet verwonderen, wanneer de door U medegedeelde bijzonderheid bekend wordt, dat P.P. een leerling van U is, er nog weêr eens een kamper optreedt met de bewering, dat er nu geen redelijken grond van twijfel meer bestaat dat P.P. de schrijver is van 't O.L.B. en er niemand eerder bereid en meer geschikt kan zijn om als tusschenpersoon op te treden tot het in de wereld brengen der mystificatie. 't Boek schijnt toch niet anders te mogen zijn, of liefst nog wat erger. Waartoe anders de vleijende bijvoeging van 't woord "berucht", dat sommige onmogelijk in de pen of in de mond kunnen houden wanneer zij over het boek schrijven of spreken. In het verslag omtrent het taal- en letterkundig Congres, door den Heer I.H. de Beer geleverd in de October-aflevering van het Leeskabinet, worden slechts 2 reges gewijd aan de vermelding van hetgeen de HH B.V. en N.U. van het H.S. hebben verhaald. Hoe weinig plaatsen ook voor dit onderwerp werd ingeruimd, toch moest daarvan nog een gedeelte gebezigd worden door 't scheldwoord "berucht". En waarom berucht? Kwaad deed het boek toch niet; het verkondigt niets dan goeds. Of wordt het misschien zoo slecht bejegend door hen wier geweten bij het lezen op te harde proef wordt gesteld, of die bij de wetenschappelijke behandeling er van, welligt fiasco maakten? Ik wenschte wel te weten waar mijnheer <u>de Beer</u> woont, om hem deze vragen eens voor te leggen en hem te verzoeken mij aan te toonen in welk opzigt het boek <u>berucht</u> is, of, zoo hij dit niet kan, zijn scheldwoord in te trekken. Mogt hij verkiezen daarop niet te antwoorden, dan zoude ik de Redactie van 't Leeskabinet willen verzoeken, die vragen in een der eerstvolgende afleveringen op te nemen, opdat het lezend publiek mogt weten hoe ligtvaardig men in 't oordeelen te werk gaat en hoe slecht men wordt voorgelicht. | |||
Grottendieck denk ik binnen kort met een bezoek te overvallen. | |||
Met betuiging mijner hoogachting verblijf ik na vriendelijke groete, steeds gaarne | |||
=== 18-1-1875 / 19 (18) === | === 18-1-1875 / 19 (18) === | ||
WelEd. Zeer Gel. Heer! | |||
Het portret mijns Vaders bedoeld in mijn vorig schrijven, heb ik het genoegen U hierbij aan te bieden. Ik hoop dat het U welkom moge zijn. | |||
De heer <u>Grottendieck</u> was de vorige week aan den Helder en bragt zelf het boek en andere stukken die ik hem ter leen gaf, terug. Hij kwam echter op een uur dat ik niet thuis was en voegde daarom zijn visitekaartje bij het pakket. 't Speet me wel dat ik niet thuis was; de mogelijkheid om hem mijne verwondering te betuigen over zijn stilzwijgen op mijn herhaald schrijven, werd mij daardoor benomen. | |||
Is U ook bekend of Ds. <u>Leendertz</u> in den Navorscher de stukken plaatste die U daarin verwachtte. Mogt dit zoo zijn en U de nommers weten, heb dan de goedheid mij die bij eerstvolgend schrijven op te geven [Ottema tekent daarbij aan: December 1875]. Ik zal dan pogen die afzonderlijke nommers te verkrijgen, waarvoor wel gelegenheid schijnt te bestaan. | |||
Het portret door mij aan den Heer Kuipers gezonden, is zeker wel in orde overgekomen. | |||
Bijzonders valt van hier niet te melden. Evenals bij U hebben wij hier de voorgaande week volop ijsvermaak gehad, en 't heeft mij als groot liefhebber verscheidene uren gekost zoodat de afdoening van sommige zaken en ook het schrijven dezer, van den eenen dag tot den anderen werd verschoven. Bij de Marine is het bovendien vrij druk met het oog op de mogelijkheid dat het verschil met Venezuela niet tijdig mogt worden bijgelegd. | |||
Ontvang de vriendelijke groeten mijner familie nevens de betuiging mijner bijzondere hoogachting. Steeds gaarne, | |||
=== 23-1-1876 / 20 (19) === | === 23-1-1876 / 20 (19) === | ||
WelEdele Zeer Gel. Heer! | |||
Even als U, heeft de Heer <u>Sandbach</u> ook aan mij, door tusschenkomst van den Heer <u>Hora Siccama</u> eene engelsche vertaling van Thet O.L.B. ten geschenke gezonden. Ze werden zeker gelijk verzonden, want even nadat ik mijn vorige aan U op het postkantoor had bezorgd werd het boek mij terhandgesteld. 't Engelsch gewaad staat het boek zeer netjes; de drukker heeft mede zijn best gedaan voor een aangenamen vorm. Wat de vertaling betreft schijnt Uwe onderstelling juist dat die hier en daar nog al vrij is; ik wilde wel dat Uwe meening omtrent mijne meerdere bekendheid met de engelsche taal even juist was; dit is echter zoo niet. Een kennis van mij, de Heer J.F. Berk, Hoofdonderwijzer alhier, heb ik geraadpleegd en deze vond al dadelijk op pag. 12-13 daarvoor 't bewijs, alwaar ''"Haat trad tot haar binnen"'', bij lange na niet woordelijk is overgezet. | |||
Omtrent datzelfde gedeelte van het H.S. schreef hij mij heden een brief. Zijne beschouwingen, daarin vermeld, komen mij nog al belangrijk voor en zeker de moeite der mededeeling waard, waarvoor ik zijn brief hier in afschrift laat volgen.<blockquote>Amice! | |||
Bij 't bestuderen der Oud-germaansche Mythologie kwam 'k ten aanzien van een donkere plaats uit Thet Oera Linda Bok tot de volgende beschouwing: | |||
1. Thet Oera Linda Bok, pag. 12 (13): | |||
''Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem, opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen waren, kregen zij vermaak en genoegen en de dromen van Wralda. Haat'' (de friesche text zegt Od) ''trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf dochteren, elke juultijd een paar.'' | |||
2. Dr L.S.P. Meyboom. De godsdienst der oude Noormannen. 1ste stuk, p. 264: | |||
''Zijn (Oðin) naam is afkomstig van Vada, onv. verl. tijd Oð, doordrongen, 't zij zachtkens of met geweld, en verwant met Oð, woede. Oorspronkelijk zal de naam van den god Wuot of Oðr zijn geschreven. Hij doet Oðin kennen als den allesdoordringende, d.i. in de eerste plaats de god der lucht, en vervolgens de alles doordringende geest der natuur, de scheppende en vormende kracht, die den menschen en alle dingen vorm en schoonheid verleent en zich betoont als bron van alle hoogste goederen en gaven, zoowel in zinnelijken als zedelijken zin.'' | |||
3. Dr Meyboom, enz. p. 265. | |||
''En Thriðti voegde er bij: Oðinn is de oudste en hoogste van alle Asen; hij heeft macht over alle dingen, en hoe machtig de andere goden ook zijn, zij dienen hem toch zoo als kinderen hunnen vader.'' (Dit is genomen uit de 20ste daemisaga der Gylfagenning) | |||
4. Karl Simrock, Handbuch der Deutschen Mythologie, 4. Aufl. p. 153: | |||
''God heet Allvader, niet alleen in de jongere Edda en Hrafnagaldr 1, waar men Christelijken invloed vermoeden mag, ook Grimuism 47 en Helgakwidag II, 38, dus in de oudste liederen is 't een bijnaam van Odin.'' | |||
5. Simrock u.s.w. p. 153. | |||
''Bij de Schepping verborg zich Allvader; in de wereld komt Odin in z'en plaats; de verjongde (de wereld na den godenstrijd) beheerscht hij als de onuitgesproken God die eens komen zal.'' | |||
6. Dr Meyboom enz. p. 265. | |||
''Oðin heet Allfödr, omdat hij de vader van alle goden is.'' | |||
Door deze aanteekeningen ben 'k tot 't volgende besluit gekomen: | |||
Wralda is Allfödr (alvader); Odin is Od; Wralda en Od zijn dezelfde personen; Od is dat gedeelte van Wralda dat zich met de menschen en met de wereld bemoeit. | |||
Een voorbeeld vonden we nog in den Joodsch-christelijken godsdienst, waar 't <u>Woord</u> (gr. logos) dat gedeelte van 't wezen der godheid is, 't welk zich met de wereld afgeeft. Adres aan 't Evangelie van Johannes, Hst. I:1). | |||
De zinnen van 't Oera Linda Bok: ''zij kregen vermaak en genoegen in de droomen van Wralda'', en: ''Haat'' (?) ''trad tot haar binnen'', beteekenen precies hetzelfde. | |||
Het woord Od, uit de friesche text mag als eigennaam niet vertaald worden. | |||
Welnu, Amice, 't was me een genot dat 'k de verklaring van deze mij nog altijd duistere plaats uit 't schoone Oera Linda Bok meende gevonden te hebben. Heb ik gedwaald, dan heeft me deze dwaling een aangenaam oogenblk te meer verschaft bij 't doorlezen van 't boek. | |||
Helder, 23 Januari 1876 (get.) J.F. Berk.</blockquote>Van de mythologie weet ik niet genoeg om de waarde van het betoog te beoordeelen. 't Is wel zeker dat bij deze beteekenis van 't woord Od de aangehaalde plaats meer zin krijgt. Haat heb ik daar nooit goed weten te stellen. De heer <u>Berk</u> zoowel als ik wenschen gaarne te weten wat Uwe opinie omtrent deze zaak is. Beleefd verzoek ik U daarom, mij die bij gelegenheid te willen mededeelen. | |||
Met de vriendelijkste groeten, verblijf ik steeds gaarne | |||
=== 5-3-1876 / 21 (20-22) === | === 5-3-1876 / 21 (20-22) === | ||
Revision as of 14:16, 28 May 2025
Zie uitleg bij Brieven Ottema. Zie ook Brieven C. Over de Linden.
Brieven zijn verzonden vanuit (Den) Helder, tenzij anders vermeld.
Brieven (nummering Luitse) 1, 2 en 4 worden verplaatst naar die van C. Over de Linden omdat deze weliswaar in het schrift getiteld “Correspondentie van L.F. (enz)” waren opgenomen, maar deze namens vader Cornelis waren geschreven (de zoon had een duidelijker handschrift). Brief 9-8-1874 (tweede in deze verzameling met stempel 7) is van Ottema en miste in diens verzameling, wordt dus teruggeplaatst.
Nummers na de datum zijn die van Luitse, met alleen het gestempelde nummer van Tresoar toegevoegd tussen haken indien dat afwijkt. Code ‘m’ staat voor minuten (niet verzonden origineel of kopie, bewaard door briefschrijver).
I. Aan Dr. J.G. Ottema (1871 en 1873-1877)
15-7-1871 / 3
WelEdel Zeer geleerde Heer,
In een der nommers van het "Nieuws van den dag" van de vorige week, komt onder de nieuwstijdingen eene aankondiging voor omtrent het Handschrift van mijn vader, naar wij vermoeden, uitgegaan van het "Friesche Genootschap" en door verschillende bladen overgenomen.
De belangstelling of nieuwsgierigheid om iets naders daarvan te weten te komen en de bekendheid van het bestaan van photografische afbeeldingen van eenige bladzijden, bezorgen mijn broeder en mij dagelijks bezoeken van vrienden en bekenden aan wier verlangen niet voldaan kan worden omdat het eenige exemplaar dat Vader daarvan heeft slechts zelden beschikbaar is.
Zoo mogelijk, zou U ons dus [zijde 2] grootelijks verpligten, indien U nog een paar exemplaren van de photografien mogt beschikbaar hebben, die aan ons te willen afstaan en toe te zenden. U voorloopig reeds mijn dank betuigende voor de inwilliging van mijn verzoek of voor den goeden wil daartoe, verblijf ik met de meeste hoogachting
WelEdele Zeer Gel. Heer UEd dw. Dienaar L.F. over de Linden. [wordt hierna weggelaten]
19-12-1873 / 5
WelEd. Zeer gel. Heer!
Onder mijne boeken vond ik een werkje, dat ik heden per post aan Uw adres verzond, getiteld: "Gedaante en gesteldheid van WestVriesland voor den Jaare 1300, &a, door Simon Eikelenberg, Ao. 1713", bevattende behalve eenige net-uitgevoerde kaarten, vrij wat bijzonderheden betreffende dat gedeelte van Nederland. Welligt is daarin nog het een of ander dat U interesseert. - Ik heb mijn best gedaan om kaarten te vinden van N. Holland ouder dan waarover U kunt beschikken, doch mijne pogingen zijn tot heden vruchteloos geweest. Door dit zoeken kwam ik echter in kennis met iemand, die door erfenis in 't bezit is gekomen van een bibliotheek grootendeels bestaande uit land- en plaatsbeschrijvingen. In hoeverre daarin iets te vinden zoude zijn dat U van dienst zoude kunnen wezen, kan ik niet beoordeelen, waarom ik de Catalogus ervan hierbij insluit. Moge er iets bij zijn dat U eens zoudt wenschen in te zien, dan zal ik dat ter leen vragen. Twee der boeken kreeg ik deze week ter inzage. Uit een daarvan schreef ik een gedeelte af, welk uittreksel ik hierbij voeg. 't Strekt al weder tot bevestiging van door U gemaakte onderstellingen, zoo ik meen.
Mijne hoogachting betuigende, verblijf ik gaarne
23-2-1874 / 6
WelEdel zeergel. Heer!
De wensch uitgedrukt in Uw laatsten brief aan mijn Vader, "dat zijn ongesteldheid spoedig mogt wijken", heeft geene vervulling gevonden. Integendeel hebben de rumatische aandoeningen zich hoe langs zoo meer uitgebreid en eindelijk de hersenen aangedaan waarop een verdoofden toestand is ontstaan die zich gisteren middag ten 5 uur in het overlijden van mijn dierbaren Vader heeft opgelost. Diep zijn wij hierdoor geschokt.
Overtuigd van Uwe deelneming in dit verlies verblijf ik met de meeste hoogachting,
22-4-1874 / 7
WelEdele zeer Gel. Heer!
De spoed door mij gemaakt, nadat ik zondag bekend werd met het verslag van de Vergadering van de Academie van Wetenschappen, - om mijn brief aan haar gereed te maken en te verzenden en U het afschrift daarvan zoo spoedig mogelijk te doen toekomen, maakte het mij ondoenlijk gevolg te geven aan mijn voornemen, U bij mijn eerste schrijven mijnen dank en die mijner familie te betuigen voor de deelneming met het voor ons zoo groot verlies, en voor de zeer welwillende bewoordingen omtrent mijn Vader. Zijn verlies zal door onze familie nog lang gevoeld worden, en evenzeer door het werkvolk, dat in hem een beschermer zijner regten vond, en waarbij hij door aanmoediging, teregtwijzing en het opwekken van gepasten naijver, den prikkel ten goede wist levendig te houden. Uwe woorden waren ons, vooral in die voor ons zoo droevige dagen, zeer aangenaam en weldadig.
Op Uwe vraag omtrent het door den Heer Turk gedane bod van £ 1000 namens een ons nog onbekend persoon, kan ik niet veel antwoorden. Ik weet niet om welke reden, maar toen ik er van hoorde, heb ik terstond getwijfeld off het met deze zaak wel ernst was. Die gedachte maakte mij wrevelig omdat ik het denkbeeld niet kon uitstaan dat een jong mensch als de Hr. Turk, mijn Vader en U, als menschen van leeftijd, tot voorwerp van zijn aardigheden zou willen maken, en had het stellige voornemen hem daarover mijne verontwaardiging te kennen te geven, ingeval mijne onderstelling in zijn antwoord bevestiging mogt vinden. Daarom heb ik na het overlijden van mjn Vader nog eenigen tijd gewacht, alvorens hem daarover aan te spreken. Een paar weken geleden heb ik hem ontmoet en hem gevraagd wie het bod van £ 1000 voor het H.S. had gedaan, terwijl wij met den bieder wel in onderhandeling wilden komen, waarop hij mij verzekerde, dat dit bod niet gedaan was, maar dat hij had gevraagd of mijn Vader het aan bedoeldenn heer tegen dien prijs zoude willen afstaan. Die heer was echter nu een reisje rond de wereld gaan maken, maar kwam later in deze gemeente terug en dan zou hij (Turk) hem van ons voornemen kennis geven.- Dit antwoord heeft mij dus in geen enkel opzigt eenige zekerheid verschaft, en 't is dus nog heel wel mogelijk dat alles een verzinsel is. Ik heb nu evenwel een plannetje, n.l. mij den naam van den bieder op te geven. Antwoordt hij alsdan schriftelijk, dan is hij in 't net, want dan moet hij óf den naam noemen, óf verklaren dat hij dien niet noemen mag. In 't eerste geval is de zaak in orde. In 't tweede geval erkent hij echter ook ('t zij dan waar of niet) dat het bod gedaan is, en zoude U van dit bod melding kunnen maken bij een eventuele verdediging; 't is dan aan hem om zich, desnoodig, daaromtrent nader te verantwoorden. Den uitslag deel ik U zoo spoedig mogelijk mede.
Het doet mij genoegen dat mijn schrijven aan de Academie Uwe goedkeuring wegdraagt. Ik heb er afschrift van gezonden aan mijne zwagers te Amsterdam, die het wel aan enkele belangstellenden zullen laten lezen. Wie ik het hier liet lezen, schaarden zich dadelijk aan onze zijde. Ik geloof dat deze ondoordachte handeling van de Academie meer goed dan kwaad zal doen, want het schrijven van den Heer Boot, waarvan het afschrift door U ontvangen zal zijn, maakt op mij den indruk dat hij voor zich wel wilde, dat die discussie niet had plaats gehad en dat hij zich niet gerust gevoelt over de mogelijke gevolgen. Mn zal toch ook tot eene verklaring dienen te komen, want mijn brief is niet van dien aard dat men er zonder antwoord af kan. Bovendien, nu hij als officieel stuk in de Vergadering wordt gebragt en de ontvangst door den Secretaris is erkend, hebben wij het steeds in onze hand om door middel van de dagbladen de geheele zaak te ontvouwen, des noods met toevoeging van de meerder gewenschte beschouwingen en toelichtingen.
Zoo even ontvang ik Uw schrijven van heden betreffende het voorstel van den Heer Kuipers om mijn schrijven in den vorm van een "Open brief" publiek te maken. - Ik vermoed dat het hiervoren bedoelde afschrift van den brief van den Heer Boot, dat ik gisteren middag aan U verzond, nog niet vóór de afzending van Uw schrijven, door U werd ontvangen, eerstens omdat U er geen melding van maakt, ten andere omdat ik mij voorstel dat U daarvoor voorlopig zoodanig bevredigd zoudt zijn geworden, dat eene publieke behandeling der zaak, althans mijnerzijds, vooralsnog minder raadzaam is. Ik veronderstel toch, dat ik in dat geval de leden zoodanig zal verbitteren, dat er van bijvallen hunnerzijds geen sprake meer zijn zal. Wordt de zaak niet dadelijk publiek, dan kunnen zij eerder gewonnen worden om, - nadat mijne voorkomenheid hun de gelegenheid gaf het H.S. zoo naauwkeurig mogelijk te bezien en te betasten - van boeg te veranderen, het slechte vaarwater te verlaten en koers te zetten in onze rigting.- En mogt het onverhoopt blijken dat zij daartoe geene geneigdheid bezitten en bij hun eens uitgesproken gevoelen willen blijven, dan zijn wij nog steeds in staat om door middel van de pers, hen publiek tot de nakoming hunner verpligtingen op te roepen.
Hoezeer mij het idee van een "Open brief" sterk aanlokt, en het mij geweldig spijt, mijn lust om hen publiek te antwoorden te moeten inbinden, vermeen ik toch in 't belang der goede zaak te handelen - vooral na de ontvangst van het schrijven van den Heer Boot - zoo ik U en den Heer Kuipers in overweging geef, de uitgaaf van den brief nog wat uit te stellen en eerst af te wachten wat de Vergadering van 18 Mei a.s. zal opleveren.
Veel genoegen doet het mij, dat de Heer Kuipers zooveel belang in de zaak blijft stellen. 't Blijkt dat wij nog geen enkele kampioen kunnen missen.
Mogt U nog een oogenblik tijd en lust gevoelen om mij met een paar regels mede te deelen of mijne beschouwingen al of niet met de Uwe overeenkomen, dan houd ik mij zeer aanbevolen.
Hoogachtend, en de beleefde groeten van mijne familie overbrengende, verblijf ik gaarne
6-5-1874 / 9 (8)
[bij 9 (8) gevoegde brief 6-5-1874 / (8) verplaatst naar II. Overig]
WelEd. Zeer Gel. Heer!
Vorenstaand schrijven heb ik heden aan Prof. Boot verzonden, omdat het berigt dat door mij een open brief aan de Academie is geschreven geen gunstigen indruk bij de heren zal teweeg brengen wanneer niet blijkt dat dit berigt tegen mijne inzigten werd geplaatst.
Mijn voornemen is, om den 16en dezer een exemplaar van mijn brief te zenden aan de redactie van de Nieuwe Rotterdammer, Handelsblad, Haarlemmer Courant en Nieuws van den Dag, met kennisgeving dat de Vergadering der Afdg. den 18 dezer zal gehouden worden. De zaak is dan versch in 't geheugen en de redactie is volledig op de hoogte van de gedane vragen.
Omtrent de door mij gedane vraag in het slot van vorenstaanden brief omtrent de aan U te rigten uitnoodiging vernam ik gaarne Uw gevoelen ten einde mij verder daarnaar te gedragen.
't Is opmerkelijk hoe weinig het publiek nadenkt. Nadat de Nieuwe Rotterdammer en de andere bladen in navolging, het verslag der vorige vergadering van de Academie had medegedeeld, was elk overtuigd dat het H.S. een valsch stuk was, met welk oogmerk de zamenstelling ook mogt geschied zijn. Nadat diezelfde personen op de hoogte zijn gebragt van de nietigheid der veroordeeling, zijn ze in eens omgekeerd en vinden het nu "heel prettig" en "flink" dat eene vergadering, die zoo ligtvaardig handelt, gedrongen wordt haar gedrag te verklaren, en verheugen zich als 't ware in het denkbeeld, dat zij daarvoor zal moeten boeten. Zeker is het dat de aandacht weder sterk op het H.S. is gevestigd geworden.
Uwe brochure heb ik nog niet ontvangen en ook nog niet aangekondigd gezien. 't Ligt toch zeker in 't plan om die bij den boekhandel verkrijgbaar te stellen. Zoude het dan geen overweging verdienen haar in de verschillende dagbladen reeds aan te kondigen? De belangstelling is nu nog levendig en doet ligter bestellen.
Mij aanbevelende voor eenig antwoord, verblijf ik hoogachtend, na vriendelijke groete,
21-5-1874 / 10 (9)
WelEdele zeer Gel. Heer!
Sedert mijn laatste schrijven aan U, ontving ik Uwe geëerde letteren van [3 mei] dezer, zoomede het twaalftal exemplaren van uwe brochure dat ik hier de rondte heb laten doen, met veel belangstelling werd gelezen en de zaak hier eene krachtige wending ten goede heeft gegeven. Ik denk niet dat de Heer E. Verwijs er U heel dankbaar voor zal zijn. 't Werd echter tijd dat ZEd eens loon naar werken kreeg. Hij zal er niet van opfrisschen.
Voorts ontving ik nog van uwentwege in goede orde een present-exemplaar van "Enige aanteekeningen van Jr. Fredrich van Vervou." Hartelijk dank voor dat bewijs uwer genegenheid. Bij het doorbladeren, - want voor lezen heb ik nog geen tijd, - trof mij de eenvoudigheid der behandeling van gewigtige gebeurtenissen. Ik ben echter veel te weinig historicus om het belangrijke van het geschrift te kunnen opmerken. Méér werd ik getroffen door de ontdekking van de groote werkzaamheid waardoor Ge u, op uwen leeftijd nog onderscheidt. Dat het U gegeven moge zijn daartoe nog geruimen tijd de noodige lust en kracht te behouden. Op die wijze is het leven eerst leven; er komt wat geschiedenis in.
Ik had u al eerder willen schrijven, doch stelde het uit tot den dag, waarop ik van de Academie van Wetenschappen berigt op mijne vraag en mijn aanbod zoude ontvangen hebben. Vandaag was dit het geval. Hoezeer mij haar antwoord niet geheel bevredigd, vind ik toch dat zij behoorlijk amende honorable doet. Van haar schrijven zend ik U hierbij afschrift. Ik heb mij gehaast een berigt voor de Couranten gereed te maken, doch anderenn waren mij reeds vóór geweest. Het Handelsblad evenwel bevatte daaromtrent nog niets, weshalve ik haar mijn berigt heb toegezonden, dat gelijkluidend is met het hierbijgaande, dat voor de Rotterdamsche Ct. bestemd was maar nu achterwege bleef.
De beweging in de zaak heeft de belangstelling sterk doen toenemen. Onder verschillende personen die zich bij mij aanmeldden om het H.S. te zien en den stand van zaken wenschten te kennen, bevond zich de Heer Backer Dirks, Leeraar in de geschiedenis aan het Koninklijk Instituut der Marine. Hij heeft van den aanvang aan de echtheid van het H.S. getwijfeld omdat het woord Schout bij Nacht daarin voorkomt, welk woord hij niet vroeger kende dan van 1603. Op mijn vraag bij welke gelegenheid die kwaliteit dan in het leven werd geroepen, gaf ZEd te kennen, dat de zeemagt in dien tijd den titel overnam van den handel en zeevaart, waarop door mij in 't midden werd gebragt, dat overname niet mogelijk was wanneer eene zaak niet reeds bestaat, en alzoo uitgemaakt diende te worden, sedert welken tijd het woord bij de handelsscheepvaart in gebruik is geweest. Zoo lang niet blijkt dat het woord bij den handel láter in zwang kwam dan het jaar 1256, kan het omtrent de echtheid van het H.S. niets opleveren.- Mr J.C. de Jonge, in zijne "geschiedenis van het Nederl. zeewezen", Dl. 1, bl. 422 v.v. geeft zijne beschouwing omtrent de beteekenis van het woord en meldt wanneer het bij de Marine in gebruik kwam, doch weet niet te bepalen hoe lang het reeds bij den handel in gebruik was. In verband met zijne beschouwing geeft het vermelde op pag. 3 van dat werk aanleiding te geloven dat de naam bij de friesche zeevaarders reeds lang gebezigd geweest is.
De Heer Backer Dirks wil zich er toe zetten het Oera Linda Bok nog eens aandachtig te lezen en alles op te teekenen wat hem daarbij voorkomt strijdig te zijn met de echtheid, welke aanteekeningen hij mij zal afstaan. Ik stel mij voor U daarvan te zijner tijd een afschrift te zenden, en U voorts alles mede te deelen wat met betrekking tot het H.S. belangrijk genoeg geacht kan worden.
Ontvang de vriendelijke groeten van mijne familie nevens de betuiging mijner hoogachting, waarna ik gaarne verblijf
7-8-1874 / 11 (10)
WelEdelzeergel. Heer!
't Is reeds geruimen tijd geleden dat ik het genoegen had U te schrijven en het doet mij bijzonder veel genoegen daartoe heden gereede aanleiding te vinden. Meermalen heb ik er mij toe willen nederzetten, maar de vrees U door onbelangrijk geschrijf lastig te vallen, deed mij telkens van mijn voornemen afzien. Het bezoek gisteren middag door mij ontvangen, is echter de vermelding waard. Het waren de prinsen Ernst en Fritz von Sachsen Meiningen, jongelui, naar schatting 12 en 14 jaar oud, vergezeld van de Hofrath H. Eggeling, hun Erzieher, en van Mr J.C. de Marez Oijens van Amsterdam. De hofrath stelde veel belang in het H.S., had het gedrukte blijkbaar met belangstelling bestudeerd en was in 't bezit van Uwe geschiedkundige aanteekeningen en ophelderingen en van Uwe laatste brochure. Het gezelschap gistermiddag te twaalf uur gearriveerd en gisteravond te zeven uur weder vertrokken, heeft van den tusschentijd omstreeks 3/4 uur bij mij vertoeft. Onder meer vroeg de Hofrath mij of het H.S. te koop was, waarop ik ontkennend heb geantwoord. Op de vraag of de zaak nog belangstelling ondervond heb ik verwezen naar de Deventer Courant. De Hofrath heeft daarop aanteekening gehouden van de nommers en den uitgever der Couranten om de betrekkelijke exemplaren te kunnen bestellen. De Heer Marez Oijens, die zelf niet op de hoogte was van het H.S., maar zich op de hoogte zou stellen, deelde mij mede dat hij namens den Hofrath, den Heer Eelco Verwijs had uitgenoodigd om naar Scheveningen te komen en een gesprek over het H.S. te voeren, doch dat de Hr. V. berigt had gezonden door bezigheden en ongesteldheid verhinderd te zijn aan de uitnoodiging gevolg te geven. Hoewel niet duidelijk, meende ik toch uit de gesprekken te mogen opmaken dat een bezoek aan Leeuwarden wel in 't reisplan ligt van het gezelschap. In dat geval zoudt Ge U wel kunnen voorbereiden op eene visite of op eene uitnoodiging om eens te komen spreken.
Met het grootste genoegen heb ik de nommers der Deventer Courant geezen, handelende over Thet Oera Linda Bok, en verlangend zie ik reeds weder uit naar het nommer dat morgen verschijnen zal. Zeer nieuwsgierig ben ik er naar te vernemen wie de Schrijver van die artikelen is. Dat hij het boek goed heeft bestudeerd, wetenschappelijk flink ontwikkeld is, prachtig zijne denkbeelden weet te ontwikkelen en de tact bezit om dwalenden als 't ware ongemerkt op het regte pad te brengen, dat bewijst ieder nommer op nieuw.
De uitgever zond mij de eerste 2 nommers ongevraagd, ik heb mij toen dadelijk op het blad geabonneerd en tegelijk de rectificatie verzocht van de bewering, dat het H.S. door U aan het oordeel van de Kon. Ac. v. W. werd onderworpen, zoomede de opheldering omtrent de jaartelling van het O.L.B. Voor beide zaken heb ik mededeeling gedaan van hetgeen daaromtrent door U aan mij was geschreven. Bij de ontvangst van het volgend nommer ontdekte ik reeds dat, hoe ik mij ook had gehaast, U en een ander mij toch vóór waren geweest. Ik heb het plan om aan de redactie van de Deventer Ct. de toestemming te verzoeken de feuilletons over het O.L.B. in de Heldersche Ct. te mogen overnemen. Den redacteur van de Held. Ct. heb ik daarover reeds gepolsd en bevond hem niet ongenegen. Zou de Leeuwarder Ct. dat ook niet willen? - Ds. Dyserinck hield mij van morgen staande en verzocht verlof om in de volgende maand, in gezelschap van den Heer Durieu, Bibliothecaris te Leiden, en diens echtgenoot, het H.S. eens te mogen zien. Hij was het deze keer niet eens met de leden der Kon. Academie. De Heer Backer Dirks heb ik nog niet gesproken; hij is nog steeds op reis.
Wat zou mijn Vader een genoegen gehad hebben in de belangstelling tegenwoordig in het H.S. betoond. Hij was steeds zoo opgeruimd wanneer een onverwachte verdediger zich opdeed; en geen wonder, wanneer men bedenkt hoeveel jaren van inspanning hij zich heeft getroost om de wetenschap magtig te worden die hem in staat zoude stellen zelf zijn geheim te kunnen ontcijferen en hoe hij gedurig meer zekerheid verkreeg dat dit doel voor hem onbereikbaar was.
Ik houd mij zeer aanbevolen wanneer U lust en gelegenheid daartoe hebt, mij met eenig antwoord te vereeren. Met vriendelijke groeten ook namens mijne familie, verblijf ik hoogachtend
14-3-1875 / 12 (11)
WelEdelzeerGel. Heer!
Met zeer veel genoegen en belangstelling ontving ik Uw geëerden brief van 4 dezer met bijgevoegde schetsteekening van de cijfers van het juul, zooals die als architectonische ornamenten gevonden worden aan het Alhambra in Spanje. Alzoo weder een bewijs méér voor de echtheid van het Handschrift, óf, de bedrieger die het vervaardigde moet van alles geweten hebben en op alles bedacht geweest zijn. - Ik kan mij begrijpen dat de mededeeling van deze bijzonderheid door Dr Campbel U zeer welkom was, zoowel om de vermeerdering van de bewijzen alsook omdat het U de overtuiging schenkt dat de geleerde heeren ons boek niet vergeten zijn, er blijkbaar hunne aandacht aan blijven wijden en zelfs beginnen mede te werken om het te rehabiliteren.
De bewering dat onze cijfers afkomstig zouden zijn van de Arabieren, had ik reeds meermalen hooren tegenspreken, doch wist niet in hoeverre zij met de Arabische overeenkomen of verschillen. Ik zie nu uit uwen brief dat er volstrekt geene overeenkomst in bestaat. Maar vanwaar dan toch het verhaal? Kan daaraan niet eenige waarheid of schijn van waarheid ten grondslag liggen?
Van de Schets heb ik eene nette afteekening gemaakt en met uw brief aan belangstellenden ter inzage gegeven. Het bleek mij dat, wat bij U zoo duidelijk en klaar is en naauwelijks opheldering behoeft, bij anderen zonder nader bewijs niet zoo gereden ingang kan vinden. Op de door U gestelde vraag: "Vanwaar hebben die Spaansche Arabieren die vormen ontleend?" laat U terstond het antwoord volgen: "Van het Frya's schrift in het juul geteekend, zooals het Oera Linda Boek dat bewaard heeft." - Die gevolgtrekking schijnt bij U, - zeker tengevolge van U bekende maar hier niet genoemde redenen, - aan geen redelijken twijfel onderhevig. De belangstellende lezers vinden de bewering wel wat bout, wanneer de mogelijkheid of liever noodzakelijkheid van het beweerde niet wordt aangetoond. Is 't U mogelijk, dit met eenige regelen nader uit een te zetten, en mogt het niet teveel van U gevergd zijn, dan houd ik mij daarvoor wel zeer aanbevolen.
Met betrekking tot het H.S. was er in mijne omgeving sedert mijn laatste schrijven zoo weinig bijzonders voorgevallen, dat ik daarin geene aanleiding kon vinden U te schrijven. Slechts dit is der vermelding waard: Te Alkmaar bestaat eene letterkundige vereeniging, waarvan sommige leden bewoners zijn van omliggende dorpen. Men heeft in die vereeniging de gewoonte om de onderwerpen, die men gaarne behandeld wenscht te zien, te vermelden op een papier, en dit in een daartoe bestemde bus te werpen. Zóó was door een der leden vrzocht, eene verhandeling en beoordeeling van het Oera Linda Boek [te houden] en werd dientengevolge Ds. Grottendieck, Evangelisch-Luthersch Predikant, verzocht zich daarmede te willen belasten, waartoe hij zich bereid verklaarde indien men gelegenheid wist te vinden hem het boek en daarop betrekking hebbende stukken voor eenigen tijd in gebruik te geven. Aan een daarop tot mij gerigt verzoek om de vertaling enz. voor eenigen tijd an Ds G. ten gebruike af te staan heb ik 20 Dec. voldaan door toezending van de vertaling, van de aanteekeningen en ophelderingen en van de feuilletons der Deventer Courant, daarbij het verzoek voegende dat ZEd mij zijn opstel ter lectuur zoude afstaan in welken geest dat ook mogt uitvallen. Er zijn sedert bijna 3 maanden verloopen doch ik hoorde nog niets van deze zaak. Wanneer de grondigheid zijner studie over de zaak in gelijke verhouding is met den verloopen tijd, dan mogen wij zeker iets belangrijks tegemoet zien. Zoo spoedig ik van die zijde wat bijzonders heb zal ik er U mede in kennis stellen.
Van den Heer Verwijs hoor ik niets. Is hij nog buitenslands? 't Verwondert mij dat hij niet poogt, zich te zuiveren van de beschuldiging in de brochure: "De Koninkl. Academie en het Oera Linda Boek". Is hij te veel lijdende of te lijdelijk? Een van beiden zeker.
Is 't U ook bekend of Professor van Boneval Faure te Leyden, Lid der Koninklijke, vóór of tegen het O.L.B. is? Diens broeder, Kapitein ter zee, en OnderDirecteur der Marine, is mijn Chef. Al wat ik nieuws heb omtrent het boek, laat ik hem lezen en hij neemt met belangstelling kennis van een en ander. 't Mogt mij echter niet gelukken zijne opinie te leeren kennen; zijne antwoorden zijn steeds ontwijkend; hij vind het zeer aardig, zeer bijzonder, het ziet er zeer oud uit, en geeft het mij gaarne gewonnen dat er geen gering bewijs voor de echtheid gelegen is in de omstandigheid, dat de naam [rest overgenomen uit de minut:] mijner familie die geene bekende geschiedschrijver of kamergeleerde opleverde en waarvan de laatste vier geslachten zelfs geen friesch leerden, aan het boek verbonden is, en het boek zelf steeds bij de familie als familiegeheim is bewaard gebleven.
Uwe letteren verschaften ons de aangename zekerheid dat U nog wel zijt. Dat het U gegeven zij nog lang te kunnen strijden voor Frieslands eer en roemrijk verleden!
Ontvang de beleefde groete van mijene familie en de betuiging der bijzondere hoogachting
29-3-1875 / 13 (12)
WelEdele zeer Gel. Heer!
Ik betuig U mijn dank voor de bereidvaardigheid waarmede U mij de gevraagde ophelderingen omtrent de vermoedelijke afkomst van onze Cijfers hebt verschaft en voor het eergisteren van U ontvangen werkje: "Naar aanleiding van Thet Oera Linda Boek &a", dat mij bij de lezing opnieuw hetzelfde genoegen verschafte als ik reeds ondervond bij de lezing van de feuilletons in de Deventer Courant. Wie toch de schrijver zou zijn? Is 't U nog niet gebleken, of kunt U het niet gissen? De uitgever J. de Lange schreef mij het niet te mogen melden. Jammer dat de uitgever het werkje niet méér annonceert, want 't is wel in staat de belangstelling in het O.L.B. in ruime mate te vermeerderen. In de Heldersche Courant heb ik voor eigen rekening de verschijning er van aangekondigd. Zou de Heer Kuipers het niet eenige malen in de Leeuwarder Ct. willen doen? Wie het boekje leest en het O.L.B. nog niet kent zal ongetwijfeld verlangst krijgen er kennis mede te maken, en de Heer Kuipers zoude daardoor alligt meerder debiet verkrijgen van het O.L.B.
Uwe beide laatste brieven heb ik ter lectuur gegeven o.a. aan den Correspondent voor den Helder van het Handelsblad. Hij verzocht mij daarvan gebruik te mogen maken tot het zamenstellen van een artikel voor genoemd blad. Ik vond geen reden dit te weigeren, integendeel acht ik het nuttig door gedurige bespreking de belangstelling op te wekken en gaande te houden; het boek moet niet doodgezwegen worden.
Ik heb al eens gedacht het H.S. publiek ter bezigtiging te stellen, bijv. in Amsterdam in een der zalen, tegen een gering entree ten voordeele van een of ander liefdadig doel. Wat dunkt U daarvan? Ik geef het stuk niet uit handen, anders ware het doel gemakkelijker te bereiken.
En nu heb ik nog een verzoek. [rest overgenomen uit de minute] Dr Verwijs zoude zeggen: "Ik begin veeleischend te worden," maar ben dat met het vertrouwen iets goeds te willen. 't Is n.l. dit. Als bewaarder van het H.S. zoude ik daarvan gaarne zoveel mogelijk een en ander toevoegen wat daarop betrekking heeft. In de eerste plaats wilde ik gaarne bij het Handschrift bewaren de portretten van U, van de Hr Kuipers en van mijn vader. Heb dus de goedheid mij verlof te geven een portret van U te bestellen met opgaaf van den naam van den photograaf. De portretten die mijn vader indertijd van U en den Heer Kuipers ontving zijn door mijne moeder in haar verzameling behouden en medegenomen. In 't vertrouwen dat u dit verzoek wel zult willen toestaan, en na u de vriendelijke groete mijner familie te hebben overgebragt, verblijf ik met de meeste hoogachting
9-5-1875 / 14 (13)
WelEdele zeer Gel. Heer!
Uw geëerd schrijven vergezeld van Uw portret kwam behoorlijk in mijn bezit. Vriendelijk dank daarvoor. Het portret, zoomede dat van den Heer Kuipers, eergisteren per post door mij ontvangen, verkreeg de toegedachte plaats.
De Heer Kuipers wenschte voor zijne portefeuille betrekkelijk het O.L.B. ook een conterfeitsel van mij te bezitten; daarvoor zal ik zorgen. Voor 't oogenblik kan ik daaraan evenwel niet voldoen; de paar portretten van mijzelf die ik op 't oogenblik beschikbaar heb, zijn van veel jeugdiger leeftijd. Voor het opgegeven doel laat ik liever een paar nieuwe maken; zoo spoedig deze gereed zijn, zal ik er een paar zenden, waarvan één ter beschikking van U.
Tot heden vond ik in 't Handelsblad geen stuk van onzen Correspondent, omtrent de cijfers van 't Alhambra. Wat daaraan houdt [?] weet ik niet; alle vereischte documenten voor de zamenstelling van het berigt heb ik ten gebruike gegeven. Den Correspondent heb ik sedert niet weêr gesproken. Welligt acht de redactie de zaak van te weinig gewigt; men oordeelt zoo verschillend.
Uit bijgaanden brief aan den Boekhandelaar Laurey alhier, blijkt anders dat er nog af en toe nieuwe vereerders van het O.L.B. bijkomen. Ik heb den Heer Laurey aangeraden aan het bestelde nog toe te voegen de Deventer brochure; hij zou dit doen. - Heb s.v.p. de goedheid, na lezing, den brief aan den Heer Kuipers ter lectuur te geven en hem mij later bij gelegenheid terug te zenden.
Omtrent de te houden lezing door Ds. Grottendieck vernam ik nog niets. Ik heb ZEd deze week geschreven dat ik, zoo hij daarop gesteld mogt zijn, bij de lezing tegenwoordig zoude zijn met het H.S., ten einde belangstellenden gelegenheid te geven het eens te zien.
Ontvang de vriendelijke groeten van mijne familie en de verzekering van ware hoogachting
29-8-1875 / 15 (14)
WelEd. zeer Gel. Heer!
Sedert mijn laatste schrijven, vereerde U mij achtereenvolgens met de laatste aflevering van het Werk Frieslands Oudheden en met de Duitsche vertaling van het werkje: "Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok", terwijl ik vooraf nog van U ontving de Leeuwarder Courant waarin de Zwolsche geleerde, Uw academievriend, het Handschrift behandelt en met de Koninklijke Academie afrekening houdt. Ik dank u zeer voor deze geschenken, die mij zeer aangenaam waren. Wat jammer dat Uw vriend tot heden achterwege bleef met het vervolg op zijn eerste stuk in de Leeuwarder. Mogten er meerdere stukken verschijnen dan houd ik mij ten sterkste aanbevolen voor de door U toegezegde toezending.
Ik ben eindelijk in staat U mijn portret te kunnen aanbieden, dat hiernevens gaat; dat het zoo lang onderweg is, ligt aan den photograaf, door wien de tijdige afzending werd verzuimd.
Mijn broeder, onlangs uit Oost-Indië gearriveerd, heeft verzocht, tot hetzelfde doel, een portret van hem bij mijn brief in te sluiten, dat U mede hierbij zult vinden.
Wat heb ik sedert weken met verlangen uitgezien naar het verslag van hetgeen de HH. Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk omtrent de bewijzen tegen de echtheid van het O.L.B., op het Congres te Maastricht, zouden te berde brengen; en wat ben ik teleurgesteld door den Verslaggever van de Nieuwe Rotterdammer, die niets meedeelt maar zich bij den aanhef al aanstonds doet kennen als een verklaard tegenstander, dien het bijna te veel is dat hij het punt aanroert en zijn afkeer van het H.S. op de grofste wijze aan den dag legt. De indruk van hetgeen over het O.L.B. werd gesproken, was bij hem - en naar hij veronderstelde, ook bij de overige hoorders - dat men een geheel uur lang laauw water op de haarlooze hersenpannen van de hoorders had laten druppelen; en, zegt hij verder, wie daarna nog aan de onechtheid twijfelde, is niet te behelpen, zelfs niet te Meerenberg. 't Komt mij voor dat hij bij 't schrijven van het verslag nog onder den indruk van de druppels verkeerde. Akeliger verslag kon al moeyelijk gegeven worden. Maar wie zijn nu eigenlijk die HH Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk. Omtrent den eerste hoorde ik vertellen dat hij alle europesche talen kent en van zijn grondige taalkennis zelf zoodanig overtuigd is dat hij daaruit den moed heeft geput om, eenige jaren geleden, in vier talen een werkje uit te geven als recensie op Engelsche geschriften, en daarin herhaaldelijk de engelsche taalgeleerden het verwijt naar het hoofd slingert, dat zij hun eigen taal niet kennen. 't Lijkt wel een kamper ui! Ik geloof graag dat zo'n man binnen 't halfuur voorgoed de kwestie omtrent de al- of niet-echtheid van het O.L.B. uitmaakt. Van den Heer Nanninga kwam ik geene bijzonderheden te weten. Beide heeren zullen U waarschijnlijk wel in hunne kwaliteit van geleerden bekend zijn. Wat ik wel eens weten wilde is, welk denkbeeld zulke menschen toch aan het H.S. vastknopen. In hun oog is 't bedrog; maar hoe lossen zij op wat door U reeds herhaaldelijk is gevraagd: door wien, wanneer en met welk doel werd dit gepleegd?
Ds Grottendieck laat niets van zich hooren; gepasseerde week werd mij evenwel verteld door een Zee-officier, die tijdens zijne non-activiteit in Alkmaar heeft gewoond, dat Gr. in het afgeloopen voorjaar zijne lezing heeft gehouden. Uit de bijzonderheden merkte ik op, dat hij daarbij ruim gebruik heeft gemaakt van de feuilletons uit de Deventer Courant. Welligt is het daaraan toe te schrijven dat hij niet de beleefdheid had mij tot bijwoning der Vergadering uit te noodigen. Vreemd is het dat hij mij het boek en de verdere bescheiden die ik hem ter leen gaf, niet terugzendt.
De Heer Kuipers deelde mij in zijn laatste schrijven mede dat U het denkbeeld niet vreemd was om de gemeente Helder eens te bezoeken. Ik vlei mij dat U uitvoering aan dat voornemen zult geven en alsdag bij mij zult willen logeren. Wanneer U mij vooraf Uwe komst meldt, zal ik zorgen vrijen tijd te krijgen. De Gemeente Helder bevat wel niet veel schoons en belangrijks, maar toch wel het een en ander dat iemand uit een binnenstad niet alledaags zal voorkomen.
Bijzonder aangenaam zal het mij zijn spoedig eenig berigt van U te ontvangen en te vernemen welken indruk de Maastrichtsche geschiedenis op U gemaakt heeft, en hoeveel gewigt, naar Uwe meening, de geleerde wereld aan de uitspraak van de Kamper geleerden hecht.
Ontvang deze in gezondheid en zijt welmeenend gegroet door mijne familie en door UEd Dw. Dienaar L.F. over de Linden.
29-9-1875 / 16 (15)
WelEd. Zeer Gel. Heer!
Uw geëerd schrijven van 3 deze kwam in mijn bezit en ga ik heden beantwoorden.
De broeder, wiens portret bij het mijne gevoegd was, heet Anton Jan; hij is hoofdmachinist bij de Koninkl. Nederl. Marine.
De namen van mijne broeders en zusters en van mijzelf zijn:
- Cornelis, (onderwijzer, in O. Indië overleden).
- Leendert Floris, (Schrijver dezes) Adjunct Commies bij de Marine.
- Floris Jan, Werktuigmaker, in Noord-Amerika.
- Anton Jan, bovengenoemd.
- Hendrika, gehuwd met H.A. van Heusden, adviseur bij de Levensverzeke ringmij "Nederland" te Amsterdam.
- Anna, gehuwd met N.M. Bergman, onderwijzer te Amsterdam.
tezamen dus een halfdozijn.
Omtrent een in te stellen genealogisch onderzoek betreffende mijne voorouders te Enkhuizen, heb ik al meermalen gedacht, en er zou wel wat aan gedaan kunnen worden, wanneer mijn neef, aan 't Secretarie aldaar werkzaam, voorondersteld kon worden lust genoeg te bezitten om de oude registers na te pluizen. Hij is evenwel geen "over de Linden", zijne vrouw wel. Ik twijfel daarom of hij in deze ambitieus genoeg zou zijn. Toch wil ik het hem vragen, omdat ik vrees dat mijn plan, om het zelf te ondernemen, wel wat lang op verwezenlijking zal moeten wachten; de Marine verleent den ambtenaren niet veel verlof, en ik zou zeker meer noodig hebben dan een paar dagen.
De lust heeft mij bekropen, de HH Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk te schrijven. Een brief, op scherpen toon, lag reeds voor verzending gereed, toen het mij raadzamer voorkwam een anderen weg in te slaan. Ik schreef toen volgens hierbijgaande kopie, en ontvang daarop heden de mede hierbij gaande missive van den Heer B. Vinckers. De man schijnt bijzonder knap te wezen en wijst zichzelf de eerste plaats aan onder de taalgeleerden. Kwesties, als die over de echtheid van 't O.L.B. schijnen voor hem wissewasjes te zijn, doch in zijne schatting door anderen niet uit te maken. Zeer nieuwsgierig ben ik, wien zij als vervaardiger van het H.S. op 't oog hebben. 't Zal toch stellig iemand moeten zijn die een plaatsje op onze stamboom behoort in te nemen. Welke geleerde van voor eenige eeuwen dat zijn zal? Ik hoop dat zij den naam zullen noemen, dan zijn ze er zeker het eerst aan toe een gek figuur te maken. Door algemeenheden zouden ze 't stellig ver kunnen brengen het H.S. heel verdacht te maken; maar door er een naam aan te verbinden van een of ander geleerde, dient ook alles bij nader onderzoek te strooken en te passen. Mogt het dan blijken dat zij te dien opzigte zich zeer vergist hadden, dan zijn ze ook voor al het overige het vertrouwen kwijt.
Heb s.v.p. de goedheid den brief van den Hr Vinckers ter lectuur te geven aan den Heer Kuipers, dien ik binnen kort zal schrijven en een beloofd portret zenden.
Dat ik gaarne verneem welken indruk de brief op U gemaakt heeft, behoef ik U stellig niet te verzekeren. Bij de terugzending houd ik mij aanbevolen dit te mogen vernemen.
In afwachting daarvan verblijf ik met de meeste hoogachting,
1-1-1876 / 17 (16)
WelEdele Zeer Geleerde Heer!
Terwijl een nieuw jaar zijn loop begint zet ik mij neder om eenig nieuws met betrekking tot het O.L.B. mede te deelen. Vooraf breng ik U de nieuwjaarsgroeten van mij en mijne familie. Moge het nieuwe jaar U de ruimste stof opleveren tot een dankbaren terugblik op Uw leven en werken, U meer en meer de erkentelijkheid van Uwe tijdgenooten doen ondervinden voor hetgeen door U in 't belang van de Wetenschap werd verrigt en U nog dikwijls gezond en met nog jeugdigen ijver voor de studie een nieuwen jaarkring tegemoet doen gaan!
In bijgaande brieven van de HH N. Uiterdijk en Ds Haverschmidt zult U het nieuws vinden dat ik omtrent het O.L.B. heb mede te deelen.
Het afschrift van den brief van den Heer Bolhuis aan den Hr. Eekhoff heeft mij bij de lezing onaangenaam aangedaan, omdat naar mijne opvatting, den nagedachtenis van mijn vader, met zijn scherpen blik, helder oordeel en steeds onderzoekenden geest, daain groot onregt wordt gedaan. Hem voor te stellen als een lummel, die zich, op eene wijze als door Bolhuis wordt voorgesteld, als een groote lompert kan laten beetnemen, was mij dermate hinderlijk, dat ik besloot aan die onderstellingen een einde te maken. Met opgaaf van deze gronden heb ik mij daarop tot den Heer Haverschmidt gewend, met verzoek, zich langer het schrale genot te ontzeggen om een gedeelte van het publiek in den waan te laten, dat hij schrijver of mede-opsteller zoude zijn van het H.S., hem voorts in overweging gevende dat door hem eene verklaring zoude worden opgesteld en geplaatst in een of ander veelgelezen tijdschrift of dagblad. Welk gevolg dit verzoek heeft gehad zult U uit den brief van den Heer H. lezen. Hij ontkent dat Piet Paaltjens - die vroeger tusschen de biljarten verdween - ooit aan den Helder is geweest. Dit moge zoo zijn, omdat Piet later misscheien is opgegaan en Ds Haverschmidt er van deze een bestanddeel is geworden; maar dan is eene verklaring van den laatste ook de eenig vertrouwbare omtrent Piet Paaltjesns daden.
Welk gebruik ik zal maken van de mij in handen gegeven verklaring, heb ik nog niet kunnen vaststellen, en ik wil in dat opzigt ook niets doen zonder daarover Uwen raad te hebben ingewonnen. Heb dus s.v.p. de goedheid mij met Uwe betere inzigten van dienst te zijn en des noodig over den brief van Ds H. te beschikken. In elk geval hebben wj een wapen méér ter verdediging opgedaan.
De brief van N.U. is kaaltjes; en mijn dadelijk gerezen vermoeden dat het hem zomin als Beckering Vinckers ernst was een afzonderlijk stuk over het H.S. in druk te doen verschijnen, schijnt bevestigd te worden, althans zag ik het tot heden niet aangekondigd.
Mijn zwager uit Amsterdam meldde mij in de vorige week dat volgens verzekering van den uitgever Seyffardt, de engelsche vertaling van het O.L.B. verschenen is. De aankondiging er van trof ik echter niet aan.
De Navorscher waarover U vorigen brief handelde heb ik niet kunnen bemagtigen. Dit geschrift schijnt hier geen lezers te hebben.
Ds. Grottendieck laat mijn herhaalde verzoeken om terugzending van het geleende onbeantwoord. 't Zal mij benieuwen of het hem ook verwondert als ik hem in een eerstvolgende schrijf dat deze bejegening mij verwondert.
Mij voor Uw gewenscht wederschrijven aanbevelende verblijf ik na vriendelijke groeten ook namens mijne familie
7-1-1876 / 18 (17)
WelEd.Z.Gel. Heer!
Den 2den dezer werd ik zeer aangenaam verrast door Uw pakketje, waarbij mij door tusschenkomst van den Heer Kuipers, een groot portret van mijn Vader, door U wordt cadeau gemaakt. Dubbel aangenaam om het daardoor gegeven bewijs dat mijns Vaders nagedachtenis bij U nog steeds in eere is. Zoowel voor 't een als voor 't ander, breng ik U mijn hartelijken dank.
't Zal U zeker vreemd voorkomen dat ik na de ontvangst van een zoo gewenscht geschenk, niet daelijk berigt heb gegeven van de goede overkomst. Tot opheldering daarvan deel ik U mede dat ik eenige dagen van huis ben geweest en eerst heden gelegenheid vond deze te schrijven.
Mijn brief van 1 dezer, met ingesloten brieven van de HH Uiterwijk en Haverschmidt, is zeker door U ontvangen. Ik hoop niet dat ik tegen Uw inzigten heb gehandeld door den inhoud van dit schrijven van den Heer Bolhuis van Zeeburch aan den Hr. Haverschmidt mede te deelen. De vrijheid daartoe putte ik uit de aansporing van B.v.Z. om tot mij de vraag te rigten, of mijn Vader in betrekking heeft gestaan met P.P. en of deze laatste ook schrifturen van mijn Vader ter lezing heeft gehad. Die vraag gaf als vanzelf aanleiding dat ik mij tot P.P. mogt wenden om diens verklaring uit te lokken. Toch wilde ik van diens antwoord geen gebruik maken zonder daarover U geraadpleegd te hebben.
Ik wist niet dat U slechts een klein portret van mijn Vader bezit. Er bestond steeds een in grooter formaat, doch ten voete uit. Ik veronderstelde dit reeds in Uw bezit. Nu dit niet het geval is zal ik U daarvan deze week een nog voorhanden exemplaar zenden.
Juist terwijl ik deze schrijf ontvang ik Uwe geëerde van gisteren met de brieven van Uiterdijk en Haverschmidt, en bemerk dat mijn late schrijven reeds aanleiding gaf tot het vermoeden dat het portret niet bezorgd werd. 't Spijt mij dat ik onwillekeurig U en den Hr. Kuipers onnoodige moeite heb veroorzaakt. Verschooning daarvoor s.v.p.
't Zou mij niet verwonderen, wanneer de door U medegedeelde bijzonderheid bekend wordt, dat P.P. een leerling van U is, er nog weêr eens een kamper optreedt met de bewering, dat er nu geen redelijken grond van twijfel meer bestaat dat P.P. de schrijver is van 't O.L.B. en er niemand eerder bereid en meer geschikt kan zijn om als tusschenpersoon op te treden tot het in de wereld brengen der mystificatie. 't Boek schijnt toch niet anders te mogen zijn, of liefst nog wat erger. Waartoe anders de vleijende bijvoeging van 't woord "berucht", dat sommige onmogelijk in de pen of in de mond kunnen houden wanneer zij over het boek schrijven of spreken. In het verslag omtrent het taal- en letterkundig Congres, door den Heer I.H. de Beer geleverd in de October-aflevering van het Leeskabinet, worden slechts 2 reges gewijd aan de vermelding van hetgeen de HH B.V. en N.U. van het H.S. hebben verhaald. Hoe weinig plaatsen ook voor dit onderwerp werd ingeruimd, toch moest daarvan nog een gedeelte gebezigd worden door 't scheldwoord "berucht". En waarom berucht? Kwaad deed het boek toch niet; het verkondigt niets dan goeds. Of wordt het misschien zoo slecht bejegend door hen wier geweten bij het lezen op te harde proef wordt gesteld, of die bij de wetenschappelijke behandeling er van, welligt fiasco maakten? Ik wenschte wel te weten waar mijnheer de Beer woont, om hem deze vragen eens voor te leggen en hem te verzoeken mij aan te toonen in welk opzigt het boek berucht is, of, zoo hij dit niet kan, zijn scheldwoord in te trekken. Mogt hij verkiezen daarop niet te antwoorden, dan zoude ik de Redactie van 't Leeskabinet willen verzoeken, die vragen in een der eerstvolgende afleveringen op te nemen, opdat het lezend publiek mogt weten hoe ligtvaardig men in 't oordeelen te werk gaat en hoe slecht men wordt voorgelicht.
Grottendieck denk ik binnen kort met een bezoek te overvallen.
Met betuiging mijner hoogachting verblijf ik na vriendelijke groete, steeds gaarne
18-1-1875 / 19 (18)
WelEd. Zeer Gel. Heer!
Het portret mijns Vaders bedoeld in mijn vorig schrijven, heb ik het genoegen U hierbij aan te bieden. Ik hoop dat het U welkom moge zijn.
De heer Grottendieck was de vorige week aan den Helder en bragt zelf het boek en andere stukken die ik hem ter leen gaf, terug. Hij kwam echter op een uur dat ik niet thuis was en voegde daarom zijn visitekaartje bij het pakket. 't Speet me wel dat ik niet thuis was; de mogelijkheid om hem mijne verwondering te betuigen over zijn stilzwijgen op mijn herhaald schrijven, werd mij daardoor benomen.
Is U ook bekend of Ds. Leendertz in den Navorscher de stukken plaatste die U daarin verwachtte. Mogt dit zoo zijn en U de nommers weten, heb dan de goedheid mij die bij eerstvolgend schrijven op te geven [Ottema tekent daarbij aan: December 1875]. Ik zal dan pogen die afzonderlijke nommers te verkrijgen, waarvoor wel gelegenheid schijnt te bestaan.
Het portret door mij aan den Heer Kuipers gezonden, is zeker wel in orde overgekomen.
Bijzonders valt van hier niet te melden. Evenals bij U hebben wij hier de voorgaande week volop ijsvermaak gehad, en 't heeft mij als groot liefhebber verscheidene uren gekost zoodat de afdoening van sommige zaken en ook het schrijven dezer, van den eenen dag tot den anderen werd verschoven. Bij de Marine is het bovendien vrij druk met het oog op de mogelijkheid dat het verschil met Venezuela niet tijdig mogt worden bijgelegd.
Ontvang de vriendelijke groeten mijner familie nevens de betuiging mijner bijzondere hoogachting. Steeds gaarne,
23-1-1876 / 20 (19)
WelEdele Zeer Gel. Heer!
Even als U, heeft de Heer Sandbach ook aan mij, door tusschenkomst van den Heer Hora Siccama eene engelsche vertaling van Thet O.L.B. ten geschenke gezonden. Ze werden zeker gelijk verzonden, want even nadat ik mijn vorige aan U op het postkantoor had bezorgd werd het boek mij terhandgesteld. 't Engelsch gewaad staat het boek zeer netjes; de drukker heeft mede zijn best gedaan voor een aangenamen vorm. Wat de vertaling betreft schijnt Uwe onderstelling juist dat die hier en daar nog al vrij is; ik wilde wel dat Uwe meening omtrent mijne meerdere bekendheid met de engelsche taal even juist was; dit is echter zoo niet. Een kennis van mij, de Heer J.F. Berk, Hoofdonderwijzer alhier, heb ik geraadpleegd en deze vond al dadelijk op pag. 12-13 daarvoor 't bewijs, alwaar "Haat trad tot haar binnen", bij lange na niet woordelijk is overgezet.
Omtrent datzelfde gedeelte van het H.S. schreef hij mij heden een brief. Zijne beschouwingen, daarin vermeld, komen mij nog al belangrijk voor en zeker de moeite der mededeeling waard, waarvoor ik zijn brief hier in afschrift laat volgen.
Amice!
Bij 't bestuderen der Oud-germaansche Mythologie kwam 'k ten aanzien van een donkere plaats uit Thet Oera Linda Bok tot de volgende beschouwing:
1. Thet Oera Linda Bok, pag. 12 (13):
Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem, opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen waren, kregen zij vermaak en genoegen en de dromen van Wralda. Haat (de friesche text zegt Od) trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf dochteren, elke juultijd een paar.
2. Dr L.S.P. Meyboom. De godsdienst der oude Noormannen. 1ste stuk, p. 264:
Zijn (Oðin) naam is afkomstig van Vada, onv. verl. tijd Oð, doordrongen, 't zij zachtkens of met geweld, en verwant met Oð, woede. Oorspronkelijk zal de naam van den god Wuot of Oðr zijn geschreven. Hij doet Oðin kennen als den allesdoordringende, d.i. in de eerste plaats de god der lucht, en vervolgens de alles doordringende geest der natuur, de scheppende en vormende kracht, die den menschen en alle dingen vorm en schoonheid verleent en zich betoont als bron van alle hoogste goederen en gaven, zoowel in zinnelijken als zedelijken zin.
3. Dr Meyboom, enz. p. 265.
En Thriðti voegde er bij: Oðinn is de oudste en hoogste van alle Asen; hij heeft macht over alle dingen, en hoe machtig de andere goden ook zijn, zij dienen hem toch zoo als kinderen hunnen vader. (Dit is genomen uit de 20ste daemisaga der Gylfagenning)
4. Karl Simrock, Handbuch der Deutschen Mythologie, 4. Aufl. p. 153:
God heet Allvader, niet alleen in de jongere Edda en Hrafnagaldr 1, waar men Christelijken invloed vermoeden mag, ook Grimuism 47 en Helgakwidag II, 38, dus in de oudste liederen is 't een bijnaam van Odin.
5. Simrock u.s.w. p. 153.
Bij de Schepping verborg zich Allvader; in de wereld komt Odin in z'en plaats; de verjongde (de wereld na den godenstrijd) beheerscht hij als de onuitgesproken God die eens komen zal.
6. Dr Meyboom enz. p. 265.
Oðin heet Allfödr, omdat hij de vader van alle goden is.
Door deze aanteekeningen ben 'k tot 't volgende besluit gekomen:
Wralda is Allfödr (alvader); Odin is Od; Wralda en Od zijn dezelfde personen; Od is dat gedeelte van Wralda dat zich met de menschen en met de wereld bemoeit.
Een voorbeeld vonden we nog in den Joodsch-christelijken godsdienst, waar 't Woord (gr. logos) dat gedeelte van 't wezen der godheid is, 't welk zich met de wereld afgeeft. Adres aan 't Evangelie van Johannes, Hst. I:1).
De zinnen van 't Oera Linda Bok: zij kregen vermaak en genoegen in de droomen van Wralda, en: Haat (?) trad tot haar binnen, beteekenen precies hetzelfde.
Het woord Od, uit de friesche text mag als eigennaam niet vertaald worden.
Welnu, Amice, 't was me een genot dat 'k de verklaring van deze mij nog altijd duistere plaats uit 't schoone Oera Linda Bok meende gevonden te hebben. Heb ik gedwaald, dan heeft me deze dwaling een aangenaam oogenblk te meer verschaft bij 't doorlezen van 't boek.
Helder, 23 Januari 1876 (get.) J.F. Berk.
Van de mythologie weet ik niet genoeg om de waarde van het betoog te beoordeelen. 't Is wel zeker dat bij deze beteekenis van 't woord Od de aangehaalde plaats meer zin krijgt. Haat heb ik daar nooit goed weten te stellen. De heer Berk zoowel als ik wenschen gaarne te weten wat Uwe opinie omtrent deze zaak is. Beleefd verzoek ik U daarom, mij die bij gelegenheid te willen mededeelen.
Met de vriendelijkste groeten, verblijf ik steeds gaarne
5-3-1876 / 21 (20-22)
10-3-1876 / 22 (23)
3-5-1876 / 23 (24)
? 14-5-1876 / 24 (26)
? 13-5-1876 / 25 (?)
11-6-1876 / 26 (27)
21-6-1876 / 27 (28)
29-6-1876 / 28 (29)
6-7-1876 / 29 (30)
9-7-1876 / 30 (31)
26-7-1876 / 31 (32)
7-8-1876 / 32 (33)
10-8-1876 / 33 (34)
15-8-1876 / 34 (35)
? 29-9-1876 / 35 (36)
? 3-9-1876 / 36 (38)
17-9-1876 / 37 (39)
19-10-1876 / 38 (40)
5-11-1876 / 39 (41)
9-12-1876 / 40 (41)
25-12-1876 / 41 (42)
25-2-1877 / 42 (43)
10-3-1877 / 43 (44)
22-3-1877 / 44 (45)
29-3-1877 / 45 (46)
18-4-1877 / 46 (47)
23-4-1877 / 47 (48)
16-6-1877 / 48 (49)
20-8-1877 / 49 (50)
31-12-1877 / 50 (51)
II. Overig
6-5-1874 / 8
Aan den Heer Professor J.C.G. Boot
Secretaris van de Afdg. &a. te Amsterdam
Helder, 6 Mei 1874.
Hoog Geleerde Heer!
Uw geëerd schrijven van 21 April jl is door mij in orde ontvangen. Een afschrift er van, evenals van mijn schrijven aan bovengemelde afdg., werd door mij verzonden aan den Heer Dr Ottema, door wien van mijn schrijven inzage werd verleend aan eenige belangstellenden. Om de kennisname te vergemakkelijken, heeft ZEd in overleg met mij een aantal exemplaren van mijn brief doen drukken (: als manuscript :) om aan bezitters van het boek en aan belangstellenden gratis uit te reiken.
Het berigt in de verschillende Couranten - overgenomen uit de Rotterdammer, waarin het 't eerst vermeld werd, en waarschijnlijk afkomstig van Ds Johs Dyserinck alhier, die Correspondent is van dat blad, - waarin gezegd wordt dat door mij is uitgegeven een "open (bare) brief aan de Afdg. Lett. der K.A.v.W.", is dus geheel onjuist. De afdrukken zijn niet in den handel en ook niet voor elk verkrijgbaar gesteld. Ik vermeende aan U en aan mijzelf verpligt te zijn, van deze omstandigheid melding te maken en U te verzekeren dat de plaatsing van het berigt geheel tegen mijne inzigten is.
Van deze gelegenheid wensch ik gebruik te maken, UHGel. beleefd te verzoeken om, ingeval de academie mogt besluiten van mijn aanbod tot overkomst met het H.S. gebruik te maken, der Vergadering tevens in overweging te geven, Dr Ottema uit te noodigen daarbij tegenwoordig te zijn. Mijn bijzijn kan toch geen ander nut hebben dan als geleider van het H.S., daar het mij niet mogelijk zoude wezen eenige andere inlichting te geven dan omtrent de wijze waarop het in mijns Vaders bezit kwam. Van de friesche taal versta ik geen woord. Voor het geval de Afdg. meer zoude wenschen dan alleen het H.S. te zien, zoude zij het meerdere aan Dr O. kunnen vragen.
Heden zal ik aan Dr O. schrijven of ZEd zoo goed wil zijn, wanneer de Afdg. hem daartoe uitnoodigt, de moeite te willen doen om, voor het opgegeven doel, naar Amsterdam te reizen.
Met de meeste hoogachting verblijf ik gaarne EUd Dw. Dienaar
(get.) L.F. over de Linden.