1875 Navorscher: Difference between revisions
mNo edit summary |
No edit summary |
||
| Line 20: | Line 20: | ||
Gij gelooft dat er elders niet meer dan ter loops over het boek is gesproken. | Gij gelooft dat er elders niet meer dan ter loops over het boek is gesproken. | ||
Ik neem de vrijheid u te verwijzen naar de | Ik neem de vrijheid u te verwijzen naar de <small>[cursivering tijdschrifttitels toegevoegd]</small> | ||
* Geschiedkundige aanteekeningen van Dr. J.G. Ottema, 1873. | * Geschiedkundige aanteekeningen van Dr. J.G. Ottema, 1873. | ||
* Open brief van L.F. Over de Linden aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 1874. | * Open brief van L.F. Over de Linden aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 1874. | ||
* Bijvoegsel Leeuwarder Courant, 19 september 1871. | * Bijvoegsel ''Leeuwarder Courant'', 19 september 1871. | ||
* Leeuwarder Courant, 2e bijvoegsel, 18 october 1872. | * ''Leeuwarder Courant'', 2e bijvoegsel, 18 october 1872. | ||
* Noordster van 9 november 1873, N°. 90. | * ''Noordster'' van 9 november 1873, N°. 90. | ||
* Open brief aan den heer Dr. J.G. Ottema door J. ten Doornkaat Koolman, Norden 1873. | * Open brief aan den heer Dr. J.G. Ottema door J. ten Doornkaat Koolman, Norden 1873. | ||
* Göttinger gelehrte Anzeiger, 28 januarij 1874 bl. 112 en verv. | * ''Göttinger gelehrte Anzeiger'', 28 januarij 1874 bl. 112 en verv. | ||
* Augsburgsche Zeitung, Beilage zur Allgemeine Zeitung, 19 october 1873, Das friesische Adela Buch. | * ''Augsburgsche Zeitung'', Beilage zur Allgemeine Zeitung, 19 october 1873, Das friesische Adela Buch. | ||
* Trübner en Co’s. Catalogue of Choise Books, bladz. 60. | * Trübner en Co’s. Catalogue of Choise Books, bladz. 60. | ||
* Het feuilleton van de Deventer Courant, beginnende in het Bijvoegsel van 19 junij 1874 N°. 25 en eindigende in het nummer van 11 september 1874. | * Het feuilleton van de ''Deventer Courant'', beginnende in het Bijvoegsel van 19 junij 1874 N°. 25 en eindigende in het nummer van 11 september 1874. | ||
Dit feuilleton is in december 1874 afzonderlijk uitgegeven te Deventer onder den titel van, »Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok. Historische schetsen met eenige in- en uitvallen,” en naar ik verneem zal hiervan eene duitsche vertaling worden uitgegeven. | Dit feuilleton is in december 1874 afzonderlijk uitgegeven te Deventer onder den titel van, »Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok. Historische schetsen met eenige in- en uitvallen,” en naar ik verneem zal hiervan eene duitsche vertaling worden uitgegeven. | ||
Revision as of 09:18, 18 July 2025
Ingezonden en redactionele stukken m.b.t. OL onder Geschiedenis der Letterkunde in De Navorscher 1875 (PDF).
JJK 62 Blz 108; Lezersvraag met antwoord van hoofdredacteur P. Leendertz.
Oera Linda Bok. Hoe staat het nu toch met het Oera Linda Bok? Is het een bewezen zaak, dat het bedrog is?
[antwoord:] Ik weet niet wat de vrager door bewezen verstaat. Toen de heer Colmjon er over schreef in de Leeuwarder courant en ik, Nav. XXI, bl. 556 vgl, was nog slechts het verslag van den heer Ottema en de ééne bladzijde daarin opgenomen bekend. Ik heb niet vernomen dat dit weerlegd is geworden. Later is het boek in zijn geheel uitgegeven. In de tweede klasse der Kon. Akademie is het ter sprake gebragt, maar men heeft daar gemeend er zich niet mede te moeten bemoeien. Waarom, weet ik niet. Het kan zijn dat ik mij vergis, maar mij dunkt, het lag op den weg der klasse ons daaromtrent in te lichten. Elders geloof ik niet dat er meer dan ter loops over gesproken is. Maar het bewijs dat het bedrog is, is zeer gemakkelijk te geven. Ik heb het boek niet onder mijn bereik, anders zou ik den vrager plaatsen in menigte kunnen aanwijzen, waaruit het zeer duidelijk blijkt.
JJK 63 Blz 284-286; Ingezonden door H.K. te L. (H. Kuipers, uitgever van Thet O.L.B.) met antwoord van hoofdredacteur P. Leendertz.
Oera Linda Bok.
Den Heer Redacteur van den Navorscher.
Mijnheer!
Op de vraag: »Hoe staat het nu toch met het Oera Linda Bok? Is het eene bewezen zaak, dat het bedrog is?” voorkomende in den Navorscher van Maart ll. bladz. 108 wordt door u o. a. gezegd:
»Maar het bewijs dat het bedrog is, is zeer gemakkelijk te geven. Ik heb het boek niet onder mijn bereik, anders zou ik den vrager plaatsen in menigte kunnen aanwijzen, waaruit het zeer duidelijk blijkt.”
Gij zult, Mijnheer de Redacteur, niet alleen den vrager in den Navorscher, maar zeer vele letterkundigen, zoowel binnen- als buitenlandsche, een grooten dienst bewijzen door met eenige bewijzen voor de onechtheid te voorschijn te komen. Gij zegt zelf, dat het zeer gemakkelijk is te bewijzen dat het bedrog is; laat het nu bij die woorden niet blijven, maar toon eenige plaatsen aan, waaruit het bedrog blijkt. Zij, die het boek niet voor bedrog houden, zullen niet uitblijven uwe zoo gemakkelijke bewijzen te trachten te weêrleggen.
Gij gelooft dat er elders niet meer dan ter loops over het boek is gesproken.
Ik neem de vrijheid u te verwijzen naar de [cursivering tijdschrifttitels toegevoegd]
- Geschiedkundige aanteekeningen van Dr. J.G. Ottema, 1873.
- Open brief van L.F. Over de Linden aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 1874.
- Bijvoegsel Leeuwarder Courant, 19 september 1871.
- Leeuwarder Courant, 2e bijvoegsel, 18 october 1872.
- Noordster van 9 november 1873, N°. 90.
- Open brief aan den heer Dr. J.G. Ottema door J. ten Doornkaat Koolman, Norden 1873.
- Göttinger gelehrte Anzeiger, 28 januarij 1874 bl. 112 en verv.
- Augsburgsche Zeitung, Beilage zur Allgemeine Zeitung, 19 october 1873, Das friesische Adela Buch.
- Trübner en Co’s. Catalogue of Choise Books, bladz. 60.
- Het feuilleton van de Deventer Courant, beginnende in het Bijvoegsel van 19 junij 1874 N°. 25 en eindigende in het nummer van 11 september 1874.
Dit feuilleton is in december 1874 afzonderlijk uitgegeven te Deventer onder den titel van, »Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok. Historische schetsen met eenige in- en uitvallen,” en naar ik verneem zal hiervan eene duitsche vertaling worden uitgegeven.
Met de opname dezer letteren in uw eerstvolgend nummer zult u verpligten UEd, dw. Dienaar,
L., H.K.
[antwoord:] Met genoegen voldoe ik aan het verzoek van H.K. om dezen brief in den Navorscher op te nemen. Ik dank hem voor de medegedeelde lijst van brochures en dagbladartikelen naar aanleiding van het Oera Linda Bok uitgekomen. Die lijst zal zonder twijfel ook aan vele lezers van den Navorscher welkom zijn. Wanneer ik het Oera Linda Bok en die stukjens, voor zoo verre ik die bekomen kan, gekregen heb, zal ik den heer H.K. de gevraagde bewijzen leveren, die, ik herhaal het, gemakkelijk te geven zijn.
JJK 68 Blz 392-393; Door John Churl, gedateerd 31-7-1875.
Oera Linda Bok. (XXV bl. 284, 108). Behalve dat, wat de heer H.K. te L. opnoemt, komt ook nog in het Bijvoegsel van de Leeuwarder Courant van 17 september 1871 een opstel voor, waarin de echtheid van het befaamde Oera Linda Bok wordt bestreden.
Indien de heer H.K. te L. nog meer bewijzen voor de onechtbeid van het Oera Linda Bok, dan er voorkomen in de lijst van geschriften door hem medegedeeld, hebben wil, dan verwijs ik hem naar de heeren mr. J. Nanninga Uitterdijk, archivaris der stad Kampen, en J. Beckering Vinckers eveneens te Kampen. Volgens het Programma van het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres toch, (zie o.a. Bijvoegsel, Algemeen Handelsblad, 30 julij 1875) dat op 24—26 augustus 1875 te Maastricht zal gehouden worden (en bij opname van dit schrijven in den Navorscher zeker reeds gehouden is), zal eerstgenoemde aldaar een bespreking inleiden: »Over de geschied- en oudheidkundige bewijzen voor de onechtheid van het Oera Linda Bok;” en laatstgenoemde eveneens: »Over de taalkundige bewijzen voor de onechtheid van het veelbesproken zogenaamde Oera Linda Bok.”
Het is te verwachten dat de bewijzen van de heeren Nanninga Uitterdijk en Beckering Vinckers, wier namen als geleerden, de eerste als geschiedvorscher, de tweede als taalkundige, in Nederland voldoende bekend zijn, meer zoden aan den dijk zullen brengen, aangaande de onechtheid van ’t Oera Linda Bok, dan dat wat b.v. de Londensche boekhandelaar Trübner en C°. aanvoert voor de echtheid daarvan.
31 julij 1875. John Churl.
JJK 75 Blz 585-610; Door hoofdredacteur P. Leendertz.
Het Oera Linda Bôk.
Toen in den Navorscher (dl. XXV, bl. 108) gevraagd werd, is het een bewezen zaak dat het Oera Linda Bôk bedrog is? antwoordde ik, dat dit zeer gemakkelijk te bewijzen valt. Eenigen tijd daarna ontving ik eenen brief (opgenomen in den Nav. XXV, bl. 284 vlg.), waarin onder anderen gezegd werd, »gij zult niet alleen den vrager in den Nav., maar zeer vele letterkundigen, zoowel binnen- als buitenlandsche, een grooten dienst bewijzen door met eenige bewijzen voor de onechtheid te voorschijn te komen. Gij zegt zelf, dat het zeer gemakkelijk is te bewijzen dat het bedrog is; laat het nu bij die woorden niet blijven, maar toon eenige plaatsen aan, waaruit het bedrog blijkt. Zij, die het boek niet voor bedrog houden, zullen niet uitblijven uwe zoo gemakkelijke bewijzen te trachten te weêrleggen.” Ik had A gezegd, ik moest ook B zeggen. Ik beloofde, wanneer ik het Oera Linda Bôk, dat ik niet bezit, en, zoo mogelijk, het eene en andere wat daarover geschreven is, kon bekomen, de gevraagde bewijzen te zullen leveren.
Maar weldra had ik berouw over die belofte. Want ik vernam dat op het Taal- en Letterkundig Congres, te Maastricht de bewijzen voor de onechtheid van het Oera Linda Bôk ter sprake zouden komen. De heeren mr. J. Nanninga Uitterdijk en J. Beckering Vinckers zouden daar, de eerste de geschied- en oudheidkundige, de laatste de taalkundige bewijzen voor de onechtheid leveren. Nu twee zoo bekwame mannen die taak op zich genomen hadden — eene taak bovendien die zeer gemakkelijk is, want bewijzen zijn er in menigte te vinden en zij liggen voor ’t grijpen — berouwde het mij dat ik mijn woord gegeven had. Maar ik heb het gegeven en moet het houden, al schrijf ik nu ook eene Ilias post Homerum.
Na mijne aanvrage op den omslag van den Navorscher heeft meer dan een bezitter van het Oera Linda Bôk de goedheid gehad, mij zijn exemplaar ten gebruike aan te bieden. Maar de dagbladartikelen en brochures die er over handelen, waarvan in den Nav. XXV, bl. 285 eene lijst gevonden wordt, is het mij niet gelukt onder de oogen te krijgen.[1] Aan het congres te Maastricht heb ik geen deel kunnen nemen, en wat de heeren Uitterdijk en Vinckers daar gesproken hebben is mij onbekend gebleven. Het is dus wel mogelijk, waar-
schijnlijk zelfs, dat ik hier en daar zeg, wat reeds door andere gezegd is. Maar wat mij troost is dit, dat de stof verbazend rijk is. Zeker zullen de beide heeren die te Maastricht gesproken hebben, niet alles gezegd hebben wat zij konden zeggen, want daartoe was de tijd, waar zij daar over konden beschikken, veel te kort. Ook ik zal uit den grooten overvloed van bewijzen die gegeven kunnen worden, slechts eenige geven. Ik verwacht daarom, dat die mijner lezers die het congres bezocht hebben, daar vrij wat gehoord zullen hebben wat zij hier niet vinden, en daarentegen hier het eene en andere zullen vinden, waar te Maastricht niet van gesproken is.
Het Oera Linda Bôk, zoo heet het, is het werk van verschillende schrijvers, waarvan de oudste in de zesde, de jongste in het midden der eerste eeuw vóor Christus geschreven heeft. Maar als men het met eenige aandacht bekijkt, ziet het er nog al nieuwerwetsch uit. Het boek is geschreven met eene vreemde soort van letters en cijfers, die, zoo als aan ieder wie het gelooven wil op bl. 64 verteld wordt, door Frya gemaakt zijn uit de figuur van een rad met zes spaken. Doch dat is al een oud kunstjen: Immers voor jaren reeds hebben sommige den oorsprong onzer zoogenaamde arabische cijfers gezocht in een parallelogram met twee diagonalen.[2] Bekijken wij deze letters goed, dan wordt het ons duidelijk, dat het niet anders zijn dan onze gewone letters, zoo verminkt en verknoeid, als noodig was om ze in het rad te doen passen. De vreemdste verschijning onder die letters is wel het teeken dat de ng moet voorstellen. Hoe kwamen toch die oude Friezen daaraan? Dat in onzen tijd een Hollander meent, dat de ng, hoewel door twee letterteekens voorgesteld, slechts éen klank is, begrijpt men: want de g klinkt in deze verbinding anders dan wanneer zij nevens andere letters uitgesproken wordt. Maar vroeger had deze letter eenen anderen klank, nagenoeg denzelfden dien zij in het Fransch (behalve vóór e en i) heeft. Zij heeft dien nog in het Friesch. In het Friesch is dus het verschil tusschen de g zoo als zij achter de n gehoord wordt en de g zoo als zij in andere gevallen uitgesproken wordt, niet zoo groot.
Vermoedelijk was dit verschil in vroegeren tijd nog kleiner: althans de verwisseling van ng en nk in verscheidene woorden maakt het waarschijnlijk. De voorname reden echter waarom sommige de ng voor éene letter gehouden hebben of nog houden, is de wijze waarop in deze letterverbinding de n uitgesproken wordt. Doch dat wij hier inderdaad eene n hebben, maar wier uitspraak sterk gewijzigd is, lijdt geenen twijfel. Voor keelletters is de n zeer moeielijk uit te spreken: een gevolg daarvan is, dat zij in dat geval door de letter die haar volgt sterk gewijzigd, eenigzins geassimileerd wordt. Deze klank nu, die tusschen n en g zweeft, die iets heeft van beide, drukten de Grieken door g uit. Wanneer zij b.v. ἐν (en) zamenstelden met γελάω, καλύπτω, χέω (gelaô, kaluptô, cheô), schreven zij ἐγγελάω, ἐγκαλύπτω, ἐγχέω (eggelaô, egkaluptô, egcheô.) Wij — ofschoon onze uitspraak in dit geval waarschijnlijk dezelfde is als die der Grieken — blijven vóor g en k de n schrijven. Ik zeg voor g en k: want vóor de k en vóor de g, in dank en in lang, is de klank der n geheel dezelfde. Houdt men dus ng voor éene letter, dan moet men nk ook voor ééne letter houden, zoo als Lambert ten Kate dan ook deed (Aenl. dl. I bl. 123). Het is wel waar, dat een Hollander van onzen tijd, nu de g eenen anderen klank heeft aangenomen, zich hierin kon vergissen, en dat is inderdaad meer dan eenen gebeurd. Maar die vergissing kon bij eenen Fries uit ouden tijd geene plaats vinden: hij moest of beide, ng en nk, voor éene letter houden of geen van beide. Dat in het alphabeth van het Oera Linda Bôk wel een letterteeken gevonden wordt voor de ng, maar niet voor de nk, is dus een bewijs dat het een fabrikaat is van latere dagen, dat de fabrikant niet geweten of er niet aan gedacht heeft, dat de g in vroegeren tijd eene andere uitspraak had.
Maar genoeg over het letterschrift. Laten wij het oog eens slaan op de taal die met deze fraaie letters geschreven is.
Het oudste Friesch dat wij kennen, behoort waarschijnlijk tot de dertiende eeuw. Hoe die taal geweest is veertien en achttien eeuwen vroeger, weten wij dus niet. Maar dit weten wij, dat eene taal onophoudelijk verandert. De veranderingen die wij talen van denzelfden stam zien ondergaan, zijn voor een groot deel gelijksoortig en de meeste zien wij in al die talen nagenoeg
omtrent den zelfden tijd plaats hebben. Het gaat met de taal als met den mensch: zij ontstaat, ontwikkelt zich, bereikt haar toppunt van bloei, maar daarna neemt zij af in kracht, vervalt en slijt. Eerst wanneer zij niet meer door het volk gesproken wordt, wanneer zij eene doode taal is geworden, verandert zij niet meer. Eene taal heeft een leven als een mensch, en daarom zien wij in alle zustertalen voor een groot deel dezelfde veranderingen en omstreeks denzelfden tijd. Het verschilt wel eens eene eeuw of wat meer: maar ook hier is ’t weer als bij den mensch: bij den eenen knaap begint de baard een of twee jaren eerder uit te botten dan bij den anderen, en wat een jaar is in het leven van eenen mensch, is eene eeuw in het leven van eene taal. Verscheidene veranderingen zal men wel in de eene taal bespeuren, die men in de andere niet aantreft; maar in weerwil daarvan gaan alle verwante talen zulk een gelijken gang, dat wanneer men eene daarvan vergelijkt met eene andere zoo als deze een paar eeuwen vroeger was, men duidelijk ziet welke de oudste is. Men legge eens Luther naast onzen derdehalven eeuw ouderen Maerlant en het zal terstond ieder in het oog vallen dat zij vrij wat in jaren verschillen: naast Maerlant den Heliand — nog veel grooter verschil; naast den Heliand Ulfila — ook hier is het verschil van jaren zeer duidelijk zigtbaar. Het Friesch van het Oera Linda Bôk, dat eenige — het oudste gedeelte niet minder dan negen — eeuwen ouder heet te zijn dan Ulfila, moest dus vrij wat ouderwetscher zijn dan het Gothisch van dezen bisschop. Maar neen, het tegendeel is het geval: het is veel nieuwerwetscher. De schrijver heeft zijn best gedaan om het Friesch der 13e eeuw zoo veel mogelijk na te bootsen: hier en daar zien wij eene niet altijd goed gelukte poging om er een ouderwetscher aanzien aan te geven; maar al zjne kunst heeft hem niet gebaat. Overal komt de aap uit de mouw: iedere bladzijde zegt ons, dat het boek een aantal eeuwen jonger is dan de schrijver ons wil wijs maken. Laat ik er het eene en andere bewijs van geven.
In de oude duitsche talen zijn de lange en korte vocalen scherp onderscheiden, zoo scherp, dat men er zich niet gemakkelijk in kon vergissen. Langzamerhand is men in dat opzigt slechter gaan spreken, zoo zelfs, dat men in sommige deelen van ons land bij het uitspreken van de opene a en e‚ tusschen lang en kort geer onderscheid meer hoort en bij gevolg ook niet maakt. Onze schrijver weet van dat onderscheid: in zijn fraai letterschrift zijn zelfs verschillende teekens voor lange en korte a en e. Maar hij weet niet regt, waar hij deze of geene gebruiken moet. leder oogenblik treft men eene lange vocaal aan, waar eene korte had moeten staan. Zoo laat hij Adela schrijven wêron (waren) lând, wêsen, kêren (gekozen), êven, witherfâren, fêlo (veel) sêka (zaken) wâka (waken). Men meene niet, dat ik deze voorbeelden met moeite uit het geheele boek hij elkander gezocht heb. Och neen, zij staan alle op de eerste bladzijde van Adelaas werk (bl. 4).
Als wij verder het oog slaan op de werkwoorden, dan vallen ons een aantal sterke werkwoorden in het oog, die hier zwak verbogen worden. Het zijn vooral zulke, die men in het Friesch van onzen tijd (waar de schriijver ook niet onbekend mee is), vooral in het Stadfriesch, ook wel eens zwak hoort verbuigen, b.v. rennen[3] (bl. 130), weven (bl. 132), buigen (bl. 134), druipen (bl. 144), lijken (bl. 148, 176), schijnen (bl. 160), strijken (bl. 235), heffen (bl. 158). Zegt men, het is mogelijk, dat er oudtijds nevens die sterke werkwoorden zwakke hebben bestaan, ik ontken die mogelijkheid niet; maar zij hebben toch wel niet bestaan nevens de reduplicerende verba, waarvan sommige hier ook al zwak verbogen worden, zoo als vallen (bl. 160, 176), roepen (bl. 162), heeten (bl. 186). Van dit laatste begon men eerst in de latere middeneeuwen een zwak praeteritum te gebruiken. Het schijnt dat toen de gewoonte om de ee in een aantal woorden door ie te vervangen, in Holland opkwam. Heeten werd alzoo hieten. Daar echter geene soort van sterke werkwoorden in den tegenwoordigen tijd den ie-klank heeft, zagen vele dit hieten voor een zwak werkwoord aan en maakten er in den verleden tijd hietede van, ofschoon het deelwoord gehieten bleef. Fen zwak praeteritum van dit werkwoord vindt men in den eersten tijd dan ook uitsluitend bij hollandsche schrijvers.
Maar wij vinden ook het omgekeerde, namelijk zwakke werkwoorden sterk verbogen. Zoo vinden wij van zenden het praet. sing. sand (bl. 208), praet. plur. sundon (bl 74), en part. sunden (bl. 118). Zenden is in onzen tijd een sterk werkwoord; maar oudtijds was het zwak en het moest dit zijn. Er heeft wel een sterk werkwoord zenden bestaan: al vinden wij dat woord zelf niet meer in de oude duitsche talen, uit verscheidene afleidingen blijkt met zekerheid dat het er geweest is, maar het heeft de beteekenis gehad van reizen, gaan. Hiervan is ons zenden een factitivum: het luidde in het Gothisch sandjan. Bij ons moest dit senden worden; maar de e verliep somtijds tot i en ook bleef eene enkele reis de oorspronkelijke a stand houden. De verleden tijd was dus sende, sinde, sande: alle drie deze vormen vinden wij. Eigenlijk behoorde het te zijn sendde: doch meestal schreef men het kortheidshalve met éene d. Het weglaten nu der andere d en het gebruik der a — die wij in den tegenwoordigen tijd zelden, maar in den verleden tijd nog al vaak vinden — maakte dat men zenden in het einde voor een sterk werkwoord ging aanzien en als zoodanig gebruiken. Het duurde echter nog al lang eer het zoo ver kwam: ik herinner mij althans niet, dat ik er in de veertiende eeuw of vroeger een voorbeeld van heb gevonden. — Welweet ik, dat het gevonden wordt bij Klaas Kolijn.
Voorts lezen wij het deelwoord urven (bl. 48, 238) en de verleden tijden murk (bl. 246) en myk (bl. 88), van erven, merken en maken. Het is waar, men hoort deze vormen in de spreektaal nog wel eens, de beide eerste in Friesland en Noordholland, het laatste in Zeeland en Vlaanderen; doch dit is geen overblijfsel uit vroegere eeuwen, maar taalverbastering van lateren tijd, even als b.v. riek van raken, gezelen van zeilen, verwonschen van verwenschen, verrolen van verruilen'. In de oudere taal vindt men er geen spoor van. Vraagt iemand, of het toch niet mogelijk is dat men in zeer ouden tijd zoo sprak — ik geef die mogelijkheid toe ten opzigte van erven, maar niet van de beide andere genoemde werkwoorden. Om niet te uitvoerig te worden merk ik hier alleen op, dat de reduplicerende werkwoorden in het Gothisch van de 4e eeuw nog werkelijk reduplicerende waren, en dat zij dit dus in het Friesch van negen eeuwen vroeger ook wel zullen geweest zijn — aangenomen dat er toen reeds Friezen en eene friesche taal waren — en dat het buitendien zeer onwaarschijnlijk mag heeten dat maken ooit een reduplicerend werkwoord geweest is: want, om maar iets te noemen, de werkwoorden van die soort in de duitsche talen hebben alle langen klank, éene klasse uitgezonderd die korte a heeft, en al de werkwoorden van deze klasse hebben achter die a eene dubbele consonant of twee consonanten. Uitzondering maken slechts goth. hahan en fahan en ohd. aran, waarin de a gevolgd wordt door h en r, juist die beide consonanten die de uitspraak van de voorafgaande vocaal onzuiver en onzeker maken, zoo wat quantiteit als wat qualiteit betreft. — Murk van merken verraadt zich reeds door zijne u als een moderne vorm: nog in de middeneeuwen hadden de sterke werkwoorden der eerste klasse in het enkelvoud van den verleden tijd a, niet o of u.
Fouten in de verbuiging der naamwoorden treffen wij ook nog al eens aan, al heeft de schrijver, zeker met behulp van een paar grammaticaas, zijn best gedaan de middeneeuwsche vormen zoo getrouw mogeljk weer te geven. Ik zal niet spreken van fouten als »mith lôthum husa änd gârdum” (bl. 150) en dergelijke, waar men zich af zou kunnen maken door eenen afschrijver de schuld te geven: zelfs zou men het dien gefingeerden persoon kunnen wijten, dat oom en boom vrouwelijk gemaakt worden (êner bâm, bl. 224, minre êm, bl. 226) en dergelijke slordigheden meer. Maar op dien afschrijver kan men het toch niet schuiven, dat vrouwennamen op a, niet op eene enkele plaats, maar doorgaande, sterk verbogen worden: zoo vindt men de genitiven Fryas (bl. 4 en elders), Adelas, Sytjas, Jaltjas (bl. 8), Gosas (bl. 214) en het fraaie Mêdêas blik (bl. 8 en elders). Hier lieten zijne grammaticaas hem in den steek, want omtrent eigennamen is, in de meeste althans, niets te vinden. Hij wist wel, dat men tegenwoordig zegt Annaas kleed, Bertaas huis, maar hij wist niet of herinnerde zich niet, dat men in de middeneeuwen nog zoo niet sprak of schreef, dat toen duitsche vrouwennamen op eenen klinker uitgaande altijd zwak verbogen werden. Hij schijnt zich ook herinnerd te hebben, dat hij de stoffelijke bijv. naamwoorden in verbogen naamvallen wel eens zonder n gevonden heeft. Doch hij heeft dat zeer verkeerd te pas gebragt. Want bij hollandsche schrijvers uit de 17e eeuw leest men nu en dan in het meervoud, goude, ijzere, enz. Doch in de middeneeuwen was het nog anders: toen werd niet alleen de n aan het einde duidelijk gehoord, maar vóor die n hoorde men niet, als nu, eene toonlooze e,‚ maar eene lange i. Daarom sprak men ook van eenen goudinen pot (Maerl. Rijmb. 4394), eenen yserinen naghele (ald. vs. 7383), enz. Niet alleen sprak men in Friesland in denzelfden tijd even zoo, maar ook nu nog laat men daar in het enkelvoud de n van het stoffelijk bijv. naamwoord duidelijk hooren en verbuigt het in het meervoud: men spreekt daar b.v. van goudene ringen en houtene huwskens. Een nieuw bewijs dat de auteur van het Oera Linda Bôk, die reeds de Friezen van drie en vijf eeuwen vóor Christus van sténe wêpne (bl. 72), ysere wêpne (bl. 74, 82), ysere helma en stêla boge (bl. 240) laat spreken, ons knollen voor citroenen zoekt te verkoopen.
Onder de verschillende manieren waarop men de taal bederft, is er eene die hierin bestaat, dat men voorzetsels bij of aan elkander voegt. Iets nieuws is het niet: reeds in de 17e eeuw vindt men er voorbeelden van; eerst in onze eeuw echter schijnt men er regt smaak in gevonden te hebben. In de spreektaal hoort men het nog wel niet veel, maar in boeken treft men van uit, van achter, bij langs en dergelijke meermalen aan. In het Friesch is het nog niet doorgedrongen: als een Hollander zeide van uit het water of tegenover de school, zou een Fries dit vertalen wt it wetter wei, tjin de scoale oer. Maar wie er smaak in moge vinden, niemand zeker zoo zeer als de maker van dit boek. Het krioelt er van allerlei zulke zamenvoegingen. Hij geeft ons b.v. op bl. 234 te lezen, »and forth heth-er truch ovir alle stâta fâren”, dat wil volgens de bijgevoegde vertaling zeggen, en vervolgens heeft hij door alle staten gereisd. Behalve dit door over lezen wij door uit (bl. 140), van uit (bl. 120, 126, 130 enz.), van over (bl. 144, 218), van voor (bl. 174) van onder-uit (bl. 216), in op (bl. 146, 150, 208 enz.), in over (bl. 184, 192, 220 enz.) in om (bl. 230), te voor (bl. 144, 146 enz.). Zelfs van af — onze van Lennep, wien het een steen des aanstoots was, mogt het voor eene nieuwigheid houden — zelfs dit wordt ons hier als eeuwen oud onder de oogen gebragt. Wij lezen het niet alleen, wanneer op bl. 224 gesproken wordt van slangen van de grootte van een worm af (fon af the grâta êner wyrme) tot op de grootte van eenen boom, maar nog eens op de zelfde blz., voorts op bl. 210 en misschien nog wel elders. Niet minder fraai is uit af,dat bl. 38 voorkomt. Maar het fraaiste is zeker in uit. Men leest dit op bl. 136 (inut Wralda Kumath alle thinga) en nog eens op bl. 228.
Nu ik toch met de voorzetsels bezig ben, wil ik er even op wijzen, hoe weinig de man die ons zijn boek als eeuwen oud Friesch in de hand wil stoppen, zelfs de taal der middeneeuwen magtig is. Waar zijne grammaticaas hem voorlichten kunnen, gaat het — zoo als het gaat; maar waar deze hem in den steek laten, raakt hij het spoor geheel bijster. Zoo schijnt hij met de wijze waarop en de beteekenis waarin men de voorzetsels in de middeneeuwen gebruikte, vrij onbekend. Anders toch zouden wij in zijn boek niet lezen; door mijn volk ben ik gekozen (bl. 122), gediend en geëerd door de menschen (bl. 138), de huiden worden door de vrouwen toegemaakt (bl. 151), dit alles werd door de droevige menschen ingezogen (bl. 184), allerwege liep zij over straat, (bl. 172), kwaad spreken over onze voorvaderen (bl. 236), toen bragt hij ons na de haven van Athene (bl. 170), hij zond boden na Berthold (bl. 210), zij gingen na de Denemarken (ald.), het was er altijd zoo vol met boden en ridders (bl. 122), daarmede ben ik het blijdste (bl. 126). Dit alles is taal van de 19e eeuw. In de middeneeuwen zeide men in zinnen als deze niet door maar bij, niet over maar achter straat, niet kwaadspreken over maar van, niet na maar tot, en bij vol en blijde bezigde men niet met maar den genitivus. Even nieuwerwetsch is het gebruik van aan en van, waar onze middeneeuwsche schrijvers doorgaans, en die van eenige eeuwen vroeger altijd den dativus of genitivus gebruikten, b.v. aan de moeder zond hij een zak goud (bl. 172), hij gaf zijne bevelen aan alle andere Golen (bl. 240), een afschrift van het boek (bl. 126), de vloot van Ptolemaeus (bl. 170), de ooren van Demetrius (bl. 172). Men zou daar nog wel honderd voorbeelden bij kunnen voegen.
Ik zou nog een aantal andere dingen kunnen noemen, ten bewijze dat de taal die wij hier vinden, alles behalve oud is. Doch waartoe zou het dienen? Mij dunkt, ik heb reeds genoeg aangewezen, om ieder te overtuigen die overtuigd wil worden. Maar er is toch nog eene zaak, waar ik niet nalaten kan de aandacht op te vestigen. De oude Friezen hebben, zoo men het Oera Linda Bôk gelooven wil, bijna de gansche toen bekende wereld bereisd. Indië, Phoenicië, Egypte, Afrikaas noordkust, Griekenland, Italië, Spanje, Gallië en Brittanië nebben zij bezocht, met Slaven Finnen en Magyaren zijn zij in aanraking geweest. Men zou verwachten dat hunne taal daar de blijken van zou dragen, dat wij nu en dan een woord zouden ontmoeten uit eene dier talen overgenomen. Maar in die verwachting worden wij deerlijk te leur gesteld. Of ja, op bl. 76 lezen wij het woord sêfyra, wat daar bazuinen beteekent. De heer Ottema (Geschied. aanteek. bl, 11) wil er een duitsch woord in vinden: het beteekent, zegt hij, scheepsroepers, zeetrompetten, en is »zamengesteld uit sê de zee, en fyr een denneboom, omdat deze trompet gemaakt was uit een uitgeholde denneboom”. Doch tot deze wel wat vreemde verklaring behoeven wij onze toevlugt niet te nemen. Het is iets anders: het is het hebreeuwsche [x]. Van de phoenicische taal is zeer weinig bekend, maar zoo veel toch, dat wij er uit kunnen opmaken, dat zij niet veel van het Hebreeuwsch verschild heeft. De goedgeloovige zouden dit dus voor een woord kunnen houden, door de oude Friezen van de Phoeniciërs, met wie zij veel omgang hadden, overgenomen. Ik evenwel, die niet tot die goedgeloovige behoor, maar het Oera Linda Bôk voor een product van onzen tijd houd, zou eerder denken, dat de spreekwijze de schofar blazen, d.i. veel beweging maken, het land in rep en roer zetten, die, in de laatste veertig jaar althans, hier en daar voorkomt, den schrijver aan dit woord geholpen heeft.
Maar aangenomen voor een oogenblik dat dit woord uit het Phoenicisch geborgd kan zijn, van andere woorden uit die taal, van woorden van Egyptenaren, Spanjaarden, Britten enz. overgenomen, geen spoor. Zelfs de Grieken, dat volk waarmede, volgens de berigten van dit boek, de Friezen zoo veel hebben omgegaan, hebben huu geen enkel woord uit hunne taal medegedeeld. Wel een bewijs, zullen Adelaas vrienden zeggen, dat die oude Friezen liefde hadden voor hunne taal, dat zij niet duldden dat die door vreemde inmengsels verontreinigd werd, dat zij... Maar niet te haastig: er is ééne taal waaruit in dit boek woorden bij dozijnen zijn overgegaan: het is het Latijn. Ten bewijze laat ik hier een lijstjen volgen van die welke ik al lezende heb aangeteekend; misschien heb ik er nog wel eenige overgeslagen.
Schrijven scribere (bl. 10); abel, habilis (bl. 16); metaal metallum (bl. 16); feest, festum (bl. 24); vieren, feriari (bl. 24); markt, mercatus (bl. 30); meester, magister (bl. 30); staat, status (bl. 42); pest, pestis (bl. 50); offeren, offerre (bl. 50); altaar, altare (bl. 54); venijn, venenum (bl. 58); zeker, senurus (bl. 58); nommer, numerus (bl. 64); juist, justus (bl. 74); kroon, corona (bl. 76); straat, via strata (bl. 80); poort porta (bl. 80); klaar, clarus (bl. 102); kostelijk, van constare (bl. 108); ark, arca (bl. 110); keten, 'catena (bl. 112), zelfs de latere vorm ketting (bl. 176); vlam, flamma (bl. 116); pijl, pilum (bl. 118); terpentijn, terebinthinum (bl. 118); valsch, falsus (bl. 126); lijn, linea (bl. 130); punt, punctum (bl. 132); trachten, tractare (bl. 132); toren, turris (bl. 134); vrucht, fructus (bl. 142); school, schola (bl. 146); kooken, coquere (bl. 158); pront, promtus (bl. 170); dubbel, duplus (bl. 196); krek, correcte (bl. 198); (te) pas (komen) passus (bl. 200); korf, corbis (bl. 204); befaamd, van fama (bl. 208); tafel, tabula (bl. 216); brief, breve (bl. 220): kelk, calix (bl. 226); jok, jocus (bl. 242); les, lectio (bl. 242); pijn, poena (bl. 248).
Wij hebben hier een zeer klaar bewijs, dat het boek geschreven moet zijn in eenen tijd, toen reeds menigte van latijnsche woorden in onze taal was overgegaan. Misschien wist de auteur niet, dat sommige dier woorden uit het Latijn geborgd zijn. Van andere zal hij het waarschijnlijk wel geweten hebben; maar hij was zoo gewoon ze te gebruiken, dat hij ze neerschreef zonder te bedenken dat zij in Friesch van vier en twintig eeuwen geleden, niet op hunne plaats waren. Van gelijke onachtzaamheid vinden wij meer sporen. Onder de volken met wie de Friezen in aanraking kwamen, vonden wij geene Maleiers genoemd en toch komen wij hier een maleisch woord tegen: het is amper, wat wij op bl. 66 vinden, »that ta bârn tha skriftun hjarar aldrum amper lisa en mûga” (dat de kinderen de schriften hunner ouders bezwaarlijk lezen kunnen.) Het is bekend, dat onze zeevaarders ons dit amper uit Oostindië medegebragt hebben. Wij lezen ook niet, dat die oude Friezen met de Arabieren hebben omgegaan. Doch al ware dat zoo, hoe zou het dan nog te verklaren zijn, dat zij het woord cijfer gebruikten, niet in de beteekenis van nul, die het in het Arabisch heeft, maar in die van getalmerk, welke het in verscheidene nieuwere talen van Europa heeft aangenomen, ja, dat zij het verbonden met een latijnsch woord en spraken van een nul in ’t cijfer (bl. 72)? Er komen echter nog vreemder dingen voor den dag, die op mirakelen beginnen te lijken. Hoe kwamen toch Adela en de vervolgers van haar werk aan kennis van talen die toen nog niet bestonden, van Fransch en Italiaansch? Immers proeven (bl. 18, 162), rond (bl. 18 enz), resten (bl. 218), partij (bl. 206), joi (bl. 128, 172) zijn wel woorden van latijnschen oorsprong, maar die toch, zoo als uit hunnen vorm blijkt, niet regtstreeks uit deze taal, maar door middel van het Fransch tot ons gekomen zijn. Helmet (bl. 236) is een woord van duitschen oorsprong, maar dat de Italianen van ons hebben overgenomen en ons later, met den uitgang dien zij er aan toegevoegd hadden, weergegeven. Ook de uitgang aadje hebben wij aan het Fransch of Italiaansch, waarschijnlijk aan laatstgenoemde taal ontleend. In den beginne werd hij agie geschreven; maar hier lezen wij schenkaadje (bl. 204): ik geloof niet, dat men vóor de 17e eeuw zoo geschreven heeft.
Ik zou hier kunnen eindigen; maar deed ik het, dan zouden, vrees ik, vele lezers mijn geschrijf onvoldaan uit de hand leggen. Zij weten nu, wel is waar, dat het stuk onecht is; maar, bedrieg ik mij niet, dan zullen zij wenschen er nog iets meer van te weten, namelijk wanneer en door wien het vervaardigd is. Op de laatste dezer vragen moet ik het antwoord schuldig blijven. De eerste kan ik wel niet zoo naauwkeurig beantwoorden dat ik het jaar noem waarin het boek geschreven is, maar ik zal toch hun die er belang in stellen, in zoo verre kunnen voldoen, dat ik hun een klein tijdperk aanwijs, binnen hetwelk het ontstaan van dit boek moet vallen.
Laat ik eerst, ten dienste van hen die het boek niet bij de hand hebben, herinneren wat daaromtrent beweerd wordt.
Adela, schreef het oudste gedeelte, bl. 4—120, in het jaar 558 vóor Ch. (dr. Ottema Inl. bl. XII).
Apollonia schreef het tweede gedeelte, bl. 122—154, omstreeks 530 vóor Ch. (ald.).
De schrijver van het derde, bl. 156—180, Frethorik, moet gestorven zijn 266 voor Ch. (dr. Ottema Geschiedk. aant. bl. 26). Daarop volgen stukken van zijne weduwe Wiljow, hunnen zoon Konerêd en hunnen kleinzoon Beeden, bl. 180-232. (Dez. Inl. bl. XI.)
De laatste schrijver, die van bl. 234—252, schreef in het midden der le eeuw voor Ch. (Ald. bl, XII).
Het handschrift Is sinds onheugelijke jaren in de familie Over de Linden vererfd en bewaard. Het is het eigendom van den heer C. Over de Linden aan den Helder. Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijnen grootvader den heer Andries Over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden den 15 april 1820 in den ouderdom van 6l jaren. Daar de kleinzoon echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het hs. voor hem bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. Over de Linden, wonende te Enkhuizen, die het in aug. 1848 aan den tegenwoordigen eigenaar ter hand gesteld heeft. (Ald. bl. I).
Onderzoeken wij, wat daarvan waar is. Ook nu zal ik mij doorgaans bij de taal van het boek bepalen.
Laat ik dan in de eerste plaats opmerken, dat al die schrijvers wier werk in het Oera Linda Bôk vereenigd is, en die een, drie of vijf eeuwen vóor Christus moeten geschreven hebben, toonen dat zij zeer goed bekend zijn met een aantal zaken, die het christendom of de christelijke kerk betreffen of daarmee in verband staan. Wanneer wij bl. 33 lezen, dat van het marktgeld aan »de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, vijftig deelen” gegeven worden, reeds dan meenen wij onder een christelijk volk verplaatst te worden. Nog meer, wanneer ons bl. 160 verhaald wordt, »helder van hoofd en klaar van zin, heel goed en omdat hare burgt alleen gespaard was, zag iedereen daaruit hare roeping” en bl. 144, »zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fâsta, behoed dan uwe raasten, onderrigt dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen:” want roeping in de beteekenis van hetgeen iemand moet worden of volbrengen, en naaste in die van medemensch (waarin het ook bl. 20 en 230 voorkomt) zijn wij aan het Nieuwe Testament verschuldigd. Zoo is ook beamen (wat men hier op bl. 8 vindt), dat is beamenen, amen zeggen op iets, een woord dat de duitsche volken niet konden hebben eer zij met het christendom bekend waren. Evenmin konden zij vóor dien tijd de woorden zegen en zegenen hebben, die men hier bl. 152, 180, 210 ontmoet, Want het maken van het teeken des kruises over iemand of iets, is een gebruik dat men eerst onder de Christenen, en nog niet eens in den vroegsten tijd aantreft. In het Latijn heette dat cruce signare, en het kruisteeken crucis signum, en van dit signum en signare, waarvan het bepalende woord weggelaten werd, komen ons zegen en zegenen.
Een aantal malen wordt in dit boek van tempels melding gemaakt en die tempels heeten steeds kerken (bl. 50, 72, 178 enz.). Het woord kerk komt van het grieksche κυριακòν. Waarschijnlijk hebben de Gothen dit van de Grieken overgenomen en is het van hen tot de overige duitsche volken overgegaan (zie Nav. XIV, bl. 341-346). Κυριακòν beteekent huis des heeren. Hiermede echter is de beteekenis van het woord nog niet verklaard. Want de vraag blijft dan nog, wie is die heer? Gewoonlijk is het antwoord, die heer is God. Ik twijfel echter of dat antwoord juist is. Het Latijn heeft een dergelijk woord, namelijk dominica: ook dit beteekent huis des heeren. Ik geloof, men is het er in onzen tijd vrij wel over eens, dat de heer, van wien dat laatste woord spreekt, de heer bisschop is. Ik vermoed, dat het de zelfde heer is, op wien het κυριακòν betrekking heeft. Reeds verdient het opmerking, dat het concilie van Neocesarea van 312 in zijnen 13den kanon zegt, Επιχώριοι πρεσβύτεροι ἐν τῳ κυριακῳ τῆς πόλεως προσφέρειν ὀυ δύνανται, παρόντος ἐπισκόπου ἤ πρεσβυτέρων πόλεως, en dus onderstelt dat er in iedere stad maar éen κυριακòν is. Maar als het concilie van Ancyra in 372 gebiedt, ὄτι ὀυ δεῐν ἐν τοῐς κυριακοῐς ἢ ἐν ταις ἐκκλησίαις τας λεγομένας ἀγάπας ποιεῐν, dan zien wij dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen ἐκκλησίαι en κυριακὰ, en mij dunkt, dit kan naauwelijks in iets anders bestaan dan hierin, dat de eerste gewone kerken, de laatste bisschopskerken zijn. Is dit zoo, dan kan laatstgenoemd woord eerst ontstaan zijn in eenen tijd, toen er reeds een bepaald onderscheid gemaakt werd tusschen de bisschoppen en de overige opzieners der gemeenten. Doch in ieder geval beteekende het eene vergaderplaats van Christenen, en zoolang men dat begreep, kon het niet op eenen joodschen of heidenschen tempel toegepast worden. Ik weet ook niet, dat dit met het grieksche woord ooit geschied is. De duitsche volken, die het hadden overgenomen, konden daar zeker gemakkelijker toe komen. Toch hebben zij het zelden gedaan. Ulfila noemt den jeruzalemschen tempel steeds alhs; voor synagoge vond hij in zijne taal geene geschikte benaming en hij behoudt daarom het grieksche woord. Hieruit mogen wij opmaken, dat of κυριακὸν door de Gothen in zijnen tijd nog niet uit het Grieksch overgenomen was, of dat hij dezen naam niet geschikt achtte voor een heiligdom van andere dan van Christenen. De schrijver van het Oera Linda Bôk, die gedurig spreekt van kerken van allerlei heidensche volken, moet dus jonger zijn dan Ulfila.
Hetzelfde leert ons een ander woord, dat wij daar gedurig lezen, het woord priester namelijk (bl. 28, 50, 52, enz.). De oorsprong van dit woord is bekend. Het is het grieksche πρεσβύτερος, oudere, dat men als presbyter in het Latijn heeft overgenomen. Onder de Christenen heetten zoo de opzieners der gemeenten, de mannen, aan wie daar eenige invloed, eenig gezag werd toegekend, die als de hoofden der gemeente beschouwd werden. Tusschen deze en hen, die, hetzij bij de Joden, hetzij bij Grieken of Romeinen den tempeldienst waarnamen, waren in den beginne al zeer weinig punten van overeenkomst te vinden. Doch langzamerhand vermeerderden onder de Christenen de godsdienstplegtigheden, al scherper scheiding kwam er tusschen de presbyteri en de overige leden der gemeente, en de eerste begonnen in het einde beschouwd te worden als eene bijzondere klasse van menschen, aan wie de zorg voor de godsdienstplegtigheden was toevertrouwd. Toen was er eenige overeenkomst, toen begon het mogelijk te worden, dat de naam van sacerdos of pontifex op Christenen, die van presbyter op Joden en Heidenen werd toegepast. Het eerste is geschied; wat het laatste betreft, dat het grieksche πρεσβύτερος of het latijnsche presbyter op die wijze gebezigd is, daarvan is mij geen voorbeeld bekend. Maar dit woord ging in de duitsche talen over, waarin het eerst natuurlijk slechts van eenen christelijken, doch later ook van eenen joodschen en heidenschen priester gold. Wanneer men begonnen is zoo te spreken, kan niet juist bepaald worden; maar vermoedelijk zal dit toch eerst geschied zijn eenigen, misschien wel een vrij langen tijd, nadat de duitsche volken het christendom hadden aangenomen. Dit weten wij zeker, dat Ufila het niet deed; hij noemt eenen joodschen priester altijd gudja, en ik twijfel niet, of, indien wij het boek der Handelingen in de taal der Gothen hadden, wij zouden er uit leeren, dat dit volk eenen priester van Jupiter even zoo noemde. Een boek derhalve, waarin gesproken wordt van de priesters der Egyptenaars, Magyaren, enz., moet dus althans jonger zijn dan de 4de eeuw.
Wij hebben dus onzen fabrikant van het Oera Linda Bôk reeds naar de vierde eeuw vooruitgeschoven. Wij moeten hem evenwel nog heel wat verder brengen. Wie langzaam gaat, gaat zeker, zegt het spreekwoord. Laten wij die wijze les in acht nemen en met onzen patient telkens een of twee eeuwen vooruitstappen, totdat wij daar met hem gekomen zijn, waar hij te huis behoort.
In het jaar 591 vóor Chr, zoo verhaalt Adela, bl. 112, waagden de Magy in een stormachtigen winternacht eenen aanval op Texland. De torenwachter, gerucht hoorende, stak zijne toorts aan en gewapende mannen ziende, ging hij henen om de klok te luiden. Wij merken, dat Adela de klok heeft hooren luiden, maar niet weet waar de klepel hangt — of eigenlijk zouden wij moeten zeggen, zij weet niet, wanneer de klepel er in gehangen is. Zij laat dien klepel ten minsten duizend jaren te vroeg kleppen. In de eerste eeuwen werden de Christenen door de bazuin of door eene soort van klepperhoutjens (tabulae ligneae) ter godsdienstoefening zamengeroepen. De uitvinder der klok, welke deze instrumenten in lateren tijd verving, was, volgens het gewone verhaal, Paulinus, gestorven in 481, die bisschop was van Nola in Campanië, vanwaar de klok ook in het Latin de namen van nola en campana gekregen heeft. Er zijn er onder de geleerden die het onderwerp onderzocht hebhen, die dit niet toegeven, maar beweren, dat er wel reeds in de vierde eeuw melding gemaakt wordt van belletjens, die het vee aan den hals droeg, maar dat er reden is om te twijfelen, of in den tijd van Paulinus de klokken al in gebruik zijn geweest. Klokken op wachttorens zijn zeker veel jonger dan kerkklokken. Doch al geven wij toe al wat wij met mogelijkheid kunnen toegeven, al nemen wij aan, dat Paulinus de uitvinder der klokken is geweest en dat zij al heel spoedig niet alleen bij de kerken, maar ook op wachttorens gebruikt zijn, dan brengt toch dit berigt van Adela ons reeds in de vijfde eeuw.
Tot het groote aantal zaken in dit boek, die meer of minder nieuwerwetsch zijn, behoort het gebruik van hebben als hulpwerkwoord. Hier vindt men dat reeds op de eerste bladzijde: »om dat ongeluk te weren had men eene algemeene volksvergadering belegd,” zegt Adela, bl. 4. Op dezelfde bladzijde kan men er nog negen voorbeelden van vinden, en zoo gaat het geheel het werk door. Maar de oude duitsche volken kenden hebben niet als hulpwerkwoord, evenmin, als de Romeinen of Grieken. Vraagt men, sedert wanneer het zoo gebruikt is, dan antwoordt ons Jacob Grimm; »Der romanischen sprache wurde das mit habere umschriebene prät. wahrscheinlich bereits im 6, 7 jahrh. zur sitte und regel” (Gramm. IV, 154). Het vroegste voorbeeld van zoodanige omschrijving in het Oudhoogduitsch vond hij in de 8ste eeuw. Doch hij voegt er bij: »vor dieser zeit schon mag sie sich bei andern deutschen stämmen, namentlich Franken und Sachsen, noch viel früher aber unter dem benachbarten romanisch redenden volk eingeführt haben” (s. 153). Eten wij nu al wat deze oude friesche historieschrijvers zoo goed zijn ons voor te zetten, voor zoete koek op en gelooven wij dat de Friezen met allerlei volken in aanraking geweest zijn, nemen wij dus aan, dat zij die omschrijving van het werkwoord hebben reeds zeer vroeg kunnen hebben opgemerkt en overgenomen, dan kan dit toch althans niet vroeger geschied zijn dan de zesde eeuw.
Wij zijn gewoon van eilanden te spreken en de Friezen van onzen tijd insgelijks. Maar als wij in een friesch boek van ruim een paar duizend jaar geleden dat woord eiland (êland, bl, 10 en elders) ontmoeten, zien wij vreemd op. Het oude Friesch toch had daarvoor het woord âge, eage. Later is daarvan van de zamenstelling eageland ontstaan en beide hebben waarschijnlijk eenigen tijd te zamen voortgeleefd, totdat in het einde het eerste is weggestorven. Hier bevinden wij ons reeds in die laatste periode. Immers Adela en haar gezelschap schrijven êland, uit welke schrijfwijze blijkt, dat het oude eag hun zoo geheel onbekend is, dat zij bet woord, waardoor het vervangen is, voor eene zamenstelling houden van ê (water) en land. Hoe lang eag in gebruik gebleven is, weet ik niet te zeggen; maar ik moet toch het volgende doen opmerken. Ten noorden van het tegenwoordige Friesland ligt een eiland, datSchiermonnikoog heet, en vroeger ook wel enkel Monnikoog genoemd werd. De naam beteekent eiland der graauwe monniken en moet hiervan zijnen oorsprong hebben, dat monniken bewoners of eigenaars van het eiland geweest zijn. Wanneer dat het geval geweest is, weet ik niet; maar ik twijfel toch niet, of ieder zal mij toestemmen, dat zoo iets althans niet mogelijk was voor den dood van Radboud in 719. De naam kan dus niet ouder zijn dan de achtste eeuw. Daaruit volgt, dat de Friezen in dien tijd het woord eage nog kenden en gebruikten. En nu zal zeker niemand beweren, dat ik te stout spreek, als ik zeg, dat een friesch schrijver wien het woord eage zoo vreemd is, dat hij eiland door waterland verklaart, in het laatst der achtste eeuw of later moet geleefd hebben.
Als men leest wat in de vertaling op bl. 93 te lezen staat, »zij had veel in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte zij korte maat”, dan vraagt men, wat moet dat beteekenen, wat is »korte maat maken”? Men vergelijkt er mede, wat op de bladzijde daartegen over staat: »myk hju kirte mête”’ — en ja, nu vat men het: de schrijver heeft gedacht aan onze spreekwijze: korte metten maken. Misschien heeft hij deze met opzet zoo verdraaid om zijne lezers op de mouw te spelden, dat metten uit maat verbasterd is — hij is daar niet te goed toe, wij zullen er later meer bewijzen van zien — misschien ook heeft hij haar niet verstaan. Dit laatste heeft hij dan met vele in onzen tijd gemeen, zoo als blijkt uit het korte wetten maken, dat men zoo dikwijls hoort en leest. De metten in deze spreekwijze zijn de matutinae, de vroegmis, de eerste van de horae canonicae der roomsche kerk. Korte metten maken, beteekent dus, de metten kort maken, vlug ten einde brengen, en bij gevolg, als spreekwijze, eene zaak spoedig afdoen, geene lange morgenspraak maken. Het spreekt van zelven, dat zulk eene spreekwijze in Friesland niet in gebruik heeft kunnen zijn, voor dat het christendom daar eenigzins gevestigd was, dus op zijn vroegst in de achtste eeuw.
Het niet bepalende lidwoord een kenden de duitsche volken in den oudsten tijd evenmin als de Grieken of Romeinen. Omtrent den tijd, wanneer het bij hen in gebruik gekomen is, zegt J. Grimm, Gramm. IV, 381, »Althochd. ist, wenigstens seit dem 9, 10 Jahrh, der artikel ein nicht zu verkennen, obgleich noch in geringerem gebrauch,” en hij voegt er bij, dat het er in het Oudsaksisch en Angelsaksisch omtrent even zoo mee geschapen staat. Friesche geschriften uit zoo vroegen tijd bezitten wij niet. Wij kunnen hier dus slechts gissen. En men zal het zeker geene gewaagde gissing noemen, als wij onderstellen, dat in de taal der Friezen dit lidwoord in denzelfden tijd in gebruik is gekomen, als in de talen der genoemde duitsche volken, die rondom hen woonden. Maar dan kan ook een schrijver als die van het Oera Linda Bôk, die het lidwoord een gebruikt, even vaak als een schrijver van onze dagen, in geen vroegeren tijd dan in de tiende eeuw te huis behooren.
Gaan wij een paar eeuwen verder. Eerst in het Middenhoogduitsch vinden wij vrouwelijke zelfst. naamwoorden met den uitgang es en werkwoorden met den uitgang eeren; daar vinden wij ook het eerst den uitgang baar achter den stam van een werkwoord gevoegd. Van geene dezen drie soorten van woorden levert het Oudhoogduitsch een voorbeeld. Dit doet ons vermoeden, dat wij er ook bij andere duitsche volken omstreeks denzelfden tijd, 12e of 13e eeuw, de eerste voorbeelden van zullen aantreffen. In het O.L.B. nu lezen wij de woorden priesteres (bl. 104), hanteeren (bl. 6, enz), tilbaar (bl. 30), kenbaar (bl. 32), onleesbaar (bl. 66): het moet dus van de twaalfde eeuw zijn of nog later.
Nog later. Laat ik op een paar plaatsen wijzen — ik zou er meer kunnen noemen — die ons tot de veertiende eeuw brengen. Het boek is vol van allerlei afleidingen die aan Becanus doen denken. Voor het grootste deel zijn dit afleidingen van eigennamen. Neptunus is neef Teunis (bl. 78 vlgg.). Marseille mis-sellia (verkeerde koop), Kalypso is Ka lip, zoo geheeten »omdat haar onderlip als een mastkorf vooruit stak” (bl. 108), het eiland Kreta heeft zijnen naam naar de woeste kreten die het volk daar aanhief bij de komst der Friezen enz. Vraagt men, of de schrijver van het boek dit in ernst meent, of hij inderdaad gelooft, dat Minerva, Calypso en Cornelia, dat Tyrus, Cadix en Marseille friesche namen zijn; — neen hij weet wel beter en zal zeker in zijne vuist gelachen hebben, toen hij bemerkte dat er waren die zich zulke fraaiigheden op de mouw lieten spelden. Ik zou er ook geene melding van gemaakt hebben, indien er onder die afleidingen niet éene was, waarbij wij even moeten stilstaan. Medemblik namelijk heet bij hem bl. 8 en elders Mêdêasblik. Deze afleiding is geene eigen vinding van den schrijver, zij is oud en bekend.
Maar, en dit is het wat wij hier noodig hebben, hoe oud kan zij zijn? Wij kunnen dat vrij naauwkeurig aanwijzen. Medemblik is Midden-leek. De Leek (vroeger Middenleek geheeten, in tegenoverstelling van de Oosterleek en Westerleek, die ook aan plaatsen in het Noorderkwartier hunnen naam gegeven hebben) stroomde hier in zee. Later is zij vlak bij de stad vergraven, maar op eenen kleinen afstand vandaar vindt men haar nog. In den eersten tijd waarin de stad vermeld wordt, heet deze steeds Medemelaca. Maar de e achter de tweede m werd later weggelaten. Dit maakte het uitspreken van den naam moeielijk: immers op de m volgde nu eene l, en onmiddelijk na de m eene l of r uit te spreken, valt zwaar. Zal deze moeielijkheid weggenomen worden, dan moet er eene overgangsletter worden ingevoegd en wel eene b. In het Fransch is dit in verscheidene woorden geschied b.v. in chambre (lat. camera), nombre (lat. numerus), comble (lat. cumulus), trembler (lat. tremulare). In onze taal heb ik het slechts in een paar plaatsnamen opgemerkt. Een daarvan is Medemblik. Nu vinden wij den naam dezer stad herhaaldelijk bij Melis Stoke genoemd, en slechts éenmaal heet zij in hs. A, dat uit de laatste helft der 14e eeuw is, Medebleec; maar overal elders in alle vijf de handschriften wordt de naam zonder b geschreven (Huydecoper op Stoke I bl. 81). Hiermede komt overeen wat de oude stukken, op het archief der stad aanwezig, ons leeren. In het oudste van 1288 lezen wij Medemleke, maar in stukken van 1355 en later Medembleck. Wij mogen het er dus voor houden, dat de b niet voor de veertiende eeuw in dezen naam is uitgesproken en geschreven en dat bij gevolg de fraaie afleiding van Medeaas blik ook niet voor de veertiende eeuw mogelijk is geweest.
Het hs. van het O.L.B, zegt de heer Ottema in de inleiding, is geschreven op katoenpapier, dat afkomstig moet zijn uit Spanje, waar de Arabieren in dien tijd (13e eeuw) zulk papier vervaardigden en in den handel bragten. Of dit zoo is, zal moeten blijken wanneer het hs. eens onder de oogen komt van fijne kenners van oud papier. Naar aanleiding hiervan deelt genoemde heer het eene en andere mede omtrent de geschiedenis van het papier. Hij zegt o.a. bl. VIII, »In Duitschland is het gebruik van deze stof (katoenpapier) wel niet zeer verbreid geweest, tenzij het papier uit Italië of Spanje ingevoerd werd. Doch hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in plaats van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er nog gemengd papier voor.” Maar nu vertrouwen wij naauwelijks onze oogen, als wij lezen wat op bl. 90 staat. Daar zegt zestienhonderd jaar voor Chr. eene priesteres, »Aan de overzijde der Schelde — daar maken zij heden ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas (linnent) uit.” Kunnen wij dat gelooven? Kunnen wij gelooven, dat Grieken en Romeinen zich eeuwen lang eerst met beestenhuiden en allerlei ander gebrekkig tuig, later met het dure perkament beholpen hebben, terwijl duitsche volken de kunst van papiermaken verstonden? Neen, liever nemen wij aan dat Adela zich eene kleinigheid van drieduizend jaren vergist, en houden het er met den heer Ottema voor dat het linnenpapier uit de veertiende eeuw is. En het Oera Linda Bôk ook?
Neen, dat mogen wij aan die eeuw niet gunnen. Zien wij maar eens wat op bl. 44 te lezen staat, »ofschoon (afskên) wij alles behooren te doen om des vredes wille.” Nog verscheidene malen kunnen wij dit ofschoon hier vinden. Maar dat is taal, voor het minst van de 16e eeuw: zelfs ben ik er nog niet eens zeker van, dat men haar reeds in die eeuw zal aantreffen. Vroeger werden dit of en schoon steeds door een of meer woorden van elkander gescheiden. Nog in de 17e eeuw vindt men daar voorbeelden van: Huygens b.v. zegt Korenbl. II bl. 503:
of se schoon in ’t graf voor altijd heeft te swijgen.
Bladz. 114 en elders wordt gesproken van eenen schipper (skiper). Ook met dit woord is de schrijver niet alleen een aantal eeuwen te vroeg, maar hij doet ook blijken dat hij het niet verstaat. Hij meent, schipper is eene afleiding, door middel van het achtervoegsel er, van schip, en daarom schrijft hij dan ook sciper met éene p. Hij is echter de plank mis: want schipper is zamengetrokken uit schipheer (zie Nav. XVII, bl. 20—22). Dit scipheer was nog in het laatst der vijftiende eeuw in gebruik. De man dus, die den oorsprong van het woord schipper niet meer begreep, moet na dien tijd, moet ten minsten in de zestiende eeuw geleefd hebben. — Ook lezen wij bl. 72, »hij is hoofdpriester en koning meteen”, en dit met een (mith ên) komt op meer plaatsen voor. Dat is evenwel eene vrij nieuwerwetsche uitdrukking. Onze voorouders zeiden met dien, mettien. Doch toen men dit niet meer verstond, begon men mettien voor platte bedorvene uitspraak te houden voor met een, even als bien voor been en stien voor steen. (Zie Nav. XXI, bl. 150). In de 15e eeuw vindt men nog steeds mettien. Doch reeds Hooft verstond het niet meer: in zijne Ariadne, die waarschijnlijk van het jaar 1602 is, lezen wij (Ged. II, bl. 99):
Segt mijn heer vader dat wij volgen u met een.
Ook dit met een dus is een bewijs dat het O.L.B. in geen vroegeren tijd dan in de zestiende eeuw te huis behoort.
Er is nog iets wat ons tot dezelfde conclusie brengt. Meermalen ontmoeten wij het telwoord tweede. Ook dat is van nog al jongen tijd. Het Gothisch en Oudhoogduitsch kennen het nog niet, het Angelsaksisch slechts in de beteekenis van dubbel. In het Nederlandsch der middeneeuwen zeide men ander of soms ook anderde: tweede komt daar voor, doch zeer zelden. Dit bleef zoo tot in de vijftiende eeuw. In de zestiende vindt men nu eens anderde, dan weder tweede; in de zeventiende heeft het jongere woord het oudere geheel of bijna geheel verdrongen. Ook de oude friesche wetten hebben voor tweede steeds other.
Tot de woorden die in de schrijftaal algemeen in gebruik zijn, maar die toch afkeuring verdienen, behooren wijsgeer en wijsgeerig. De man die ze uitgedacht heeft, wilde zeker eene letterlijke vertaling geven van het grieksche φιλόσοφος, wat hij voor eene zamenstelling van φίλος en σοφòς aanzag. Doch voor hetgeen hij ondernam was zijne kennis en van het Grieksch en van het Hollandsch wat te klein: hij heeft ons daardoor een slecht woord bezorgd, dat evenwel de mannen der 17e eeuw, vol ijver om latijnsche en grieksche woorden uit de taal te weren, hebben overgenomen. In de zestiende eeuw vindt men het nog niet. Bij Kiliaan zoekt men het vergeefs. Coornhert spreekt nog altijd van philosophen en philosophie. Ik vermoed dat Spieghel, die meer nieuwe en niet altijd goede woorden heeft gesmeed, ook van dit de schuld moet dragen. Althans men vindt het bij hem, voor zooverre mij bekend is, het eerst, namelijk in zijnen Hertspiegel, IV 145, waar hij zegt:
Is niet u wijs-gheer hert, om nutbaars iets te weten, Als d’ yle maagh, gheneight tot voebaar drank end’ eten?
Wat later begonnen wijsgeerig, wijsgeer (als zelfst. naamw.) en wijsbegeerte in gebruik te komen. Op bl. 22 van het O.L.B. wordt Minne (dat is Minos van Creta) »sjaner änd wisgyrich” genoemd. Het lijdt geenen twijfel, of de fabrikant heeft hier aan wijsgeerig gedacht, al heeft bij hem de eerste lettergreep eene korte i. Maar met de lange en korte vocalen is hij wel eens meer in de war, ook in dit woord. Zoo b.v. bl. 138 en 188 waar hij »wis mákja” schrijft voor wijs maken, wat hij daarenboven bezigt in de beteekenis die het nu heeft, die van iemand iets op de mouw spelden, niet in die van bekend maken, onderrigten, die het oorspronkeljk had en waarin wij het ook nog vinden bij onze oude nederlandsche schrijvers, b.v. Lekensp. II 39, 97:
Die scrifture maect ons ooc wijs,
Dat Cristus int aertsche paradijs
Was dese viertich daghe.
Dat woord wijsgeerig brengt ons dus reeds in de achttiende eeuw.
Maar wij zijn er nog niet. Letten wij er maar eens op, hoe vreemd de man met het woord doel omspringt. Op bl. 170 lezen wij, »deze streden beiden om éen doel; bl. 194 »omdat hun doel tot het beste leidde;” bl. 202 »hoe Friso allen wist te bedotten — ten bate van zijn eigen doel;” bl. 230, »opdat zij tot hun doel mogten komen; ja zelfs wordt bl. 176 van het »goed bereiken van een doel” gesproken. Wie zoo spreekt, toont zeer duidelijk dat hij van de beteekenis van het woord doel niets begrijpt. Een doel toch is eene hoogte of wal van aarde, opgeworpen ten dienste der schutters. Op dit doel is een cirkel afgeteekend, die, om duidelijk in het oog te vallen, wit gemaakt is en daarom het doelwit heet en in het midden van dien cirkel is eene pin, de doelpin. Wie het doel trof schoot goed, wie het wit trof nog beter, wie de pin trof het beste. Het gebouw op welks erf die doelen stonden, en waar de schutterij hare vergadering hield, heette het doelhuis; in plaats daarvan echter sprak men ook dikwijls van de doelen. In de 17e eeuw wist men nog zeer goed wat een doel was. Maar ik vermoed, dat er in het laatst van die eeuw in de oefeningen der schutters eene verandering gekomen is: misschien is toen het wit door eene schijf vervangen en het doel afgegraven, of althans niet meer gebruikt. Want in het midden der 18e eeuw begreep men niet regt meer wat een doel is. Boitet of wie anders de man is wien wij de bij hem uitgegevene beschrijving van Delft (1729) te danken hebben, schijnt het nog te begrijpen, al drukt hij zich niet zeer duidelijk uit. De schutters, zegt hij bl. 516, moesten leeren »in zeker doel of wit te schieten, waarom men zegt doelwit, doelpen enz.” Maar Wagenaar (Amst. dl. VIT, bl. 244 en verv.) schijnt wit en doel met elkander te verwarren; hij begrijpt evenwel nog, dat het doel iets is waarop geschoten wordt. Dat weet echter de schrijver van het O.L.B. niet. Kan de man vóor de achttiende eeuw geleefd hebben?
Neen! antwoorden wij, vooral indien wij op bl. 68, 126 en 206 het woord daar te boven in plaats van daarenboven hebben opgemerkt. Wie het eerst met deze nieuwigheid voor den dag gekomen is, weet ik niet. ’t Moet iemand geweest zijn, die onze middeleeuwsche schrijvers niet kende, bij wie hierenbinnen en daarentusschen nog al eens voorkomen, en die aan daarentegen niet dacht: anders toch had hij hier zeker ook daar te tegen van gemaakt. Hij heeft navolgers gevonden, maar niet vele. Ik geloof niet, dat dit daar te boven vroeger dan in deze eeuw voorkomt; het zou echter mogelijk kunnen zijn, dat men het in het laatst der vorige reeds vond.
Maar wat ons stellig in de negentiende eeuw brengt, is het gezegde op bl. 94 »want nu kwam het begin van het einde”. Men hoort en leest dit tegenwoordig nog al eens en de fabrikant van het O.L.B. zal ook wel in navolging van andere zoo geschreven hebben. Hij kent, zoo het schijnt, den oorsprong van dit gezegde niet. Maar men weet toch, wie de eerste is die het gebezigd heeft. Toen de zaken van Napoleon in Spanje niet voorspoedig gingen, hield het meerendeel dat voor eenen voorbijgaanden tegenspoed; maar de looze Talleyrand zag verder en zei er van, c'est le commencement de la fin.
Zoo zijn wij dan met onzen schrijver reeds in begin van de negentiende eeuw aangekomen. Maar hij moet nog nagenoeg eene halve eeuw verder met ons mede. Uit het geschrift van Apollonia vernemen wij, zegt dr. Ottema, Inl. bl. XVII, »dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v.Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan, Zwitserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze”. Verwonderlijk goed komt dit overeen met de ontdekkingen, die in 1853 gedaan zijn. In dat jaar toch vond men, bij buitengewoon laag water, in het Zuricher meer eene menigte van palen, die in zekere orde in den grond gedreven waren, en daarbij allerlei voorwerpen uit hoorn, beenderen, steen en leem gemaakt, wapenen, huisraad enz., alles uit zeer ouden tijd. Het moet afkomstig zijn van een volk, dat, zich op het land niet veilig genoeg achtende, zijne woningen bouwde op palen in het meer. Later zijn in de meeste andere andere meren van Zwitserland en ook in het noorden van Italië en in Duitschland overblijfselen van zulke paalwoningen gevonden. Het eenige wat vroeger omtrent zulke woningen gemeld wordt, is wat Herodotus verhaalt omtrent de Paeones, een volk van Macedonië, van wier paalwoningen in het meer Prasias hij, b.v. cap. 16, eene beschrijving geeft. Bovendien is op de zuil van Trajanus de verwoesting van een paaldorp in Dacië afgebeeld. Wij wisten dus, dat zij in Macedonië en Dacië bestaan hebben, maar in Zwitserland waren zij ons vóor 1859 niet bekend. Volgens het O.L.B. beeft Apollonia ze daar gevonden. Een van beide dus, of het O.L.B. is eeuwen oud, of het is niet ouder dan 1853. En nu ons gebleken is, dat het uit geene vroegere dan de negentiende eeuw zijn kan, moet het laatste waar zijn.
Er is wel het eene en andere wat aan nog lateren tijd zou doen denken. Maar ik waag mij aan geene gissingen. De bewijzen die ik gegeven heb, zullen, vertrouw ik, voldoende zijn om elk die overtuigd wil worden te overtuigen, dat het Oera Linda Bôk door iemand die van het Oudfriesch, het Nieuwfriesch en het Middennederlandsch wel wat wist, maar er toch niet goed in te huis was, in den jare 1853 of nog later is geschreven, en dat het enkhuizer vertelsel een sprookjen is.
Medemblik. P. Leendertz Wz.
Noten
- ↑ Later heb ik gelegenheid gehad de Geschiedkundige aanteekeningen van dr. Ottema in te zien.
- ↑ Zie o.a. Navorscher I bl. 20.
- ↑ Om het den lezer zoo weinig mogelijk lastig te maken, noem ik hier en verder de woorden waar ik over spreek in het Hollandsch. Slechts daar waar het volstrekt noodig is zal ik ze in de taal van het Oera Linda Bôk noemen.