Jump to content

NL131.26 Repatrianten: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
mNo edit summary
Line 4: Line 4:


=={{Versie_Own}}==
=={{Versie_Own}}==
'''[/125]''' Wanneer het uitspansel een wijle heeft gewenteld, dan zullen de nakomelingen denken, dat de fouten en gebreken, die de Brokteren hebben meegebracht, eigen waren aan hun voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoveel over hun gewoonten schrijven, als ik heb gezien. Over de Geermanen kan ik geredelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Voor zover ik heb gezien, zijn zij het meest bij hun taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden komen, zijn kwaad ter taal en over hun zeden valt volstrekt niet te roemen. Velen hebben bruine ogen en bruin haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgelovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst moesten komen. Tegen ald zeggen zij aad, tegen salt, saad, ma voor män, sel voor sjil, sode voor sjolde, te veel om op te '''[127]''' noemen. Ook dragen zij meestal vreemde en verkorte namen, waaraan men geen betekenis kan hechten. De Ioniërs spreken beter, maar zij verzwijgen de ’h’ en waar die niet moet wezen, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest van de overledene daarin vaart. Daarom hebben zij allen beelden van Frya, Fästa, Tanneke, Hellenia en vele andere verborgen. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden bijeen en bidden Frya, dat zij haar waakmeisjes zal laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren, noch laten horen. Begint het kind te schreien en houdt dat een tijdje aan, dan is dat een kwaad teken en men heeft het vermoeden, dat de moeder overspel heeft bedreven. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teken dat de waakmeisjes gekomen zijn. Lacht het in de slaap, dan hebben de waakmeisjes het kind geluk toegezegd. Vervolgens geloven zij aan boze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finen afstamden. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb dan één van mijn voorvaderen. Frethorik.


==Ottema 1876==
==Ottema 1876==

Revision as of 20:57, 22 February 2023

Ontwerp 2026 Ott

[131/26]

Overwijn 1951

[/125] Wanneer het uitspansel een wijle heeft gewenteld, dan zullen de nakomelingen denken, dat de fouten en gebreken, die de Brokteren hebben meegebracht, eigen waren aan hun voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoveel over hun gewoonten schrijven, als ik heb gezien. Over de Geermanen kan ik geredelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Voor zover ik heb gezien, zijn zij het meest bij hun taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden komen, zijn kwaad ter taal en over hun zeden valt volstrekt niet te roemen. Velen hebben bruine ogen en bruin haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgelovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst moesten komen. Tegen ald zeggen zij aad, tegen salt, saad, ma voor män, sel voor sjil, sode voor sjolde, te veel om op te [127] noemen. Ook dragen zij meestal vreemde en verkorte namen, waaraan men geen betekenis kan hechten. De Ioniërs spreken beter, maar zij verzwijgen de ’h’ en waar die niet moet wezen, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest van de overledene daarin vaart. Daarom hebben zij allen beelden van Frya, Fästa, Tanneke, Hellenia en vele andere verborgen. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden bijeen en bidden Frya, dat zij haar waakmeisjes zal laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren, noch laten horen. Begint het kind te schreien en houdt dat een tijdje aan, dan is dat een kwaad teken en men heeft het vermoeden, dat de moeder overspel heeft bedreven. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teken dat de waakmeisjes gekomen zijn. Lacht het in de slaap, dan hebben de waakmeisjes het kind geluk toegezegd. Vervolgens geloven zij aan boze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finen afstamden. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb dan één van mijn voorvaderen. Frethorik.

Ottema 1876

[/179] Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien heb. Over de [181] Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden wegkomen, zijn kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt, sâd, voor mæn, sel voor skil, sode voor skolde, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter, doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan geloven zij, dat de geest des overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fæsta, Medea, Thiania, Hellènia en vele andere. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 15a Uit de Saxenmarken