NL103.26 Vellum: Difference between revisions
No edit summary |
No edit summary |
||
| Line 60: | Line 60: | ||
{{Hoofdstuk Navigatie|normal=NL106.10 Ljudgarda|back=NL100.01 Afgoderij|alternative=NL134.22 Vrijheidszin|altback=NL044.07 Weldoener}} | {{Hoofdstuk Navigatie|normal=NL106.10 Ljudgarda|back=NL100.01 Afgoderij|alternative=NL134.22 Vrijheidszin|altback=NL044.07 Weldoener}} | ||
<span><div class="emoji flag uk"></div> '''[[EN103.26 Tale]]''' <div class="emoji flag es"></div> '''[[ES103.26 Vitela]]'''</span> | =={{Titel andere talen}}== | ||
<span><div class="emoji flag de"></div> '''[[DE103.26 Nächstenhilfe]]''' <div class="emoji flag uk"></div> '''[[EN103.26 Tale]]''' <div class="emoji flag es"></div> '''[[ES103.26 Vitela]]''' <div class="emoji flag no"></div> '''[[NO103.26 Vellum]]'''</span> | |||
[[Category:Nederlandse Vertalingen]] | [[Category:Nederlandse Vertalingen]] | ||
__FORCETOC__ | __FORCETOC__ | ||
{{DEFAULTSORT:^R. Apollania^}} | {{DEFAULTSORT:^R. Apollania^}} | ||
Revision as of 10:06, 18 August 2024
Ontwerp 2026 Ott
R. Apollania
5. Op Vellum: Help je Naasten
103.26 Dit staat op vellum geschreven:
Taal en antwoorden als voorbeeld voor andere Famen.
Een eenzelvige, gierige man kwam klagen bij Troost, de Faam van Stavia, dat zijn huis door onweer was bezweken. Hij had tot Wralda gebeden, maar dat had niet geholpen. [104] “Ben je een echte Fryas?” vroeg Troost. “Zoals al mijn voorouders”, antwoordde de man.
“Dan”, zei ze, “zal ik iets in je gemoed zaaien, in vertrouwen dat het kan kiemen, groeien en vrucht dragen.”
Zo luidde haar betoog: “Toen Frya, onze moeder, geboren was, stond ze naakt en onbeschermd tegen de zonnestralen. Niemand kon ze vragen en er was niemand die haar kon helpen. Maar Wralda greep in en legde zowel neiging en liefde, als angst en schrik in haar gemoed. Ze keek om zich heen. Haar neiging koos het beste en ze vond een schuilplaats in de beschermende schaduw van de linde.
“Maar toen begon het te regenen en ervoer ze het ongemak van nat worden. Ze had echter gezien hoe het water van de afhangende bladeren drupte. Nu maakte ze een dak met hellende zijden, bevestigd op staande palen. Het ging echter hard waaien, waardoor de regen eronder werd geblazen. Omdat ze had gezien hoe de stam luwte gaf, maakte ze vervolgens een wand van plaggen en zoden, eerst aan één zijde en daarna aan alle zijden. De storm kwam terug, nog woedender dan tevoren, en blies het dak weg. Maar ze klaagde niet over Wralda en maakte hem geen verwijten. Ze maakte nu een dak van riet en legde daar stenen op.
“Omdat ze ervaren had hoe moeizaam het is [105] om alles alleen te moeten oplossen, legde ze haar kinderen uit hoe en waarom ze het zo had gedaan. Frya's kinderen werkten samen in de bouw en in het zoeken naar oplossingen. Op deze wijze zijn wij aan huizen gekomen met stoepbanken, een pad en leilindes ter bescherming tegen de zonnestralen. Uiteindelijk hebben ze een burg gebouwd en vervolgens alle andere. Is je huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet je trachten het volgende beter te maken.”
“Mijn huis was wel sterk genoeg,” zei hij, “maar het hoge water heeft het opgetild en de stormwind heeft het overige gedaan.”
“Waar stond je huis dan?” vroeg Troost.
“Langs de Rijn”, antwoordde de man.
“Stond het dan niet op een heuvel of terp?” vroeg Troost.
“Nee,” zei hij, “mijn huis stond eenzaam aan de oever. Ik heb het zonder hulp gebouwd maar het lukte me niet om een terp op te werpen.”
“Ik wist het wel”, zei Troost. “Mijn Famen hebben het me gemeld. Je hebt heel je leven een gruwel gehad aan mensen, uit vrees dat je iets aan ze moet geven of voor ze moet doen. Maar daar schiet je niets mee op. Want Wralda, die goedgeefs is, keert zich af van gierigaards.”
“Festa heeft ons de raad gegeven die boven de poorten van alle burgen [106] uit steen is gehouwen:
- Zoek je baat? zei Festa,
- behoed dan je naasten,
- informeer en help ze,
- zo zullen zij ook jou doen.
“Is deze raad niet goed genoeg? Ik weet jou voor jou geen betere.” De man kleurde rood van schaamte en droop zwijgend af.
Noten en andere vertalingen
Overwijn 1951
[101] Dit staat op schrijfvilt geschreven.
Taal, en antwoorden, aan andere Maagden ten voorbeeld
Een ongezellig, gierig man kwam klagen bij Troos, die burchtvrouw was te Stavian (Kanaalrug). Hij zei, dat onweer zijn huis had vernield. Hij had tot Wr.alda gebeden, maar Wr.alda had hem geen hulp verleend. Zijt ge een echte Frya, vroeg Troos. Van ouder op ouder, antwoordde de man. Dan, zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaien in het vertrouwen, dat het kiemt en groeit en vrucht zal dragen. Verder zei zij met nadruk: Toen Frya was geboren, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen de stralen van de zon. Niemand kon zij vragen en er was niemand, die haar hulp kon verlenen. Toen maakte Wr.alda zich op en wrocht in haar gemoed aanleg en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich heen. Haar aanleg koos het beste, en zij zocht een schuilplaats onder de beschuttende lindeboom. Maar er kwam regen en het gevolg was, dat zij nat werd. Maar zij had gezien hoe het water van de hellende blaren afdroop. Toen maakte zij een afdak met hellende kanten. Op staken zette zij dat. Maar er kwam stormwind en die blies de regen er onder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij te werk en maakte een wand van plaggen en zoden, eerst aan de éne kant en toen aan alle kanten. De stormwind kwam terug, woedender dan tevoren en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wr.alda, noch tegen Wr.alda, en zij maakte een rieten dak en legde daarop stenen. Toen zij bevond hoe zeer het doet, om alleen te tobben, beduidde zij haar kinderen, hoe en waarom zij zo gedaan had. Deze werkten en overlegden gezamelijk. Op die manier zijn wij aan huizen gekomen met stoepen en banken, een straat, en een beschuttende linde tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij een burcht gemaakt en vervolgens al de andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet ge trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zei hij, maar het hoge water heeft het opgebeurd en de slormwind heeft de rest gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troos? Langs de Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op een nol of terp? vroeg Troos. Nee, zei de man, mijn huis stond eenzaam bij de oever. Ik heb het alleen gebouwd, maar ik kon er niet alléén een terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troos, de maagden hebben het mij gemeld. Ge hebt heel uw leven een afkeer gehad van de mensen, uit vrees, dat ze iets moest geven of doen voor hen. Maar daarmee kan men niet ver komen. Want Wr.alda, die mild is, keert zich af van de gierigen, Fästa heeft ons geraden en boven de deuren van al onze burchten is ’t in steen gegrift: Zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fästa, behoed dan uw naasten,[1] dan zullen zij het U ook doen. Is U deze raad niet goed genoeg; ik weet geen betere voor U. De man werd schaamrood en droop stil af.
Noot Overwijn
- ↑ Regel 4 en 5 van het handschrift zijn door Overwijn overgeslagen.
Ottema 1876
[/143] Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en antwoord aan andere Maagden tot een voorbeeld.
Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan, zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide: toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het gevolg was, dat zij nat werd. Doch zij had gezien, [145] hoe het water bij de hellende bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en overlegden te zamen. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens al de andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fæsta heeft ons geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fæsta, behoed dan uwe naasten, onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
NL100.01 Afgoderij ᐊ vorig/volgend ᐅ NL106.10 Ljudgarda
Aangepaste volgorde:
NL044.07 Weldoener ᐊ vorig/volgend ᐅ NL134.22 Vrijheidszin
In andere talen
DE103.26 Nächstenhilfe EN103.26 Tale ES103.26 Vitela NO103.26 Vellum