Jump to content

1876 Ottema Dev. Crt.: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
No edit summary
No edit summary
 
(One intermediate revision by the same user not shown)
Line 75: Line 75:
Dat alleen, en geen ander, was zijn doel. Wij hebben geen recht andere eischen aan hem te stellen, en allerminst om hetgene hij niet geschreven heeft als een bewijs aan te voeren tegen hetgene hij wel geschreven heeft.
Dat alleen, en geen ander, was zijn doel. Wij hebben geen recht andere eischen aan hem te stellen, en allerminst om hetgene hij niet geschreven heeft als een bewijs aan te voeren tegen hetgene hij wel geschreven heeft.


Het geschrift van Dela-Hellenia is een van de merkwaardigste stukken. Ik noemde haar Burgtmaagd of Moeder bij de Geertmannen. Dat die Geertmannen, bij de Grieksche schrijvers Pattaliers genoemd, eene Moeder (verkort Moer) hadden, blijkt uit Curtius Lib. IX. c. 8. Eorum rex erat MOERIS. Hij las namelijk bij zijne Grieksche berichtgevers: ΑΥΤΩΝ ΕΒΑΣΙΛΕΥΣΕ ΜΟΕΡΙ͂Σ en vertaalde ἐβασίλευσε door rex erat, niet bevroedende dat βασελεύειν ook van eene vrouw kon gezegd worden. Het blijkt niet bepaald van wien Curtius dit bericht heeft, Ptolomeus, Megasthenes, Nearchus of Hephaestion.
Het geschrift van Dela-Hellenia is een van de merkwaardigste stukken. Ik noemde haar Burgtmaagd of Moeder bij de Geertmannen. Dat die Geertmannen, bij de Grieksche schrijvers Pattaliers genoemd, eene Moeder (verkort Moer) hadden, blijkt uit Curtius Lib. IX. c. 8. Eorum rex erat <small>MOERIS</small>.<ref>[noot Ott] Quintus Curtius, ''Historiarum Alexandri Magni'', 9.8.28-29: ''Rex erat Moeris, qui urbe deserta in montes profugerat''</ref> Hij las namelijk bij zijne Grieksche berichtgevers: <small>ΑΥΤΩΝ ΕΒΑΣΙΛΕΥΣΕ ΜΟΕΡΙ͂Σ</small> en vertaalde ἐβασίλευσε door rex erat, niet bevroedende dat βασελεύειν ook van eene vrouw kon gezegd worden. Het blijkt niet bepaald van wien Curtius dit bericht heeft, Ptolomeus, Megasthenes, Nearchus of Hephaestion.


Misschien wel de laatste heeft opgemerkt, dat de Pattaliers bij alle belangrijke zaken Moderis rêd (raad, goedvinden of bevel) inwonnen, en gemeend, dat Moderis (Moeris) de naam was van die met het hoogste gezag bekleede (hem onbekende) persoon, en zoo heeft hij ΜΟΕΡΙ͂Σ als eigennaam geschreven. Op die wijze is Curtius aan dien rex Moeris gekomen, waardoor hij onwetend en onbewust voor ons de herinnering aan eene Moeder bij de Geertmannen bewaard heeft.
Misschien wel de laatste heeft opgemerkt, dat de Pattaliers bij alle belangrijke zaken Moderis rêd (raad, goedvinden of bevel) inwonnen, en gemeend, dat Moderis (Moeris) de naam was van die met het hoogste gezag bekleede (hem onbekende) persoon, en zoo heeft hij <small>ΜΟΕΡΙ͂Σ</small> als eigennaam geschreven. Op die wijze is Curtius aan dien rex Moeris gekomen, waardoor hij onwetend en onbewust voor ons de herinnering aan eene Moeder bij de Geertmannen bewaard heeft.


Of nu die Dela met de Geertmannen hier in 't land is aangekomen, blijkt niet met zekerheid, maar komt mij waarschijnlijk voor, omdat het dan natuurlijk is, dat zij bij de Moeder op Texland, Gosa, is opgenomen en op die wijze haar geschrift in de Burgt op Texland is gevonden, gelijk Wiljou bericht.
Of nu die Dela met de Geertmannen hier in 't land is aangekomen, blijkt niet met zekerheid, maar komt mij waarschijnlijk voor, omdat het dan natuurlijk is, dat zij bij de Moeder op Texland, Gosa, is opgenomen en op die wijze haar geschrift in de Burgt op Texland is gevonden, gelijk Wiljou bericht.
Line 85: Line 85:
- - -
- - -


Het is zoo, de kwaadwilligheid heeft nu eenmaal een vooroordeel in de wereld uitgestrooid tegen de echtheid van dit boek, door het voor te stellen als het werk van één schrijver, en dien schrijver als een bedrieger. Maar vragen wij eens wat een verdichter, als hij het publiek bedriegen wilde, zoude hebben moeten doen. Natuurlijk zoude hij getracht hebben zijne zaak aannemelijk en waarschijnlijk te maken door een bekend feit tot punt van uitgang te nemen. Zulk een bekend feit is dit, dat onze Friesche kronykschrijvers als eerste en oudste bron van hunne berichten opgeven eene kronyk van zekeren Occa Scarlensis,<ref>And. Corn. lib. I qui est Occonis Scharlensis (Hamconius fol. 77a) (item 10, 13, 14, 15, 19, 22, 22, 25, 27, 29, 32, 33, 34).</ref> een geestelijke in het St. Odulfs klooster te Staveren, die omstreeks het einde der IX eeuw zoude geleefd hebben.
Het is zoo, de kwaadwilligheid heeft nu eenmaal een vooroordeel in de wereld uitgestrooid tegen de echtheid van dit boek, door het voor te stellen als het werk van één schrijver, en dien schrijver als een bedrieger. Maar vragen wij eens wat een verdichter, als hij het publiek bedriegen wilde, zoude hebben moeten doen. Natuurlijk zoude hij getracht hebben zijne zaak aannemelijk en waarschijnlijk te maken door een bekend feit tot punt van uitgang te nemen. Zulk een bekend feit is dit, dat onze Friesche kronykschrijvers als eerste en oudste bron van hunne berichten opgeven eene kronyk van zekeren Occa Scarlensis,<ref>And. Corn. lib. I qui est Occonis Scharlensis (Hamconius fol. 77a) (item 10, 13, 14, 15, 19, 22, 22, 25, 27, 29, 32, 33, 34). <small>[<nowiki/>[[1742 Chronyk van Friesland|relevante delen in 1742 uitgave]]]</small></ref> een geestelijke in het St. Odulfs klooster te Staveren, die omstreeks het einde der IX eeuw zoude geleefd hebben.


Diens kronyk zoude gebruikt zijn door zekeren Johannes Vlytarp en voortgezet tot in de XII eeuw. Het werk van Vlytarp wordt door Andreas Cornelius opgegeven als de grondslag van zijne kronyk voor de eerste twaalf eeuwen. Even zoo min als er aan dit laatste te twijfelen valt, even zoo min kan er een bewijs aangevoerd worden tegen het eerste.
Diens kronyk zoude gebruikt zijn door zekeren Johannes Vlytarp en voortgezet tot in de XII eeuw. Het werk van Vlytarp wordt door Andreas Cornelius opgegeven als de grondslag van zijne kronyk voor de eerste twaalf eeuwen. Even zoo min als er aan dit laatste te twijfelen valt, even zoo min kan er een bewijs aangevoerd worden tegen het eerste.
Line 121: Line 121:
Deze traditie, hoe verward en duister ook, is bij de andere kronykschrijvers nog meer verminkt en ontsteld. Doch bij allen ligt als feit tot grondslag, dat Friso met eene kolonie uit Indie gekomen is. Dit feit vinden wij in het Oera Linda Boek terug, overgenomen uit het dagboek van Liudgert, en daar zoo eenvoudig, natuurlijk, klaar en duidelijk voorgesteld, dat ons in ieder woord de historische waarheid van het verhaal tegenblinkt. Maar tusschen dit verhaal en de traditie bestaat een verschil, dat mij vroeger is ontgaan, omdat ik het niet vermoedde, en mij eerst zeer onlangs in het oog gevallen is, dat namelijk wel een deel van die kolonie uit Indie gekomen is, doch Friso zelf daartoe niet behoord heeft.
Deze traditie, hoe verward en duister ook, is bij de andere kronykschrijvers nog meer verminkt en ontsteld. Doch bij allen ligt als feit tot grondslag, dat Friso met eene kolonie uit Indie gekomen is. Dit feit vinden wij in het Oera Linda Boek terug, overgenomen uit het dagboek van Liudgert, en daar zoo eenvoudig, natuurlijk, klaar en duidelijk voorgesteld, dat ons in ieder woord de historische waarheid van het verhaal tegenblinkt. Maar tusschen dit verhaal en de traditie bestaat een verschil, dat mij vroeger is ontgaan, omdat ik het niet vermoedde, en mij eerst zeer onlangs in het oog gevallen is, dat namelijk wel een deel van die kolonie uit Indie gekomen is, doch Friso zelf daartoe niet behoord heeft.


Het verhaal bericht zeer uitvoerig het vertrek uit Indie en de verdere tocht der Geertmannen onder aanvoering van den zeekoning Wichhirte en den schout bij nacht Liudgert, doch daarbij wordt Friso in het geheel niet genoemd. Eerst als zij in de Middellandsche zee zijn aangekomen en door Nearchus gebracht (bl. 170) "nêi thêre nya hâva fon Athenia hwêr alle àfta fryas bern formels hin têin wêron," en als zij onder Antigonus en Demetrius aan de oorlogen tusschen Alexanders opvolgers deelnemen, komt (bl. 172) Friso voor als "kêning ovira flâte."
Het verhaal bericht zeer uitvoerig het vertrek uit Indie en de verdere tocht der Geertmannen onder aanvoering van den zeekoning Wichhirte en den schout bij nacht Liudgert, doch daarbij wordt Friso in het geheel niet genoemd. Eerst als zij in de Middellandsche zee zijn aangekomen en door Nearchus gebracht ([[S3 Ottema|bl. 170]]) "nêi thêre nya hâva fon Athenia hwêr alle àfta fryas bern formels hin têin wêron," en als zij onder Antigonus en Demetrius aan de oorlogen tusschen Alexanders opvolgers deelnemen, komt ([[S3 Ottema|bl. 172]]) Friso voor als "kêning ovira flâte."


Deze woont daar te Athene aan de nieuwe haven, heeft daar vrouw en kinderen. Friso is bekend met de vaart op de Middellandsche zee, (bl. 174) hij wil "mith alle man nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst hêde," hij schiet het dorp aan de nieuwe haven (Piraeus) en daarna de schepen in de oude haven (Munichia) in brand. Hij is de man (bl. 176) die aan de vloot den weg "to Fryas lând wisa moste."
Deze woont daar te Athene aan de nieuwe haven, heeft daar vrouw en kinderen. Friso is bekend met de vaart op de Middellandsche zee, ([[S3 Ottema|bl. 174]]) hij wil "mith alle man nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst hêde," hij schiet het dorp aan de nieuwe haven (Piraeus) en daarna de schepen in de oude haven (Munichia) in brand. Hij is de man ([[S3 Ottema|bl. 176]]) die aan de vloot den weg "to Fryas lând wisa moste."


Dit alles wijst daar op, dat Friso zelf een Krekalander was, dat is afkomstig uit Athene. Evenzoo vinden wij ook door Frethorik (bl. 180) opgeteekend, dat de met Frisos vloot teruggekeerde Fryaskinderen bestaan uit Gêrtmanna, Krêkalandar en Johniar.
Dit alles wijst daar op, dat Friso zelf een Krekalander was, dat is afkomstig uit Athene. Evenzoo vinden wij ook door Frethorik ([[S4T Ottema|bl. 180]]) opgeteekend, dat de met Frisos vloot teruggekeerde Fryaskinderen bestaan uit Gêrtmanna, Krêkalandar en Johniar.


Deze bijzonderheid, die een nieuw licht op de Friesche sage werpt, is ook in een ander opzicht merkwaardig en van uitgebreider belang. Wij vernemen daaruit, dat door alle tijden heen eene Friesche kolonie te Athene is gebleven; dat van de Friesen die met Nyhellennia Minerva zich te Athene gevestigd hadden, slechts een gedeelte onder aanvoering van de Moeder Geert in het midden der 16e eeuw voor Chr. vertrokken is naar de boorden van den Indus, maar dat een ander deel Athene niet heeft verlaten en daar eerst aan de oude haven (Munichia) en daarna ook aan de nieuwe haven (Piraeus) is blijven wonen.
Deze bijzonderheid, die een nieuw licht op de Friesche sage werpt, is ook in een ander opzicht merkwaardig en van uitgebreider belang. Wij vernemen daaruit, dat door alle tijden heen eene Friesche kolonie te Athene is gebleven; dat van de Friesen die met Nyhellennia Minerva zich te Athene gevestigd hadden, slechts een gedeelte onder aanvoering van de Moeder Geert in het midden der 16e eeuw voor Chr. vertrokken is naar de boorden van den Indus, maar dat een ander deel Athene niet heeft verlaten en daar eerst aan de oude haven (Munichia) en daarna ook aan de nieuwe haven (Piraeus) is blijven wonen.


Van die kolonie vinden wij nog een merkwaardig bericht in het geschrift van een man die te Athene geboren, in 1188 v. Chr. met Ulysses op Walhallagara bij de burgtmaagd Kalip was aangekomen. (bl. 106). Uit dat bericht blijkt, dat die in de havens wonende Friesen door de Atheners niet als burgers beschouwd werden, maar als onbeschaafde, ruwe zeelieden behandeld. Zij waren daar als vreemdelingen, inwoners zonder burgerrecht, μέτοικοι.
Van die kolonie vinden wij nog een merkwaardig bericht in het geschrift van een man die te Athene geboren, in 1188 v. Chr. met Ulysses op Walhallagara bij de burgtmaagd Kalip was aangekomen. ([[MNO Ottema|bl. 106]]). Uit dat bericht blijkt, dat die in de havens wonende Friesen door de Atheners niet als burgers beschouwd werden, maar als onbeschaafde, ruwe zeelieden behandeld. Zij waren daar als vreemdelingen, inwoners zonder burgerrecht, μέτοικοι.


Nu vinden wij wel bij de Grieksche schrijvers gedurig van μέτοικοι gewag gemaakt, maar uit die vermeldingen kan men niet opmaken, wie en wat die μέτοικοι eigenlijk waren. Xenophon over de Staatsinstellingen van Athene schrijvende, vermeldt alleen, dat die μέτοικοι voor den staat van veel nut waren als handwerkers en zeelieden, πρὸς τὰς τέχνας καὶ τὸ γαυτικὸν. In deze laatsten, in dat schippersvolk, in die buitenwijken aan de havens woonachtig, mogen wij de Friesen, de afstammelingen der volgelingen van Nyhellenia herkennen.
Nu vinden wij wel bij de Grieksche schrijvers gedurig van μέτοικοι gewag gemaakt, maar uit die vermeldingen kan men niet opmaken, wie en wat die μέτοικοι eigenlijk waren. Xenophon over de Staatsinstellingen van Athene schrijvende, vermeldt alleen, dat die μέτοικοι voor den staat van veel nut waren als handwerkers en zeelieden, πρὸς τὰς τέχνας καὶ τὸ γαυτικὸν. In deze laatsten, in dat schippersvolk, in die buitenwijken aan de havens woonachtig, mogen wij de Friesen, de afstammelingen der volgelingen van Nyhellenia herkennen.


En dat Athene eens de grootste zeemogendheid in de middellandsche zee geweest is, heeft het voor een deel aan die Friesche zeerobben, sêmomma, (bl. 108) te danken gehad. Van het burgerrecht verstoken, bleven zij ook zich als vreemdelingen beschouwen, en daaruit laat het zich verklaren, dat zij zich aan elkander gesloten gehouden, hunne nationaliteit en daarmede hunne oorspronkelijke moedertaal in hun onderling verkeer bewaard hebben.
En dat Athene eens de grootste zeemogendheid in de middellandsche zee geweest is, heeft het voor een deel aan die Friesche zeerobben, sêmomma, ([[MNO Ottema|bl. 108]]) te danken gehad. Van het burgerrecht verstoken, bleven zij ook zich als vreemdelingen beschouwen, en daaruit laat het zich verklaren, dat zij zich aan elkander gesloten gehouden, hunne nationaliteit en daarmede hunne oorspronkelijke moedertaal in hun onderling verkeer bewaard hebben.


Dit laatste evenwel niet zonder dat de taal der Grieken, in wier midden zij leefden, en die zij in den omgang met deze ook moesten gebruiken, daarop een nadeeligen invloed had uitgeoefend. Want (bl. 180) vermeldt Frêthorik opzettelijk, dat van de teruggekeerde stambroeders "thêr fona krêkalanda wêi kvme, send kwâd ther tâl; hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja tha worda fâr vppa, thêr lerst kvma moste."
Dit laatste evenwel niet zonder dat de taal der Grieken, in wier midden zij leefden, en die zij in den omgang met deze ook moesten gebruiken, daarop een nadeeligen invloed had uitgeoefend. Want (bl. 180) vermeldt Frêthorik opzettelijk, dat van de teruggekeerde stambroeders "thêr fona krêkalanda wêi kvme, send kwâd ther tâl; hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja tha worda fâr vppa, thêr lerst kvma moste."
Line 143: Line 143:
Als eene andere bijzonderheid van deze Krêkalandar voert Frêthorik aan: Ak forath hja mêst vrdvaliske ànd bikirte nôma, hwêran màn nên sin an hefta ne mêi.
Als eene andere bijzonderheid van deze Krêkalandar voert Frêthorik aan: Ak forath hja mêst vrdvaliske ànd bikirte nôma, hwêran màn nên sin an hefta ne mêi.


In welke streek van Friesland kan dit dialekt te zoeken zijn? Zoo wij letten op die korte namen, d.i. namen van eene lettergreep, dan doet zich terstond Hindelopen voor. Vergelijk E. Wassenbergh, Bijdragen enz. II stuk bl. 96. En hiermede strookt hetgene Frêthorik (bl. 164) schrijft: "Friso reste mith sina ljudum to Stavere;"
In welke streek van Friesland kan dit dialekt te zoeken zijn? Zoo wij letten op die korte namen, d.i. namen van eene lettergreep, dan doet zich terstond Hindelopen voor. Vergelijk E. Wassenbergh, Bijdragen enz. II stuk bl. 96.<ref>[noot Ott] Everwijn Wassenbergh, ''Taalkundige bijdragen tot den Frieschen tongval'' (1806), [https://books.google.nl/books?id=CChw7N6aq4QC&dq=%22Taalkundige%20bydragen%20tot%20den%20frieschen%20tongval%22&pg=PA96#v=onepage&q II p.96].</ref> En hiermede strookt hetgene Frêthorik (bl. 164) schrijft: "Friso reste mith sina ljudum to Stavere;"


en Konerêd (bl. 196): "Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wàrth âk to vrste grêvetman kêren thrvch Staverens ommelandar." Het is dus in den zuidwesthoek onzer provincie, dat Friso zich met zijne Krekalandar heeft neergezet, en aan hunne vestiging aldaar kunnen wij de eigenaardigheden toeschrijven, welke nog de bewoners van Hemelumer Oldefaart, vooral Molkwerum en Hinlopen kenmerken.
en Konerêd (bl. 196): "Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wàrth âk to vrste grêvetman kêren thrvch Staverens ommelandar." Het is dus in den zuidwesthoek onzer provincie, dat Friso zich met zijne Krekalandar heeft neergezet, en aan hunne vestiging aldaar kunnen wij de eigenaardigheden toeschrijven, welke nog de bewoners van Hemelumer Oldefaart, vooral Molkwerum en Hinlopen kenmerken.
Line 151: Line 151:
Deze bijzonderheid in de uitspraak is nog een kenmerk van de Zeeuwen en van een deel der Noord-Hollanders.
Deze bijzonderheid in de uitspraak is nog een kenmerk van de Zeeuwen en van een deel der Noord-Hollanders.


Bij Hamconius (fol. 73b) is de sage van Friso op deze wijze voorgesteld.
Bij [http://books.google.nl/books?id=IGFbAAAAQAAJ&ots=fYsRhz_r7Y&dq=Martinus%20Hamconius&hl=nl&pg=PA1#v=onepage&q&f=false Hamconius] (fol. 73b) is de sage van Friso op deze wijze voorgesteld.


Adel de koning van Prasia (Pharrasia of Praesia) aan den Ganges, is door een kapper, die een verboden omgang had met de koningin, vermoord. De zoon diens mans Agrammes maakte zich meester van het koningrijk en verbande de drie zonen van Adel, geheeten Friso, Saxo en Bruno, naar Athene. Na den dood van Philippus van Macedonie verlieten de drie jongelingen Athene en hunne studien en begaven zich in dienst van Alexander, wien zij hielpen Thracie en Indie te onderwerpen.
Adel de koning van Prasia (Pharrasia of Praesia) aan den Ganges, is door een kapper, die een verboden omgang had met de koningin, vermoord. De zoon diens mans Agrammes maakte zich meester van het koningrijk en verbande de drie zonen van Adel, geheeten Friso, Saxo en Bruno, naar Athene. Na den dood van Philippus van Macedonie verlieten de drie jongelingen Athene en hunne studien en begaven zich in dienst van Alexander, wien zij hielpen Thracie en Indie te onderwerpen.
Line 201: Line 201:
Onlangs deelde Mr. W.B.S. Boeles mij mede, dat hij op de koninklijke bibliotheek een plaatwerk had gezien, waarop de Directeur hem opmerkzaam gemaakt had, omdat op eene der platen figuren voorkwamen zeer gelijk aan de lettervormen in het Oera Linda Boek.
Onlangs deelde Mr. W.B.S. Boeles mij mede, dat hij op de koninklijke bibliotheek een plaatwerk had gezien, waarop de Directeur hem opmerkzaam gemaakt had, omdat op eene der platen figuren voorkwamen zeer gelijk aan de lettervormen in het Oera Linda Boek.


Dadelijk schreef ik aan Dr. M.F.A.E. Campbell en verzocht nadere inlichtingen omtrent die ontdekking te mogen ontvangen. Met zijne bekende bereidwilligheid zond de heer Campbell mij een antwoord op mijne vraag in den volgenden brief:<blockquote>"Het is mij aangenaam u hiernevens toe te kunnen zenden een zeer naauwkeurig facsimile van de cijfers, waarop Mr. Boeles uwe aandacht gevestigd heeft. Zij maken een klein gedeelte uit van plaat LXXXVII van het fraaie werk getiteld: The arabian antiquities of Spain, by James Cavanah Murphy. London 1813, groot in folio. Onder de plaat staat een onderschrift, 't welk, herhaald wordt boven de korte beschrijving van plaat 87, namelijk: Miscellaneous parts and ornaments in the Alhamrâ.
Dadelijk schreef ik aan Dr. M.F.A.E. Campbell en verzocht nadere inlichtingen omtrent die ontdekking te mogen ontvangen. Met zijne bekende bereidwilligheid zond de heer Campbell mij een antwoord op mijne vraag in den volgenden brief:<blockquote>"Het is mij aangenaam u hiernevens toe te kunnen zenden een zeer naauwkeurig facsimile van de cijfers, waarop Mr. Boeles uwe aandacht gevestigd heeft. Zij maken een klein gedeelte uit van plaat <small>LXXXVII</small> van het fraaie werk getiteld: [https://archive.org/details/gri_33125008545499/page/n217/mode/2up The arabian antiquities of Spain], by James Cavanah Murphy. London 1813, groot in folio. Onder de plaat staat een onderschrift, 't welk, herhaald wordt boven de korte beschrijving van plaat 87, namelijk: Miscellaneous parts and ornaments in the Alhamrâ.


Die beschrijving zelf luidt: These are copied from various parts of this noble palace and will convey to the eye a better idea of the minute and diversified elegance, wich characterizes its almost innumerable ornaments. The line of Arabian ciphers is particularly interesting, as exhibiting the primitive forms of those figures for wich we are indebted to the Spanisch Arabs."</blockquote>Tot zoo verre de mededeeling van Dr. Campbell.
Die beschrijving zelf luidt: These are copied from various parts of this noble palace and will convey to the eye a better idea of the minute and diversified elegance, wich characterizes its almost innumerable ornaments. The line of Arabian ciphers is particularly interesting, as exhibiting the primitive forms of those figures for wich we are indebted to the Spanisch Arabs."</blockquote>Tot zoo verre de mededeeling van Dr. Campbell.
Line 231: Line 231:
Dr. [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]].
Dr. [[Jan G. Ottema|J.G. Ottema]].


===Noot===
===Noten===
<references />
<references />
[[Category:Sources_Dutch]]
[[Category:Sources_Dutch]]

Latest revision as of 09:15, 4 August 2025

JJK 89 voorgedragen 16-3-1876. (PDF)

De Deventer Courant en Het Oera Linda Boek

door Dr. J.G. Ottema

Te Leeuwarden, bij H. Kuipers, 1876.


[3] In de Deventer couranten van het jaar 1874, nos. 25—37 zijn als feuilleton opgenomen twaalf beschouwingen van het Oera Linda boek, die later door den uitgever in een bundel verzameld zijn onder den titel van: Naar aanleiding van thet Oera Linda Bok. Historische schetsen, met eenige in- en uitvallen. (Deventer, J. de Lange, 1874).

Dit boekje is in het Duitsch vertaald als: Historische Skizzen auf Grundlage von thet Oera Linda Bok mit etlichen Ein- und Ausfällen. Aus dem Holländischen von Hermann Otto. (Norden, Verlag von Herm. Braams, 1875).

Hiervan vindt men eene aankondiging in: Ostfriesisches Monatsblatt. III Band. October 1875. 10 Heft. S. 472.

De redakteur van dat tijdschrift: A.E. Zwitzers, Pastor in Hatzum, drukt zich daarover uit in deze woorden:

[4] „Het mag zoo wat 20 jaren geleden zijn, dat een Berlijner Hoogleeraar uitsprak: De wetenschap moet omkeeren! Dat woord is door sommigen met aandacht vernomen en nagesproken, door veelen uitgelachen en bespot, een tijdlang als een gevleugeld woord in het Duitsche vaderland rondgevlogen, daarna weer verstomd, en de Wetenschap heeft sedert dien tijd hare richting niet wezenlijk veranderd, maar is haren ouden gang blijven gaan.

Doch die leus was in een reactionairen tijd uit den schoot van het feodale legerkamp geboren, en als een cathegorisch bevel aan de gezamenlijke Wetenschap al te scherp en aanmatigend. Zal de werking niet eene andere zijn, wanneer in onzen tijd van algemeenen vooruitgang van het liberale Holland het zelfde gebod, maar meer bescheiden, in de eerste plaats aan de geschiedkundige wetenschappen gericht, uitgaat?

Het Oera Linda Boek, in 1872 te Leeuwarden door Dr. J.G. Ottema uitgegeven, behelst indirekt een gelijksoortig bevel.

Is het Friesche volk een klein twijgje aan den sterken Germaanschen tak van den machtigen Indogermaanschen stam? of zijn integendeel de Germanen slechts een der veele spruiten uit den Frieschen wortel? Begint de Friesche geschiedenis eerst met de schrale en onzekere berichten [5] van Tacitus? of reikt zij op den grondslag van geloofwaardige schriftelijke oorkonden terug tot in de eeuw des aartsvaders Abraham?

Heeft het volk der Friesen wel sints de dagen van Plinius reeds turf gegraven, maar nimmer aan den grooten wereldhandel bedrijvig deelgenomen? of zijn sints 40 eeuwen de groote wereldbewegende daden, in zoo verre zij naar edele doeleinden streven, door de kracht der Friesen volvoerd, of althans met Friesche hulp verricht?

Zijn Tyrus en Athene, even zoo goed als de moederstad Emden en de Proostdy Hatzum Friesche stichtingen? Schitteren aan den hemel van den roem der Friesen slechts sterren van de 4e of 5e grootte, als Okko ten Broek en Ulrich Cirksena, Edzard de groote en Störkebeker? of zijn de goddelijke Wodan, de wijze Minos van Kreta, Neptunus en Minerva kinderen van Friesche moeders?

Schemert de glans der verlichting onder ons eerst sedert den tijd der staatsregeling van Gravin Anna, of hebben de Phoeniciers het letterschrift en de Arabieren de getalmerken van onze voorvaderen geleerd? Kortom waren wij van oudsher, wat wij nog zijn, een gering volkje in een achterhoek, of zijn wij Friesen oorspronkelijk en in den eigenlijken zin de adel der menschheid.

Alle deze vragen, en nog veel meer, van beteekenis voor de wereldgeschiedenis, beantwoordt de verzameling, [6] die zich het Oera Linda Boek noemt, op de voor ons meest eervolle wijze.

De redaktie van het Monatsblatt had voorlang reeds dit aan hare lezers gaarne medegedeeld, zoo zij niet teruggehouden was door het besef, dat het boek in den oorspronkelijken tekst, en zelfs in de Hollandsche vertaling, slechts eene kost voor menschen van grondige geleerdheid is, en dat zelfs hetgeen men gewoonlijk een uittreksel noemt, nog een veel te zware kost zoude opleveren, dan dat zij die aan het meerendeel harer lezers durfde voorzetten.

Terwijl wij ons afvroegen, of het mogelijk was deze brok, zoo droog en hard als scheepsbeschuit, voor het groot publiek verteerbaar te maken, ontvingen wij de welgelukte beantwoording dezer vraag in het hierboven genoemde boekje, uit het Hollandsch vertaald door Hermann Otto, en uitgegeven bij Braams te Norden.

Deze vorm van voorstelling maakt den inhoud van het O.L.B. voor iedereen toegankelijk en die inhoud, wij gaven het boven reeds te kennen, roert het zelfbewustzijn van onzen stam tot op zijn diepsten grond. Wij moeten toch weten, wat wij in vergelijking met andere volken kunnen gelden, en voortaan zal niemand, die prijs stelt op zijne Friesche afstamming, gaarne een vreemdeling onder de oogen willen treden, zonder zich over de bovengenoemde vragen helderheid verschaft te hebben.

[7] Doch om tot de zuivere wetenschap terug te keeren, zooveel staat vast, dat met het verschijnen van het Oera Linda boek de Historische wetenschap een krisis (keerpunt) is ingetreden.”

A.E. Zwitsers, Pastor in Hatzum.

De ongenoemde schrijver van die Schetsen heeft zich ten aanzien van dat boek en niet minder ten aanzien van mij zeer verdienstelijk gemaakt, want niemand heeft zeker zijne beschouwingen met meer genoegen gelezen dan ik. Mij toch is het daaruit gebleken, dat hij het boek niet oppervlakkig gelezen, maar met allen ernst door en door bestudeerd heeft. Bij alle geestigheid zijner invallen, en bij alle heuschheid zijner uitvallen zijn er wel is waar punten, die ik hem niet kan toegeven, doch die zijn van ondergeschikt belang. Daarom wil ik mij bepalen tot de beantwoording van eene zijner voornaamste opmerkingen en daaraan eenige beschouwingen verbinden, die kunnen dienen tot opheldering van menige belangrijke bijzonderheid. De bedoelde opmerking komt voor in de laatste zijner schetsen, op bl. 139:

"Overal waar het Oera Linda Boek de hand reikt aan de bekende traditie der (Gr. en Rom.) oudheid valt ons op eene zekere armoede aan stof, enz."

Het Oera Linda boek is alleen begrijpelijk, wanneer men het neemt voor hetgene het is, en zooals het zich voordoet, d.i. niet als het werk van één schrijver, die als geleerde het plan heeft van eene wereldgeschiedenis te schrijven, maar als eene verzameling van dokumenten, die in eene familie bewaard, een soort van familiearchief uitmaken.

Die dokumenten zijn alle van elkander onafhankelijk, uit verschillende tijden en oorden, door verschillende personen opgeteekend, en slechts in eene soort van chronologische orde bijeengebracht, in zooverre de achtereenvolgende verzamelaars opeenvolgende geslachten van eene familie vertegenwoordigen.

Adela, Adelbrost, Apollonia, Frethorik, Wiljou, Konereed, Beeden en een onbekende, wiens naam met een verloren geraakt fragment (bl. 232) verdweenen is, hebben verzameld en bewaard, wat zij vonden, en tegelijk eenige zaken opgeteekend, die zij zelve hebben beleefd en bijgewoond.

Meer mag men van hen niet eischen. Wat zij niet hadden, konden zij niet geven. Van Grieksche of Romeinsche geschiedkundige literatuur was hun niets bekend. Voor hetgene hun onbekend was, kan men hen niet verantwoordelijk stellen. Wij hebben hun slechts dankbaar te wezen voor hetgene zij bewaard hebben.

De verzameling bestaat slechts uit een vijftigtal stukken, waarvan ieder zich kenmerkt door kleine verschillen in stijl, taal, spelling en taalvormen. Die verschillen, als bijzonderheden beschouwd, bewijzen, dat het geheel niet het werk van één en denzelfden persoon kan zijn, en er dus geen sprake wezen kan van één schrijver, die dat alles verdicht zoude hebben.

En daarenboven bewijzen die verschillen, als onregelmatigheden beschouwd, dat al die stukken geschreven zijn in een tijd, toen er nog geene regelmatigheid in de taal, zooals die gesproken en geschreven werd, bestond; d.i. in dien vroegsten tijd toen men nog geene door de grammatika voorgeschreven wetten kende. De taal toch is niet gemaakt door de Grammatici naar vooraf bepaalde theorien of overeengekomen regelen.

Zij is geboren en ontstaan in den mond des sprekenden volks, dat in het gebruik en de keuze van zijne woordvormen zich van de grootst mogelijke vrijheid bediende. Toen dat volk de schrijfkunst had uitgevonden, schreef het zooals het sprak, en was de schrijftaal even min aan angstvallige regelen gebonden als de spreektaal.

Eeuwen aan eeuwen heeft het geduurd eer men op het denkbeeld gekomen is om in die onregelmatigheid orde en regelmaat te brengen. Eerst laat en zeer laat is de taalkunde geboren, en hare ontwikkeling is zeer langzaam geweest. Hiermede is het Oera Linda Boek geheel in overeenstemming.

Zie maar op bl. 148, wat de kinderen op de burgtscholen leeren; dat is lezen, schrijven en rekenen, voorts begrippen van recht en plicht, zedekunde, kruidkunde en heelkunde, en bovendien geschiedenissen, vertellingen en gezangen. Maar van taalkunde is in dit programma nog volstrekt geen sprake hoegenaamd.

Deze wetenschap was in den tijd van het Oera Linda Boek nog geheel onbekend, men schreef gelijk men sprak, en men schreef zóó, omdat men zóó sprak. De taalkunde sluimerde nog onbewust van zich zelve in het instinktmatig gevoel van het denk- en spraakvermogen. En hierin ligt misschien wel het sterkste bewijs van de hooge oudheid van het Oera Linda boek.

Daarvan is de eerste afdeeling van oudere dagteekening als de Grieksche letterkunde; Apollonia leefde eene eeuw voor Herodotus.

In de tweede afdeeling kan hier alleen in aanmerking komen hetgene Frethorik mededeelt uit het dagboek van Liudgert, bl. 164 volg., en de brief van Liudgert aan Frethorik, opgenomen door Konereed, bl. 220 volg. alsmede het geschrift over Buddha, afkomstig van Dela-Hellenia (Burgtmaagd of Moeder bij de Geertmannen aan den Pangab), medegedeeld door Wiljou bl. 192 volg.

Liudgert heeft een dagboek geschreven van zijn tocht uit het land aan den Pangab tot zijne komst in het Flymeer in Fryas land. Hij draagt kennis van Alexanders krijgsverrichtingen in Indie, van zijn terugtocht naar den Eufraat, van zijnen dood te Babylon, van den oorlog der Diadochen, van de daden van Demetrius Poliocretes, van de Friesen te Athenia, die bij het vertrek van Geert en hare volgelingen daar waren achtergebleven en woonden eerst in de oude haven (Munichia) en vervolgens in de nieuwe haven (Piraeus).

Nu zouden wij zeker gaarne veel van hem vernemen over de Grieksche geschiedenis en Grieksche toestanden gedurende die 22 jaren, doch hij heeft niet voor ons geschreven, maar voor zich zelve zijne eigene lotgevallen en ontmoetingen opgeteekend; verder reikte het doel van zijn schrijven niet. Daar mogen wij hem geen verwijt van maken. Hij was geen geschiedschrijver, maar schreef een dagboek en niets meer.

Even zoo is het gesteld met Liudgerts brief aan Frethorik. Dat is een brief over een bepaald onderwerp. Hij geeft aan zijn vriend eene beschrijving van het land, waar hij vandaan gekomen is, het land aan den Pangab.

Uit dien brief leeren wij niets, maar Frethorik zeer veel. Van dat land, zoo zeer verschillende van Friesland, van dat wonderland waren door andere tochtgenooten overdrevene en leugenachtige verhalen en wie weet welke mirakelen verspreid, en daarom maakt hij zijn vriend naauwkeurig bekend met den wezenlijken toestand van dat land, opdat deze de leugenachtige verhalen kan schiften van de ware berichten.

Dat alleen, en geen ander, was zijn doel. Wij hebben geen recht andere eischen aan hem te stellen, en allerminst om hetgene hij niet geschreven heeft als een bewijs aan te voeren tegen hetgene hij wel geschreven heeft.

Het geschrift van Dela-Hellenia is een van de merkwaardigste stukken. Ik noemde haar Burgtmaagd of Moeder bij de Geertmannen. Dat die Geertmannen, bij de Grieksche schrijvers Pattaliers genoemd, eene Moeder (verkort Moer) hadden, blijkt uit Curtius Lib. IX. c. 8. Eorum rex erat MOERIS.[1] Hij las namelijk bij zijne Grieksche berichtgevers: ΑΥΤΩΝ ΕΒΑΣΙΛΕΥΣΕ ΜΟΕΡΙ͂Σ en vertaalde ἐβασίλευσε door rex erat, niet bevroedende dat βασελεύειν ook van eene vrouw kon gezegd worden. Het blijkt niet bepaald van wien Curtius dit bericht heeft, Ptolomeus, Megasthenes, Nearchus of Hephaestion.

Misschien wel de laatste heeft opgemerkt, dat de Pattaliers bij alle belangrijke zaken Moderis rêd (raad, goedvinden of bevel) inwonnen, en gemeend, dat Moderis (Moeris) de naam was van die met het hoogste gezag bekleede (hem onbekende) persoon, en zoo heeft hij ΜΟΕΡΙ͂Σ als eigennaam geschreven. Op die wijze is Curtius aan dien rex Moeris gekomen, waardoor hij onwetend en onbewust voor ons de herinnering aan eene Moeder bij de Geertmannen bewaard heeft.

Of nu die Dela met de Geertmannen hier in 't land is aangekomen, blijkt niet met zekerheid, maar komt mij waarschijnlijk voor, omdat het dan natuurlijk is, dat zij bij de Moeder op Texland, Gosa, is opgenomen en op die wijze haar geschrift in de Burgt op Texland is gevonden, gelijk Wiljou bericht.

In dat geschrift vinden wij het eerste en eenvoudigste verhaal van Buddha's leven, nog niet opgesmukt met de fantastische verdichtselen, waarmede de latere Indische sage dat verhaal omkleed heeft. Te midden nu van die omkleedselen vinden wij toch eenige punten in de verhalen van Sakyamuni, die aan de berichten van Dela-Hellenia genoeg herinneren om hierin de grondslagen van de Buddha-legende te herkennen. Dit geschrift, voorkomende in een handschrift van de XIII eeuw, moet echt zijn. Geen verdichter kon in dien tijd, en later evenmin, zulk eene venvoudige kern uit de wonderbare Indische legenden ontwikkelen.

- - -

Het is zoo, de kwaadwilligheid heeft nu eenmaal een vooroordeel in de wereld uitgestrooid tegen de echtheid van dit boek, door het voor te stellen als het werk van één schrijver, en dien schrijver als een bedrieger. Maar vragen wij eens wat een verdichter, als hij het publiek bedriegen wilde, zoude hebben moeten doen. Natuurlijk zoude hij getracht hebben zijne zaak aannemelijk en waarschijnlijk te maken door een bekend feit tot punt van uitgang te nemen. Zulk een bekend feit is dit, dat onze Friesche kronykschrijvers als eerste en oudste bron van hunne berichten opgeven eene kronyk van zekeren Occa Scarlensis,[2] een geestelijke in het St. Odulfs klooster te Staveren, die omstreeks het einde der IX eeuw zoude geleefd hebben.

Diens kronyk zoude gebruikt zijn door zekeren Johannes Vlytarp en voortgezet tot in de XII eeuw. Het werk van Vlytarp wordt door Andreas Cornelius opgegeven als de grondslag van zijne kronyk voor de eerste twaalf eeuwen. Even zoo min als er aan dit laatste te twijfelen valt, even zoo min kan er een bewijs aangevoerd worden tegen het eerste.

Er heeft een boek van Vlytarp bestaan, en dit is voorafgegaan door een boek van Occa Scarlensis. Doch beide werken zijn verloren gegaan en spoorloos verdwenen. Wij kunnen niet geheel nagaan, welk gebruik Andreas Cornelius gemaakt heeft van Joh. Vlytarp, en nog veel minder bepalen, wat Vlytarp bij Occa gelezen heeft.

Ieder zal erkennen, dat het van het grootste belang voor de Friesche Geschiedenis wezen zoude, indien het werk van Occa bewaard gebleven was, of terug gevonden werd. Voor iemand, die een bedrog wilde plegen, was dus dit een onderwerp, dat geheel voor de hand lag, dat reeds terstond een karakter van waarschijnlijkheid bezat, en dat in de uitvoering weinig moeijelijkheid opleverde.

Dit laatste vooral, omdat Occa gezegd wordt in het Latijn geschreven te hebben. Een Latijnsch handschrift te vervaardigen op een gegeven thema is oneindig gemakkelijker, dan een boek op te stellen in eene bijna geheel onbekende taal, zoo als het Oud-Friesch, en daartoe een letterschrift uit te vinden, meer dan eenig ander en uitsluitend voor die taal geschikt.

Een verdichter, gelijk men wil veronderstellen, uit onzen tijd zoude juist veel gebruik gemaakt hebben van de historische wetenschap, vooral der Grieksche schrijvers, en inzonderheid zich gewacht hebben om in schijnbaren strijd te geraken met hetgene als bekende geschiedenis eenmaal is aangenomen.

Het Oera Linda Boek daarentegen slaat de traditionele geschiedenis als 't ware in het aangezicht, en dat niet alleen, maar zelfs in niet geringe mate de Friesche traditie. Ik bedoel de oude Friesche traditie omtrent den persoon van Friso en zijne lotgevallen. Deze heeft tot grondslag de stelling, dat Friso met twee broeders, Bruno en Saxo, gekomen is uit India.

Volgens Occa Scarlensis luidt het verhaal aldus:

Na des werelds schepping 3070 jaren (879 v. Chr.) zijn hier aangekomen een zonderling, groot, ongeschikt en onbehulpelijk volk, dat men Gyganten of reuzen noemde, die verjaagd waren uit het eiland Albion, 't welk men nu Engeland noemt. En als zij omtrent de Noordzee aan land kwamen, hebben zij huizen, woningen noch menschen daar gezien; meenende derhalve, dat het voor hunne komst van niemand gevonden was, zijn zij vrijmoedig aan land getreden om de landen en gelegenheden te bezien, daar ze terstond onvoorziens door eene groote menigte van wilde lieden besprongen, aangegrepen en overrompeld zijn.

Zij zulks ziende, vluchtten spoedig weder zeewaarts naar hunne schepen, alwaar ze nochtans bij het vluchten sommigen van de hunnen verloren hebben. Doch hunne ankers lichtende, zijn zij weder in 't zuidwesten opgevaren en alzoo ten laatsten omtrent den uitgang van de Maas weder aangekomen, daar ze een kasteel timmerden, dat zij Slavenburg noemden, vermits zij zich zelven Slaven heetten, en rekenden uit den lande van Slavonien af te komen.

Langen tijd na dezen zijn uit de Indische landen eene groote menigte bij loting gedwongen te vertrekken, vermits het land hen niet allen konde voeden. Over welke drie broeders met name Friso, Saxo en Bruno als kapiteinen door hunne Prinsen gesteld zijn. Deze uitgelezene mannen, die zeer jong, stout en strijdbaar waren, dus vertrekkende, zijn bij den Grooten Alexander koning van Macedonien in dienst gekomen, dien ze ook in alle trouw gediend hebben, en door wien zij ten laatsten in Asie tot een bescherming van zijn overwonnen land benoemd en gesteld zijn.

Niettemin Alexander is twee jaren na dien tijd overleden. En wegens de strenge regeering dezer lieden zijn zij zeer gehaat geweest bij de Asiaten, zoodat zij na het overlijden van hunnen heer ook spoedig moesten vertrekken. Derhalve zich te scheep begeven hebbende, zijn zij met een goeden en gelukkigen wind naar Afrika gezeild, daar India hun vaderland mede in en onder gelegen was.

Doch willende voldoen aan hunne toegevallen loting zijn zij na de schepping der wereld 3670 jaar (279 v. Chr.) weder van daar getogen om te zoeken eenige Heeren, Vorsten, plaatsen, landen of heerlijkheden bij of in welke zij konden leven en hunne nooddruftige kost en onderhoud hebben. Zoo zijn zij ten laatste omtrent de Noordzee aangekomen, daar de voornoemde gyganten te voren ook geweest waren.

En ziende daar steden, dorpen, huizen noch woningen staan, vermoedden zij wel dat het een wild, woest en van niemand bewoond land was, waarom zij vrijmoedig uit hunne schepen gegaan en op 't land getreden zijn, daar ze niemand gehoord, gezien noch gevonden hebben, want de wilden, die daar gewoond hadden, waren voor dezen al weder vertrokken.

En doorziende het land, heeft hun de grond, bodem en vruchtbaarheid van dien zeer wel behaagd, zoodat zij met elkander besloten daar te blijven en zich neder te zetten. Alzoo dat zij mettertijd hier en daar veel huizen en woonplaatsen timmerden, het land bebouwden en vruchtbaar maakten en zich daar wel konden onderhouden en geneeren.

Bijzonder hebben ze op eene rivier, genoemd het Vlie, die zijn uitgang had in de Noordzee, zeer veele groote woningen gebouwd, daar ze ook een schoonen en heerlijken tempel maakten, in welken zij hun voornaamsten en bijzondersten afgod Stavo met groote eere en versiering stelden. Zij woonden en hielden deze plaats langen tijd in enz., enz.

- - -

Deze traditie, hoe verward en duister ook, is bij de andere kronykschrijvers nog meer verminkt en ontsteld. Doch bij allen ligt als feit tot grondslag, dat Friso met eene kolonie uit Indie gekomen is. Dit feit vinden wij in het Oera Linda Boek terug, overgenomen uit het dagboek van Liudgert, en daar zoo eenvoudig, natuurlijk, klaar en duidelijk voorgesteld, dat ons in ieder woord de historische waarheid van het verhaal tegenblinkt. Maar tusschen dit verhaal en de traditie bestaat een verschil, dat mij vroeger is ontgaan, omdat ik het niet vermoedde, en mij eerst zeer onlangs in het oog gevallen is, dat namelijk wel een deel van die kolonie uit Indie gekomen is, doch Friso zelf daartoe niet behoord heeft.

Het verhaal bericht zeer uitvoerig het vertrek uit Indie en de verdere tocht der Geertmannen onder aanvoering van den zeekoning Wichhirte en den schout bij nacht Liudgert, doch daarbij wordt Friso in het geheel niet genoemd. Eerst als zij in de Middellandsche zee zijn aangekomen en door Nearchus gebracht (bl. 170) "nêi thêre nya hâva fon Athenia hwêr alle àfta fryas bern formels hin têin wêron," en als zij onder Antigonus en Demetrius aan de oorlogen tusschen Alexanders opvolgers deelnemen, komt (bl. 172) Friso voor als "kêning ovira flâte."

Deze woont daar te Athene aan de nieuwe haven, heeft daar vrouw en kinderen. Friso is bekend met de vaart op de Middellandsche zee, (bl. 174) hij wil "mith alle man nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst hêde," hij schiet het dorp aan de nieuwe haven (Piraeus) en daarna de schepen in de oude haven (Munichia) in brand. Hij is de man (bl. 176) die aan de vloot den weg "to Fryas lând wisa moste."

Dit alles wijst daar op, dat Friso zelf een Krekalander was, dat is afkomstig uit Athene. Evenzoo vinden wij ook door Frethorik (bl. 180) opgeteekend, dat de met Frisos vloot teruggekeerde Fryaskinderen bestaan uit Gêrtmanna, Krêkalandar en Johniar.

Deze bijzonderheid, die een nieuw licht op de Friesche sage werpt, is ook in een ander opzicht merkwaardig en van uitgebreider belang. Wij vernemen daaruit, dat door alle tijden heen eene Friesche kolonie te Athene is gebleven; dat van de Friesen die met Nyhellennia Minerva zich te Athene gevestigd hadden, slechts een gedeelte onder aanvoering van de Moeder Geert in het midden der 16e eeuw voor Chr. vertrokken is naar de boorden van den Indus, maar dat een ander deel Athene niet heeft verlaten en daar eerst aan de oude haven (Munichia) en daarna ook aan de nieuwe haven (Piraeus) is blijven wonen.

Van die kolonie vinden wij nog een merkwaardig bericht in het geschrift van een man die te Athene geboren, in 1188 v. Chr. met Ulysses op Walhallagara bij de burgtmaagd Kalip was aangekomen. (bl. 106). Uit dat bericht blijkt, dat die in de havens wonende Friesen door de Atheners niet als burgers beschouwd werden, maar als onbeschaafde, ruwe zeelieden behandeld. Zij waren daar als vreemdelingen, inwoners zonder burgerrecht, μέτοικοι.

Nu vinden wij wel bij de Grieksche schrijvers gedurig van μέτοικοι gewag gemaakt, maar uit die vermeldingen kan men niet opmaken, wie en wat die μέτοικοι eigenlijk waren. Xenophon over de Staatsinstellingen van Athene schrijvende, vermeldt alleen, dat die μέτοικοι voor den staat van veel nut waren als handwerkers en zeelieden, πρὸς τὰς τέχνας καὶ τὸ γαυτικὸν. In deze laatsten, in dat schippersvolk, in die buitenwijken aan de havens woonachtig, mogen wij de Friesen, de afstammelingen der volgelingen van Nyhellenia herkennen.

En dat Athene eens de grootste zeemogendheid in de middellandsche zee geweest is, heeft het voor een deel aan die Friesche zeerobben, sêmomma, (bl. 108) te danken gehad. Van het burgerrecht verstoken, bleven zij ook zich als vreemdelingen beschouwen, en daaruit laat het zich verklaren, dat zij zich aan elkander gesloten gehouden, hunne nationaliteit en daarmede hunne oorspronkelijke moedertaal in hun onderling verkeer bewaard hebben.

Dit laatste evenwel niet zonder dat de taal der Grieken, in wier midden zij leefden, en die zij in den omgang met deze ook moesten gebruiken, daarop een nadeeligen invloed had uitgeoefend. Want (bl. 180) vermeldt Frêthorik opzettelijk, dat van de teruggekeerde stambroeders "thêr fona krêkalanda wêi kvme, send kwâd ther tâl; hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja tha worda fâr vppa, thêr lerst kvma moste."

Het ware te wenschen, dat Frêthorik deze laatste woorden van een paar voorbeelden had doen vergezeld gaan, dat zoude eene belangrijke bijdrage voor de taalkunde geweest zijn? Nu kunnen wij alleen dit er uit opmaken, dat die uit Athene teruggekeerde Friesen wel Friesch spraken, d.i. Friesche woorden gebruikten, doch in de woordschikking eeniger mate de Grieksche constructie hadden aangenomen.

Ajen ald segath hja âd, àjen salt sâd enz. Ditzelfde zegt Halbertsma, Friesch jierboeckjen 1834, bl. 42. De Hindeloopers verzoeten zulke woorden door de stootende vocaal in eene slepende en de scherpe sluitconsonant in eene zachte te veranderen, zeggende aald, kaald, waaruit aad en kaad, of dompiger uitgebracht óad en kóad gesproten zijn.

Als eene andere bijzonderheid van deze Krêkalandar voert Frêthorik aan: Ak forath hja mêst vrdvaliske ànd bikirte nôma, hwêran màn nên sin an hefta ne mêi.

In welke streek van Friesland kan dit dialekt te zoeken zijn? Zoo wij letten op die korte namen, d.i. namen van eene lettergreep, dan doet zich terstond Hindelopen voor. Vergelijk E. Wassenbergh, Bijdragen enz. II stuk bl. 96.[3] En hiermede strookt hetgene Frêthorik (bl. 164) schrijft: "Friso reste mith sina ljudum to Stavere;"

en Konerêd (bl. 196): "Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wàrth âk to vrste grêvetman kêren thrvch Staverens ommelandar." Het is dus in den zuidwesthoek onzer provincie, dat Friso zich met zijne Krekalandar heeft neergezet, en aan hunne vestiging aldaar kunnen wij de eigenaardigheden toeschrijven, welke nog de bewoners van Hemelumer Oldefaart, vooral Molkwerum en Hinlopen kenmerken.

Niet minder opmerkelijk is hetgene Frêthorik aanteekent van de Joniers (bl. 180): "tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ànd hwêr-i navt nêsa mot, warth er utekêth." Want op bl. 164 is van dezen gezegd: "Svme thêra Johniar thêr mênde thàt hja font Alderga folk sproten wêre, gvngon thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thàt hjara êthla fon tha sjvgon êlanda wêi kêmon gvngon thêr hinne ànd setton hjara selva binna tha hringdik fon thêre burch Walhallagara del."

Deze bijzonderheid in de uitspraak is nog een kenmerk van de Zeeuwen en van een deel der Noord-Hollanders.

Bij Hamconius (fol. 73b) is de sage van Friso op deze wijze voorgesteld.

Adel de koning van Prasia (Pharrasia of Praesia) aan den Ganges, is door een kapper, die een verboden omgang had met de koningin, vermoord. De zoon diens mans Agrammes maakte zich meester van het koningrijk en verbande de drie zonen van Adel, geheeten Friso, Saxo en Bruno, naar Athene. Na den dood van Philippus van Macedonie verlieten de drie jongelingen Athene en hunne studien en begaven zich in dienst van Alexander, wien zij hielpen Thracie en Indie te onderwerpen.

Friso trouwde Hylla de dochter van Agathocles of van Lysimachus. Na den dood van Alexander den Groote verlieten de broeders de dienst, om niet in de volgende burgeroorlogen gewikkeld te worden, en na bekomen verlof van Agrammes bezochten zij weder hun volk en vaderland. Maar schoon het hun vrij stond daar te blijven, wilde Friso niet zich aan den onwettigen koning onderwerpen.

Daarom scheepte hij zich in met zijn schoonvader, broeders, bloedverwanten, vrouw en tal van vrienden, en begaf zich uit Indie rechtstreeks door de Noordelijke IJszee naar Germanie, 't welk hem bij name bekend was door den koophandel der Thraciers.

Na in acht jaren tijds groote gevaren doorgestaan, en veel van zijn volk en schepen verloren te hebben, bereikte hij den mond des Rijns Flevum (Fly) genaamd, en landde in het jaar 313 voor Christus aan het strand van het Kreyl, waar hij zijne legerplaats opsloeg en staden (stêde) noemde, omdat hij daar was blijven staan.

Later verplaatste hij zich van Staden meer binnenwaarts naar eene streek, die uithoofde van den winter door de Sueven verlaten was, en stichtte daar eene nieuwe stad, welke hij Stavora noemde ter eere van den God Stavo.

Wij zullen het verhaal van Hamconius niet verder vervolgen, maar ons vergenoegen met de opgave van eenige bijzonderheden betreffende Friso en zijne familie, waarin het Oera Linda boek van Hamconius en de door dezen gebruikte schrijvers verschilt.

Hamconius. Het Oera Linda boek.
Friso komt met twee broeders, Bruno en Saxo, in Friesland. Friso komt met twee zwagers Bruno en Hetto in Friesland.
Friso is met zijn broeders door Agramnes verbannen en naar Athene gezonden. Friso heeft te Athene eene vrouw, zoon en dochter gehad en verloren.
Frisos vrouw is Hylla genaamd, dochter Agathocles, koning van Thracie. Friso's (tweede) vrouw Swêthirte is de dochter van Wilfrêthe, vrste grêva to Staveren.
Friso heeft zeven zoons en eene dochter: Adel, Vitho, Schelte, Galo, Aesgo, Hajo, Hetto, Wimodia Friso heeft twee zoons en twee dochters: Adel, Witto, Wêmod, Kornhêlja.
Adel trouwt met Suobbina, de dochter des konings van de Sueven. Adel trouwt met Ifkja de dochter van Bertholde en forste fon Svôbaland; daarom werd zij te Texland Svobene genoemd.
Vitho ook Juto genoemd trouwt Cumera de dochter van Bocco, koning der Kimbren. Witto trouwt met Sjuchthirte de dochter van Wilhem den vreste aldermàn thêra Juttar.
Wimoda heeft den naam gegeven aan Vigmodia aan de Weser. Wêmod is gehuwd aan Kavch den zoon van Wichhirte den koning der Gêrtmannen, die naar dezen Kavch later Kauchen genoemd zijn.
Saxo heeft zijn naam aan het volk der Saxen gegeven. De naam Saxen is veele eeuwen vroeger reeds bekend als Saxmanna naar hun wapen genoemd.
Bruno sticht Brunswijk. Bruno gaat naar Mannagarda forda (Munster).

Deze en andere verschillen zijn zoo groot en menigvuldig, dat iemand die eene geschiedenis wilde verdichten, zich zulke afwijkingen niet zoude kunnen veroorloven. Want hij zoude, of de traditie der kronykschrijvers geheel verworpen hebben om eene in allen opzichte nieuwe geschiedenis er voor in de plaats te stellen, of de traditie hebben willen ondersteunen door al de voorhanden bouwstoffen tot een beter zamenhangend geheel te verwerken. Wij zien hier noch het een noch het ander. Tusschen de schrijvers van het Oera Linda-boek en die van onze kronyken bestaat geene gemeenschap. Daarvoor is het verschil te groot.

Maar daarentegen ontmoeten wij toch ook in de verwarde sagen van de kronykschrijvers punten, die aantoonen, dat van vroeger gebeurde zaken hier en daar duistere herinneringen tot hen waren overgekomen, die wij in volle klaarheid terugvinden in de voorvaderlijke aanteekeningen van het geslacht over de Linden.

Aanteekeningen wier onopgesmukte en soms naïve eenvoudigheid het sprekendst bewijs oplevert voor de waarheid van haren inhoud. Simplex veri sigillum. En bestaat het zekerste kenmerk van de waarheid in eene innerlijke en standvastige overeenstemming, wel nu, het Oera Linda boek spreekt zich nergens en nimmer tegen, is nooit met zich zelven in strijd, is in den volsten zin des woords altijd consequent.

Zegt soms iemand: het Oera Linda boek vermeldt eene menigte zaken, wier waarheid door geene getuigenissen van elders bevestigd of bewezen kan worden; daar staat tegenover, hetgene veel sterker is, dat het Oera Linda boek niet ééne zaak bericht, waarvan de onwaarheid door stellige uitwendige bewijzen kan worden aangetoond.

Verhaalde het Oera Linda boek ons niets, dan hetgene wij van elders ook reeds wisten, dan had het volstrekt geene of althans slechts zeer geringe waarde. Maar nu het tegendeel het geval is, bestaat juist daarin zijne onschatbare waarde, die den schrijver van de schetsen (bl. 82) de onwillekeurige ontboezeming ontlokt:

"dan is elke bladzijde van het Oera Linda boek duizendmaal meer waard dan elk boek van den Ilias, — wat zeg ik? meer dan de geheele Ilias."

Bij al het veele, dat mij gelukt was bijeen te brengen tot staving van de echtheid van het Oera Linda boek, ontbrak mij altijd nog één bewijs, namelijk eene getuigenis betreffende het schrift of de lettervormen. De onbekendheid toch van het schrift, waarvan de weergade tot nog toe nergens was teruggevonden, maakte voor veelen de zaak verdacht, en vooral de lettertypen gevormd in de lijnen van het Juul (het standskrift) werden door veelen beschouwd als eene kunstgreep, opzettelijk door een verdichter uitgevonden, om zijne misleiding volkomen te maken.

Doch ziet, daar is plotseling diezelfde lettertype te voorschijn gekomen, op eene wijze, die het overoud bestaan van deze vormen ontegensprekelijk bevestigt.

Onlangs deelde Mr. W.B.S. Boeles mij mede, dat hij op de koninklijke bibliotheek een plaatwerk had gezien, waarop de Directeur hem opmerkzaam gemaakt had, omdat op eene der platen figuren voorkwamen zeer gelijk aan de lettervormen in het Oera Linda Boek.

Dadelijk schreef ik aan Dr. M.F.A.E. Campbell en verzocht nadere inlichtingen omtrent die ontdekking te mogen ontvangen. Met zijne bekende bereidwilligheid zond de heer Campbell mij een antwoord op mijne vraag in den volgenden brief:

"Het is mij aangenaam u hiernevens toe te kunnen zenden een zeer naauwkeurig facsimile van de cijfers, waarop Mr. Boeles uwe aandacht gevestigd heeft. Zij maken een klein gedeelte uit van plaat LXXXVII van het fraaie werk getiteld: The arabian antiquities of Spain, by James Cavanah Murphy. London 1813, groot in folio. Onder de plaat staat een onderschrift, 't welk, herhaald wordt boven de korte beschrijving van plaat 87, namelijk: Miscellaneous parts and ornaments in the Alhamrâ. Die beschrijving zelf luidt: These are copied from various parts of this noble palace and will convey to the eye a better idea of the minute and diversified elegance, wich characterizes its almost innumerable ornaments. The line of Arabian ciphers is particularly interesting, as exhibiting the primitive forms of those figures for wich we are indebted to the Spanisch Arabs."

Tot zoo verre de mededeeling van Dr. Campbell.

De laatste woorden van den Heer Murphy bevatten meer den schijn dan het wezen van waarheid, of liever zijn ten deele waar, ten deele onwaar. De afbeeldingen toch vertoonen wel een zeer ouden vorm van de figuren, die men gewoon is Arabische sijfers te noemen, doch wij zijn die sijfers in geenen deele aan de Arabieren verschuldigd.

Want de Arabieren zelve hebben die sijfers nooit gebruikt. Hunne sijfers hadden den vorm: ١٢٣٤٥٦٧٨٩٠ En met deze komen onze sijfers niet het minste overeen. Erpenius (Gram. Arab.) schrijft, dat de Arabieren deze sijfers van de Indiers hebben ontvangen.

Of dat waar is of niet laat ik onbeslist. Doch ik merk er bij op, dat de Arabieren bij hunne schrijfwijze van de rechter naar de linkerhand (tegen de zon in) voor het gebruik van de sijfers eene uitzondering maken en bij het uitdrukken van getallen de sijfers van de linker naar de rechterhand (mith son om) plaatsen, b.v. ١٨٧٥ 1875, ٢١٩x 2193, ٣٤٤٩ 3449, ٢٧٠٨٥٠٦ 2708506. Het heeft dus allen schijn, dat zij deze manier van getallen op te teekenen van de westersche volken hebben geleerd.

De figuren nu, die Murphy uit de ornamenten van de Alhambra afgeteekend heeft, zijn deze:

Zie bijgaande plaat.

Dat zijn toch niet toevallige fantasie-vormen; het zijn kennelijk nabootsingen van figuren, die de bouwkundige teekenaar ergens gezien heeft. Zij hebben de meeste overeenkomst met de figuren der sijfers in het Fryas Standskrift, waarvan zij alleen verschillen door dat de hoekige vormen afgerond zijn.

En niets is eenvoudiger dan aan te nemen, dat die ornamentteekenaar die vormen aan dat Fryas Standskrift ontleend heeft. Hij heeft dus dat schrift gekend, 't welk wij in het M.S. van het Oera Linda Boek terugvinden, en door zijne nabootsing een bewijs geleverd voor de oudheid van dat schrift.

Hierin ligt een krachtig bewijs voor de echtheid van het Handschrift. Want de kwestie omtrent die echtheid is noch van grammatikalen, noch van historischen aard, maar zuiver palaeographisch.

Het Handschrift dagteekent zich zelf van het jaar 1256 en dus als een M.S. uit de 13e eeuw, en is bij de uitgave als zoodanig aangekondigd. De vraag omtrent die oudheid is louter materieel en betreft alleen het papier, het schrift en de wijze van bewerking.

Daarop heb ik reeds gewezen in mijne Inleiding bl. 25 en later in mijn geschrift tegen de Koninklijke Akademie, die ik uitgedaagd heb om het bewijs te leveren, dat het Handschrift zooals het daar ligt, niet een M.S. uit de 13e eeuw is.

Dat bewijs is zij tot hiertoe schuldig gebleven en zal zij ook wel altoos schuldig blijven. Zoolang dat tegenbewijs niet geleverd is, zoolang staat de echtheid van het Handschrift onwrikbaar vast.

Voorgedragen in de Vergadering van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden, den 16 Maart 1876.

Dr. J.G. Ottema.

Noten

  1. [noot Ott] Quintus Curtius, Historiarum Alexandri Magni, 9.8.28-29: Rex erat Moeris, qui urbe deserta in montes profugerat
  2. And. Corn. lib. I qui est Occonis Scharlensis (Hamconius fol. 77a) (item 10, 13, 14, 15, 19, 22, 22, 25, 27, 29, 32, 33, 34). [relevante delen in 1742 uitgave]
  3. [noot Ott] Everwijn Wassenbergh, Taalkundige bijdragen tot den Frieschen tongval (1806), II p.96.