Nl 13d Lofrede op Adela

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    [095/20]

    Overwijn 1951

    [/93] De burchtvrouw lof.

    Ja, buitenlandse vriend, duizenden zijn reeds gekomen en er zijn er nog meer op weg.

    Wel, zij willen Adela’s wijsheid horen.

    Zeker, zij is vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.

    Maar ja, hoe zou zij dienen? Haar hemd is van linnen, haar opperkleed van wol, die zij zelf spon en weefde. Waarmee zou zij heur schoonheid verhogen? Niet met parels, want heur tanden zijn witter; noch met goud, want heur lokken zijn glanzender en noch met edelstenen. Wel zijn heur ogen zacht als die van een lam, maar tevens zo vurig, dat men er nauwelijks in kan kijken. Maar wat bazel ik van schoon? Frya was zeker niet schoner. Ja vriend, dan Frya, die zeven schoonheden bezat, waarvan heur dochters er elk maar één, hoogstens drie hebben geërfd. Maar al was zij lelijk geweest, toch zou zij ons dierbaar wezen.

    Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het enige kind van onze grietman. Zeven voet is zij lang, haar wijsheid is nog groter [95] dan haar lichaam en haar moed is gelijk aan allebei tezamen.

    Ziet eens. Er was eens een veenbrand. Drie kinderen waren op die grafsteen daar, gesprongen, De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Wat staat ge te talmen, roept zij. Tracht hulp te verlenen en Wr.alda zal U krachten geven. Daarop ijlde zij naar het Krijlwoud, greep elzentakken en trachtte een brug te maken. Toen hielpen ook de anderen en de kinderen waren gered.

    Jaarlijks kwamen de kinderen hier bloemen neerleggen.

    Er kwamen eens drie Phoinikische zeelieden, die de kinderen wilden lastig vallen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei had gehoord. Zij sloeg de onverlaten in zwijm en opdat zijzelf zouden getuigen, dat zij onwaardige mannen waren, bond zij hen allen tezamen aan een spinrok vast. De uitheemse heren kwamen hun volk opeisen. Toen zij zagen hoe raar zij toegetakeld waren, kwam er toorn bij hen op, maar men vertelde hun, hoe het was gebeurd.

    Wat deden zij toen? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van haar kleed.

    Maar kom, mijn buitenlandse vriend, de woudvogels vluchten voor de vele bezoekers. Kom, vriend, dan kunt gij haar wijsheid horen.

    Bij de grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is moeder's lichaam begraven. Op haar grafsteen heeft men deze woorden gegrift:

    Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.

    Ottema 1876

    [/133] De lofspraak der Burgtmaagd.

    Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere zijn op weg.

    Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.

    Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.

    O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare schoonheid verhoogen? Niet met paarlen, want hare tanden zijn witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons dierbaar wezen.

    Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.

    Zie daar, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept zij, tracht hulp te [135] verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te maken; nu helpen ook de anderen en de kinderen zijn gered.

    Jaarlijks kwamen de kinderen hier bloemen neêrleggen.

    Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hun volk opeischen; toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.

    Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.

    Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden gegrift.

    Loop niet te haastig, want hier ligt Adela.

    Lees Verder

    Nl 13c De Gifpijl ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 13e Oudste Leer 1

    Aangepaste volgorde:

    Nl 10a Ulysus ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 15a Uit de Saxenmarken